Zoek binding, maar ook tegenbinding

Een teveel aan sociale cohesie schept een onontkoombaar wij-gevoel, dat tegenstellingen juist aanwakkert. Gemeenschappelijkheid wordt ook bereikt door het bindende vermogen van tegenkrachten te onderkennen, zegt Kees Schuyt, die de vier steunberen van de samenleving beschrijft....

Wat houdt een samenleving bijeen? Gemeenschappelijke waarden en normen worden meestal aangewezen als het antwoord op de pregnante vraag naar de binding (of sociale cohesie) van de samenleving. Toch ben ik niet tevreden met dit standaardantwoord, dat in deze campagnetijd bij alle politieke partijen te beluisteren valt. De vraag moet immers gesteld worden wat een samenleving bijeen houdt, als gemeenschappelijke waarden niet of niet meer aanwezig zijn en de samenleving verscheurd dreigt te worden door felle groepconflicten en scherpe wij-zijtegenstellingen.

Sociale uitvindingen

In die situaties heeft een samenleving instituties nodig om niet volledig in te storten. In de loop van de geschiedenis zijn die inderdaad ontwikkeld: een eerlijk rechtsproces, waarin vijandige partijen in eenzelfde (symbolische) ruimte blijven verkeren; religieuze tolerantie, waarin groepen elkaar niet meer naar het leven staan, maar waarin alle verschillen in stand blijven; het zoeken naar wetenschappelijke waarheid, die nooit partijgebonden waarheid kan zijn; ten slotte niet-gewelddadige conflictbeslechting, die conflicten in de samenleving niet ontkent of negeert, maar er wel voor zorgt dat deze conflicten niet uit de hand lopen.

Een samenleving heeft deze historisch ontwikkelde sociale instituties hard nodig om met vele tegengestelde groepsbelangen en religieuze verschillen om te gaan, zonder tot sociale wanorde of destructie te vervallen. Deze sociale instituties geven ‘tegenkracht’ tegen te veel en te weinig sociale binding.

Ik aarzel niet om deze tegenkrachten sociale uitvindingen van de allereerste orde te noemen. Eerdere uitvindingen waren het ontstaan van de democratie en de omzetting van het oude veterecht van eerwraak en bloedwraak in een strafproces. Deze eerste uitvindingen vonden plaats tijdens de bloeitijd van de Atheense samenleving in de 5de eeuw voor Christus. Destructieve gevoelens en handelingspraktijken kregen een maatschappelijke bedding, waarbij een begin werd gemaakt aan een rationele bewijsvoering en objectieve oordeelsvorming (in moderne termen: waarheidsvinding en rechtsvinding).

Wie deze voorbeelden van belangrijke sociale innovaties bestudeert, ontdekt dat ze steeds vernieuwingen betroffen in denken én doen. Ze werden meestal langzaam voorbereid door een fusie van denklijnen: bij de ontdekking van de vrijheid van de wetenschap in het zoeken naar waarheid, de befaamde academische vrijheid die in de 12de eeuw ontstond, waren dit theologische en natuurwetenschappelijke denkbeelden, die bij elkaar kwamen. Bij het ontstaan van religieuze tolerantie in de 16de en begin 17de eeuw waren dit onorthodoxe uitleggingen van de bijbel en zorg voor de economische welvaart. Bij Gandhi ’s niet gewelddadige politieke acties aan het begin van de 20ste eeuw in Zuid-Afrika en India (1908 – 1938) waren dit oude hindoeïstische zeden en gewoonten vermengd met westerse politieke ideeën. Het ging steeds om een fusie van maatschappelijke kernwaarden.

Steunberen

Deze sociale uitvindingen, langzaam verankerd in sociale instituties, zou ik met een metaforisch beeld de steunberen van een samenleving willen noemen. Denk aan een middeleeuwse kathedraal. De pilaren staan binnen in de tempel Gods, vaak groots en naar de hemel wijzend. Zij dragen het dak. Maar buiten werden steunberen aangebracht om het gevaar van instorten te voorkomen. Zij geven tegendruk (in het Frans heten steunberen contreforts, hetgeen de tegenkracht, die noodzakelijk is, goed uitdrukt). Steunberen neutraliseren de middelpuntvliedende krachten.

Zo is het ook met een samenleving. De krachten die de maatschappij bijeenhouden, zijn andersoortig van aard dan de krachten die ervoor zorgen dat een samenleving niet uiteenvalt. Deze krachten en de waarden die ze vertegenwoordigen, worden in discussies over sociale cohesie vaak niet van elkaar onderscheiden. Men neemt te snel aan dat het vooral gemeenschappelijke waarden zijn, die de maatschappij voor uiteenvallen behoeden. Echter, té veel nadruk op eigen waarden en normen sluit groepen met andere waarden en normen gemakkelijk buiten. Insluiting leidt per definitie tot uitsluiting.

Een maatschappij heeft ook tegenkrachten nodig, die op een andere manier dan de bekende sociale bindingen hun werk doen om de samenleving bij elkaar te houden. Om preciezer te beschrijven wat ik met die tegenkrachten bedoel, wil ik onderscheid maken tussen enerzijds de sociale bindingen, die voortkomen uit gedeelde waarden (shared values) en anderzijds een sociale binding die tegenover elkaar staande partijen, ook als zij geen inhoudelijke waarden delen, niettemin symbolisch bij elkaar brengt en aan elkaar koppelt (nevertheless values).

Bij verdere bestudering van bovengenoemde sociale uitvindingen ontdekt men een belangrijk gemeenschappelijk kenmerk, dat ik met een nieuw begrip ‘tegenbinding’ zou willen noemen. Tegenbinding is het tegenovergestelde van de meer bekende sociale bindingen, die in de samenleving ontstaan door het samengaan van mensen op basis van gelijke ideeën, gelijke gevoelens of gewoonten, gelijke identiteiten. Sociale samenhang door gelijkvormigheid en gelijke (uiterlijke) kenmerken.

Deze samenhang en gelijkvormigheid voeden een wij-gevoel, vaderlandsliefde en andere uitingsvormen van, meer of minder extreme, sociale binding. Als men tegenwoordig beweert dan er in de moderne westerse samenleving een tekort aan sociale samenhang bestaat (sociale cohesie), bedoelt men meestal een sociale binding op basis van gelijkvormigheid en eenheid.

Maar het is een goed bewaard sociologisch geheim dat er ook een teveel aan sociale cohesie kan bestaan. Dan ontstaat er in een samenleving alleen nog maar een schier onontkoombaar wij-gevoel, waar iedereen die daarbuiten valt als vijandig wordt beschouwd én behandeld. Wij-zijtegenstellingen worden er door aangewakkerd en in extreme gevallen tot een ‘wie niet voor mij is, is tegen mij’ aangescherpt.

De vijf bovengenoemde sociale uitvindingen doorbreken principieel het denken in wij-zijschema’s. Sterker gezegd: ze brengen een tegenbinding aan. In een samenleving zal er altijd sprake zijn van tegengestelde belangen, van tegenstrijdige verlangens, van onverzoenlijke ideële tegenstellingen. Bij tegenbindingen blijven deze tegenstellingen en daarop gebaseerde conflicten bestaan, maar men heeft een manier gevonden om niet destructief met deze tegenstellingen om te gaan: een vijand wordt tegenstander, een tegenstander wordt niet tot vijand gemaakt.

Ik geef een korte karakteristiek van elk van deze instituties:

Het strafproces

Het strafproces is ontwikkeld – eigenlijk ontdekt – in de Griekse samenleving in de 5de eeuw voor Christus, het hoogtij van de Griekse democratie en welvaart. Een strafproces is de institutionalisering van de wraak en waakt tegen de destructieve kracht van eerwraak en eigenrichting. Twee partijen zijn en blijven aan elkaar gebonden, zonder dat ze het conflict en de tegenstellingen hoeven te ontkennen of negeren. Het conflict wordt voorgelegd aan een neutrale, onafhankelijke derde.

Dit gebeurde aanvankelijk nogal primitief, maar het strafproces ontwikkelde zich vervolgens tot een verfijnd en weloverwogen systeem van regels voor aanklacht, verdediging en bewijsvoering. Een moderne publieke rechtsorde is de uitbouw van de eerste uitvinding.

Heden ten dage bindt ook de internationale rechtsorde onverzoenlijke vijanden aan bepaalde grenzen en regels, zoals bijvoorbeeld aan de conventies van Genève.

Het recht bestaat uit de symbolische ruimte die tegenover elkaar staande partijen aan elkaar blijft klinken.

Vrije wetenschapsbeoefening

De academische vrijheid en het vrije streven naar wetenschappelijke waarheid werden ontwikkeld – eigenlijk ook ontdekt – in de 12de eeuw in Europa aan de universiteiten, en kregen daar voor het eerst gestalte. Waarheid is niet aan één partij gebonden. Waarheid is niet ondergeschikt aan kerk of staat. Waarheid dient als nastrevenswaardig ideaal alle partijen, hoe verschillend ze ook denken of doen. Wetenschappelijke waarheid kan groepstegenstellingen doen verstommen of overwinnen. Einsteins relativiteitstheorie gold voor alle naties, ook al ontkenden de nazi’s Einsteins theorie vanwege diens afkomst. Iedereen, vriend of vijand, kan wetenschappelijke ontdekkingen doen en de erkenning daarvan hangt niet af van de vraag tot welk kamp de ontdekker behoort. In waarheid leven (deze uitdrukking is van Vaclav Havel) is de strijd aanbinden met alle leugens van een totalitaire samenleving en daarvoor is naast waarheidsliefde ook een systeem van waarheidsvinding noodzakelijk. Het zoeken naar (wetenschappelijke) waarheid wordt zo een vorm van tegenbinding, omdat het principieel wij-zijtegenstellingen doorbreekt. Wetenschapsbeoefening is, idealiter, de institutionalisering van het zoeken naar bovenpersoonlijke waarheid.

Religieuze tolerantie

De religieuze tolerantie werd, na een eeuw van bloedige strijd en godsdienstoorlogen, uiteindelijk uitgevonden in de zestiende en zeventiende eeuw in Europa. De religieuze tolerantie kwam, toen het inzicht doorbrak dat het doden van ketters erger was dan de ketterij zelf. De kern van religieuze tolerantie bestond erin dat men de ketters bleef bestrijden, maar niet meer te vuur en te zwaard. De bekering van de ketters moest op vrijwilligheid berusten, niet met het zwaard afgedwongen. De tegenstellingen bleven gekend en gehandhaafd, maar het destructieve karakter ervan werd weggenomen. Tolerantie is juist helemaal geen onverschilligheid, maar juist de erkenning van verschil en de wil de afgekeurde levens- en denkwijze te bestrijden, echter zonder dat de persoon van de getolereerde wordt weggevaagd. Tolerantie bestaat in het onderdrukken van de neiging anderen te onderdrukken (bijvoorbeeld andersdenkenden, vreemden, afwijkenden). Na de Franse Revolutie is religieuze vrijheid grondwettelijk vastgelegd en werd de tolerantie in feite geïnstitutionaliseerd en uitgebouwd tot politieke en sociale tolerantie. De hedendaagse klassieke grondrechten zijn te zien als de voortzetting van de oorspronkelijke, moeizaam geleerde, religieuze tolerantie.

Geweldloze politieke actie

De geweldloze politieke acties van Mohandas Gandhi werden ontdekt en voor het eerst toegepast in Zuid Afrika vanaf 1906 en later verder ontwikkeld in de bevrijdingsstrijd van India vanaf 1921 tot 1948. Gandhi had niet als doel om groepstegenstellingen op te heffen of met elkaar te verzoenen, maar wel om ze duidelijk te maken, ze scherp te articuleren. Hij zag de ‘vijand’ niettemin principieel als deel van ‘al het levende’. Daar kwam zijn principiële gebod vandaan om zijn tegenstanders niet te doden, maar ze juist krachtdadig en geweldloos te bekampen. Zijn geweldloosheid berustte op respect voor de waarde van elk levend wezen. Ook hier is dus sprake van een bepaald soort binding van partijen aan elkaar in een universele symbolische ruimte. Men hoeft deze principiële geweldloosheid of zijn pacifisme niet te delen om toch in te zien dat zijn acties de dekolonisatie van India tot een minder bloedige hebben gemaakt dan bijvoorbeeld die van Algerije en Indonesië. In algemene zin betekent geweldloze conflictbeslechting een belangrijke institutionalisering van het omgaan met maatschappelijke tegenstellingen. Ze geeft een nieuwe dimensie aan het samen leven, zij het dat deze geweldloosheid niet door iedereen wordt aanvaard en ook minder is geïnstitutionaliseerd dan de drie eerdergenoemde sociale uitvindingen, die historisch gezien al een veel langere ontwikkelingsgeschiedenis hebben doorgemaakt.

Corrigerend vermogen

De vier steunberen belichamen precies de vier kernwaarden van een democratie: de rechtvaardigheid van een eerlijk proces, het zoeken naar waarheid, tolerantie en het streven naar niet-gewelddadige conflictbeslechting, of althans naar een reductie van geweld. Gezamenlijk kunnen ze ook opgevat worden als de belangrijkste signalen van hoe sterk en levendig een democratie functioneert. Vergelijk de Amerikaanse democratie onder Bush jr. met de Europese: als een eerlijk rechtsproces niet meer wordt toegestaan aan bepaalde verdachten, als onafhankelijke wetenschappelijke bevindingen opzettelijk worden weggeschoven in eenzijdig gemaakte beleidsrapporten, als een apocalyptisch christelijk fundamentalisme de overhand krijgt boven de aanvaarding van andere meningen en het geweld als conflictoplossend middel vanzelfsprekend geworden is, dan staan de vier signalen allemaal op rood. Als, zoals in Nederland, het strafproces tegen politieke misdaden (Volkert van der G., Mohammed B.) adequaat en naar eigen beginselen gevoerd kan worden, wetenschappelijk onderzoek (nog) niet volledig onder druk gezet wordt en de moeilijke tolerantie toch wordt volgehouden, dan staan de signalen van de democratie op groen. Maar het belangrijkste van de democratie is dat het systeem zichzelf kan corrigeren en dat de burgers na een paar jaar telkens weer in staat gesteld worden opnieuw ‘de verkeerde’ regering te kiezen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.