Zo verdeel je geld voor wetenschappelijk onderzoek op een eerlijke manier

Drie ideeën om belangenverstrengeling tegen te gaan

De beoordeling van subsidie-aanvragen mag geen vriendendienst of voor-wat-hoort-wat zijn. Hoe valt dat te voorkomen?

Met echt eerlijke beoordelingen voorkom je dat commissieleden elkaar beïnvloeden. De financiering van het onderzoek naar de robothand op deze foto heeft niets te maken met belangenverstrengeling. Foto Flip Franssen / Hollandse Hoogte

1. Vermijd de belanghebbende

Na een uitspraak van de Raad van State in 2016 over de toekenning van kunstsubsidies door vakgenoten, gelden voor rijksinstellingen nieuwe regels. Leden van een beoordelingscommissie mogen geen direct belang hebben bij wat ze beoordelen.

Tot die uitspraak was er de uitzonderingsclausule: leden met een belang kregen de betreffende documenten niet en gingen bij de discussie de vergadering uit. Probleem is dat ze bij de rest van de beraadslagingen wel aanwezig zijn en indirect de commissieleden toch kunnen beïnvloeden in hun oordeel.

De nieuwe regels vereisen een strengere selectie en screening van potentiële commissieleden. In de kleine wereld van het Nederlandse toponderzoek kent iedereen iedereen en wordt bovendien intensief samengewerkt. Daardoor kan het voor organisaties als ZonMW en NWO lastig worden om voldoende deskundige vakgenoten te vinden die niet bij een of meer van de vaak honderden voorstellen betrokken zijn. Vaak wordt daarom ook het oordeel van buitenlandse deskundigen ingewonnen en stevig meegewogen in het eindoordeel.

2. Vermijd alle vakgenoten

Te moeilijk om genoeg ongebonden vakgenoten te vinden voor een beoordelingscommissie voor onderzoeksgeld? Dan is een commissie van echte buitenstaanders misschien een oplossing. Omdat het om wetenschappelijke voorstellen gaat, moeten dat wel zelf goede wetenschappers zijn. Maar nadrukkelijk geen directe vakgenoten van de aanvragers.

Dat klinkt vreemder dan het is. Bij NWO zijn er diverse aanvraagrondes voor bijvoorbeeld de brede Veni en Vidi-beurzen waar de commissie zelf nadrukkelijk ook breed is gekozen: astronomen en medici beoordelen net zo goed plannen van aardwetenschappers als omgekeerd.

Medische geldschieter volgens minister vaker in de fout: 'Schijn van belangenverstrengeling'

De schijn van belangenverstrengeling hangt in 144 gevallen rond de verdeling van subsidies voor medisch onderzoek, schrijft minister De Jong aan de Kamer. Commissies beoordelen soms voorstellen van eigen leden.

Daarbij is het wel van belang dat er strikte beoordelingscriteria worden gebruikt, die wetenschappelijke kwaliteit, originaliteit, nut en voortvarendheid van kandidaten en voorstellen meten. Wetenschappers maken zich geregeld zorgen over deze niet-specialistische aanpak, die tot vervlakking van het onderzoeksaanbod zou leiden; juist specialistische hoogstandjes komen er niet door.

In de brede commissies komt het geregeld voor dat commissieleden die te dicht bij een voorstel staan de vergadering even verlaten. Dat laatste mag niet meer van de minister, omdat belanghebbenden dan toch te veel invloed op de beoordeling zouden kunnen uitoefenen.

Smallere aanvraagrondes met een commissie uit uitsluitend andere disciplines zouden dat oplossen, al zal dat de vrees voor oppervlakkigheid niet wegnemen. Kunnen aardwetenschappers kankeronderzoekers echt beoordelen?

3. Verloot de subsidies

Het hele systeem van beoordelingscommissies die het schaarse geld voor wetenschappelijk onderzoek verdelen, krijgt de laatste jaren veel kritiek. Niet alleen vanwege de schijn van belangenverstrengeling, die bij peer-review gemakkelijk gewekt wordt.

Een heel ander pijnpunt is dat van de groeiende vloed aanvragen een steeds kleiner deel echt gehonoreerd kan worden, soms maar de bovenste 10 tot 15 procent van beste voorstellen. Dat betekent dat honderden aanvragers veel tijd en aandacht hebben vergooid die ze misschien beter in hun onderzoek hadden kunnen steken.

Tegelijk zijn de kwalitatieve verschillen tussen de voorstellen vaak gering en hangt het van de smaak van commissies af wie er geld krijgt en wie niet. De laatste jaren wordt daarom wel radicaal geopperd om een wetenschappelijke commissie wel de urgentie en kwaliteit van alle voorstellen ruw te laten beoordelen, maar daarna voor de bovenste helft te loten voor de echte subsidie.

Afgezien van de eerste selectie vervalt daarmee de mogelijkheid om voorstellen op de lijst van de commissie 'omhoog (of omlaag) te praten' zoals nu in commissies vaak op de valreep nog intensief gebeurt. Ook als het niet om werk van een vriendje of de student van een vriendje gaat.