Zij winnen de 'Nederlandse Nobelprijs'

De vier topwetenschappers die dit jaar een Spinozapremie krijgen zijn bekend. We stellen ze voor, maar staan eerst stil bij de mix van eer en ongemak die winnende onderzoekers vaak hebben.

Met de klok mee: Prof. dr. ir. R.A.J. Janssen, prof. dr. T.N. Wijmenga, prof. dr. B. Meyer en prof. dr. A.W. van der Vaart. Beeld Adrie Mouthaan

Het is een cadeau van formaat, de Spinozapremie die elk jaar een handjevol Nederlandse toponderzoekers ten deel valt. Dit jaar zijn dat een godsdienstwetenschapper, een zonnecelchemicus, een geneticus en een wiskundige. Stuk voor stuk geleerden met een imposante staat van dienst, internationaal aanzien en onderzoek dat een breed publiek kan aanspreken. Birgit Meyer, René Janssen, Cisca Wijmenga en Aad van der Vaart, heten ze, hoogleraren van respectievelijk de universiteiten van Utrecht, Eindhoven, Groningen en Leiden.

Op persoonlijke titel ontvangen zij van wetenschapsfinancier NWO ieder 2,5 miljoen euro. Geld dat ze geheel naar eigen inzicht mogen besteden, zij het wel aan wetenschap en niet aan al dan niet spreekwoordelijke glimmende rode sportwagens. De meeste laureaten doen dat ook keurig netjes. Ze nemen met het prijzengeld jonge mensen en interessante collega's aan, kopen apparatuur, financieren experimenten of veldwerk, en nemen wellicht net wat meer risico's dan met regulier geld verantwoord zou zijn. Business as usual lijkt het. En de eer blijft: de Spinozapremies worden niet voor niets een beetje beschouwd als de Nederlandse Nobelprijzen.

En toch is er ook iets vreemds met deze prijs der prijzen. Wie de winnaars ervan spreekt, zoals de Volkskrant jaarlijks doet, bespeurt naast trots ook iets van gêne. Zonder het gegeven paard van Spinoza in de bek te willen kijken is de premie volgens de meeste winnaars zo anders dan de normale jacht op onderzoeksgeld dat het in elk geval wel even wénnen is.

Beeld van Spinoza. Beeld ANP

Wennen op twee manieren, zelfs. Om te beginnen heeft geen van de winnaars erom gevraagd. Dat klinkt gekker dan het is. Zeker de laatste tien jaar zijn wetenschappers voor onderzoeksgeld aangewezen op competities bij NWO of de Europese Onderzoeksraad ERC. Daarbij moeten overtuigende onderzoeksplannen worden geformuleerd, inclusief begrotingen voor alles waar het geld aan besteed zal gaan worden. De kans dat een dergelijk voorstel wordt gehonoreerd is klein, meestal minder dan een op de vijf. De meeste aanvragers zijn er maanden mee doende geweest, of ze nou geld krijgen of niet.

Een Spinozapremie is het andere uiterste. De winnaars zijn doorgaans niet eens op de hoogte van de nominatie, die afkomstig kan zijn van de rector van hun universiteit of de adviseurs van de KNAW, gebiedsbesturen bij NWO zelf en een handvol andere adviseurs, zoals het netwerk van vrouwelijke hoogleraren. Als de prijs wordt uitgereikt, ligt er zelden een uitgewerkt onderzoeksplan, is er geen ultieme droom, geen voorgenomen klap op de vuurpijl.

Natuurlijk weten topwetenschappers na enig nadenken wel precies waar ze graag meer geld aan willen besteden: aan meer of betere onderzoekers, aan een gewaagd experiment. Zoals sterrenkundige Michiel van der Klis die ooit overwoog om over te stappen op hersenonderzoek, en het toch maar niet deed. Maar de toekenning is vooral een blijk van vertrouwen. In een wetenschapper waarvan mag worden aangenomen dat die wel weg weet met extra geld.

Precies daar komt het andere ongemakkelijke aspect van de Spinozapremies aan het licht: het honoreert wetenschappers die doorgaans niet dringend meer geld nodig hebben. Áls er bij NWO en bij ERC al mensen in aanmerking komen voor miljoenenbeurzen, zijn zij het. 'Het kwam wel op, hoor', zegt een winnaar uit eerdere jaren. 'Maar in feite had ik gewoon al geld zat.' De laatste vijf jaar hadden 12 van de 17 Spinozaprijswinnaars als 'leiders in hun onderzoeksveld' voor de toekenning al een ERC-grant van miljoenen verworven.

Koning Willem-Alexander met de winnaars van de Spinozapremie van vorig jaar. Beeld ANP

Omgekeerd is het wel een geweldige vrijwaring van geldzorgen, zegt de Nijmeegse breinwetenschapper Peter Hagoort, voorzitter van - jawel - de Vereniging van Spinozapremiewinnaars. 'Je hebt een buffer en kunt dus wat meer risico's nemen.' UvA-fysicus Erik Verlinde, winnaar in 2012: 'Het is heerlijk om even niet almaar nieuwe voorstellen te moeten schrijven.' Astronoom Xander Tielens: 'Ik weet niet of ik anders nog in Nederland zou zitten.' Ecoloog Marten Scheffer: 'Je kunt dingen doen die anders te veel tijd en administratie kosten: een conferentie opzetten omdat je een idee hebt, plotseling opduikend talent inhuren, reflectiebijeenkomsten houden met aio's, interdisciplinair veldwerk doen.'

Ook dit jaar zijn de vier Spinozawinnaars echte winners. Drie van de vier hebben kortgeleden een ERC Advanced Grant binnengesleept, Europese onderzoeksbeurzen van 2- tot 2,5 miljoen euro per persoon: Janssen en Wijmenga in 2013, Van der Vaart het jaar daarvoor. De Utrechtse religiewetenschapper Birgit Meyer heeft geen ERC, maar kreeg vorig jaar als Akademiehoogleraar toch ook een prijs van een miljoen euro van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Ziedaar Spinoza's onbehagen: de premies zijn een grote en terechte eer, maar meestal ook geld op geld en dus soms een ongemakkelijk groot cadeau voor wie het eigenlijk niet zo nodig heeft. Reden te meer, natuurlijk, om er dan wel echt iets moois mee te doen in de barre academische werkelijkheid.

Geneticus Cisca Wijmenga wil glutenallergie ontrafelen

Het was een vastbesloten Cisca Wijmenga die in 1996 terugkeerde uit de VS. De jaren daarvoor had ze, opgeleid als biologe, onderzoek gedaan in het lab van de grote medisch geneticus Francis Collins, leider van het onderzoeksconglomeraat dat als eerste de volledige menselijke dna-volgorde zou ontrafelen. Daar, in Collins' laboratorium op de campus van de National Institutes of Health in Mary land, ontwikkelde zich Wijmenga's visioen van de toekomst.

'Dit waren de beginjaren van de moderne klinische genetica. Hooguit hoorde je nu en dan van een ziekte die door één mutatie werd veroorzaakt. En ik dacht: wauw, als dit ooit eens kan voor complexe, chronische ziektes. Depressie. Diabetes. Schizofrenie', vertelt ze. 'Niemand werkte daar nog aan. En ik wist echt: hier wil ik mijn leven aan wijden.'

Twintig jaar later staat Cisca Wijmenga (1964) aan het hoofd van de afdeling genetica van het UMCG in Groningen en is haar groep wereldspeler in het onderzoek naar aandoeningen als diabetes, reuma, de ziekte van Crohn en coeliakie. Ziektes die ontstaan als het ingewikkelde orkest tussen genen en de omgeving opeens valse tonen begint aan te slaan en ontspoort. Ziektes ook waartussen Wijmenga jaren geleden in nog zo'n moment van inspiratie een diepzinnig verband zag: 'Dit zijn stuk voor stuk aandoeningen van het immuunsysteem. We vermoeden dat iets in het immuunsysteem je gevoelig maakt en dat daarbovenop nog iets komt waardoor de ziekte zich ontwikkelt.'

Beeld Adrie Mouthaan

In gedachten heeft Wijmenga haar Spinozapremie al meerdere keren uitgegeven. Aan haar huidige onderzoeksgroep, aan de opsporing van nieuwe genetische patronen die een rol spelen bij het ontstaan van ziektes. En aan een vraag die nu al een poos aan haar knaagt: waarom blijven sommige mensen met een erfelijke aanleg voor ziekte eigenlijk gezond?

'Uit eerdere studies blijkt dat mensen rondlopen met zo'n 100 tot 200 mutaties die we alleen kennen van erfelijke ziektes. Toch blijven de meesten van ons gezond. Blijkbaar is het dna dus niet zo deterministisch als je denkt, is er zoiets als een buffercapaciteit. Ik zou willen weten: waaraan ligt dat?'

Als model voor dat type onderzoek wil Wijmenga gluten-allergie (coeliakie) nemen, een aandoening die ze de afgelopen jaren al uitvoerig bestudeerde. 'De technologie is er rijp voor. En de afgelopen tien jaar hebben we een onvoorstelbare hoeveelheid gegevens verzameld. Ik denk dat de grote uitdaging nu is: wat halen we precies uit die data, hoe vertalen we wat we zien nu naar het individu?'

Gaf de Spinozapremie in huize Wijmenga overigens geen scheve gezichten? Mevrouw deelt het huis immers met nóg een professor, hoogleraar moleculaire genetica Marten Hofker. Maar die nam het sportief op, vertelt Wijmenga. 'Hij vindt het haast nog leuker dan ik. We hebben het sinds de bekendmaking iedere dag gevierd.'

Zonnecelchemicus René Janssen wil een blad maken

De dag in mei nadat de Eindhovense hoogleraar moleculaire materialen René Janssen het heugelijke nieuws van de NWO-voorzitter had vernomen, was hij abrupt weer terug op aarde. 'Spinozaprijs of niet, ik had gewoon een stapel van 140 derdejaarstentamens die nagekeken moesten worden. De kans om flink naast je schoenen te gaan lopen, krijg je niet echt aan een Nederlandse universiteit.'

René Janssen (1959) maakte de laatste decennia ook internationaal naam met zijn onderzoek naar zogeheten organische elektronica en vooral zonnecellen. Niet alleen halfgeleiders als silicium hebben interessante elektronische eigenschappen, waarmee transistoren of lichtgevoelige lagen te maken zijn. Ook sommige organische verbindingen zijn daarvoor geschikt, wat perspectieven biedt voor goedkopere elektronica, die flexibel is en wie weet zelfs printbaar.

Janssen: 'Als student leerde ik dat je eigenlijk geen stroom door een polymeer kunt sturen. Dat intrigeerde me meteen, als iets volgens de boeken níét kan wil ik er het fijne van weten. En gaandeweg bleek dat ook plastics elektronisch actief kunnen zijn. Je moet ze alleen helpen. Hoe, dat is mijn vak geworden, vooral richting zonnecellen.'

Organische elektronica is inmiddels een kwart eeuw oud en bijvoorbeeld in de beeldschermen van veel mobiele telefoons en tablets terug te vinden. 'De pixels zijn steeds vaker zogeheten oleds, kunststof leds. Die zijn niet alleen goedkoper, maar ook gewoon beter omdat ze echt aan of uit staan en dus een hoog contrast geven.'

Beeld Adrie Mouthaan

'In mijn vak komen chemie en fysica voortdurend bij elkaar. Ik ben ooit als chemicus opgeleid, maar heb me de taal van de natuurkunde eigengemaakt. De een praat over benzeenringen, de ander over silicium atomen, maar waar het om gaat is nooit bang te zijn voor een ander vakgebied. Waar nodig ga je zitten met een leerboek en studeer je tot je het snapt.

'De Spinozapremie geeft meer ruimte voor wat ik blue sky research noem. Ongeveer de helft van ons onderzoek nu gaat naar efficiëntere en toch goedkope organische zonnecellen. Wat mij steeds meer boeit, is het idee van solar fuels: manieren om zonne-energie rechtstreeks op te slaan in synthetische brandstoffen. Eigenlijk precies wat groene planten doen in de fotosynthese. Wat we dus eigenlijk zoeken is een kunstmatig blad. Daar moeten we misschien maar eens een impuls aan geven.

'De nadruk van de laatste tijd op de maatschappelijke relevantie van wetenschap gaat ons in principe goed af. Wij zitten van nature al in de driehoek van kennis, industrie en samenleving, maar wel nadrukkelijk in de fundamentelere hoek. Prima dat de politiek wil dat we ons verantwoorden. Wat me nu en dan wel benauwt is hoeveel tijd en geld daarin gaat zitten. Ik denk: steek die in goed onderzoek. Dan komen het nut en de belangstelling vanzelf.'

Statisticus Aad van der Vaart wil datavloed temmen

De premie van 2,5 miljoen euro overvalt hem, bekent de Leidse statisticus Aad van der Vaart, en zo hoort het ook. Maar een totale verrassing was de toekenning ook niet, nee. Met een ERC-beurs op zak en als lid van de Akademie van Wetenschappen ben je een kanshebber, weet de hoogleraar statistiek en kansrekening.

Wat hij ermee wil, staat in grote lijnen meteen vast: eindelijk een serieus statistics department in Nederland op poten te zetten, in Leiden of desnoods ergens anders. Al jaren is dat zijn ideaal.

Van der Vaart (1959): 'In Nederland zijn heel wat statistici, maar die zijn bijna allemaal verbonden aan een instelling, ziekenhuizen, genetische labs, in de finance, bij de sociale wetenschappen. Het echt fundamentele onderzoek komt daardoor voor veel statistici op het tweede plan. Terwijl de statistiek en kansrekening met duidelijke nieuwe vragen kampen en theorievorming behoeven.'

Big Data is daarbij het sleutelwoord. Het opslaan en doorzoeken van massale hoeveelheden informatie is dankzij de digitalisering geen enkel probleem meer. Maar een zinvolle analyse van die vloedgolven aan data vergt nieuwe statistische technieken. 'Klassiek heb je een rijtje van dertig proefpersonen met ieder vijf parameters. Nu hebben we datasets met honderdduizenden ingangen. Gewone foutenrekening, bijvoorbeeld, werkt dan niet meer. Zelfs de vraag wat een significant effect is, wordt wezenlijk anders. Ik zit soms op een congres en zie gerenommeerde onderzoekers daarmee helemaal uit de bocht vliegen.'

Beeld Adrie Mouthaan

Twee jaar geleden kreeg de Leidse hoogleraar een Europese ERC-grant van 2,2 miljoen euro, voor een zeer wiskundig onderzoeksprogramma op het gebied van grote, rommelige datasets. Daarmee is hij druk doende, de ene paper na de andere vol stellingen en bewijzen ziet het licht. 'In feite zal de Spinozapremie daar niet veel aan veranderen, behalve dat het misschien wat minder zuiver wiskundig kan worden omdat Spinoza geen specifieke beperkingen oplegt.'

Onder collega's staat Van der Vaart bekend als een man die nadrukkelijk aansluiting zoekt bij de echte wereld. 'Zuivere wiskunde is razend interessant, hoor, maar ik denk dat je als statisticus een rijker mens wordt als je over toepassingen mag nadenken. De omgang met medici, genetici, financieel experts of tweelingonderzoekers verbreedt je horizon zo enorm, het is zonde om het niet te doen.

'In de wiskunde heb je niet veel meer nodig dan een potlood en een kantoor, een paar computers, een beetje reisbudget en vooral briljante mensen die interessante vragen stellen. Ik heb geen groots nieuw plan klaarliggen. Wat ik ga doen, is mensen aantrekken, helaas tijdelijk, maar ze wel de ruimte geven om mooie dingen te doen. Goeie wiskundigen laten zich niet om een boodschap sturen. Ook de mijne niet.'

Religiewetenschapper Birgit Meyer zoekt het tastbare geloof

In een land als Nederland beschouwen mensen religie soms als iets ouderwets, of achterlijks. Religiewetenschapper Birgit Meyer (1960) van de Universiteit Utrecht weet beter. Religie is in de 21ste eeuw nog altijd wereldwijd een centraal fenomeen. Jarenlang deed ze onderzoek in Ghana, waar de Pinksterkerken juist een middel zijn om mee te doen in de moderne samenleving en een seculier leven niet eens een optie is.

Mede door de aanslagen van 11 september groeide de aandacht voor haar onderzoeksterrein én het besef dat ook in de westerse wereld religie nog altijd een centrale rol speelt.

In 2000 ontving zij haar eerste grootschalige onderzoeksbeurs. Ze zette een onderzoeksgroep op die in Brazilië, West-Afrika, Zuid-Azië en het Caribische gebied de relatie tussen massamedia en religie bestudeerde. Meyer ziet religie als een brug tussen deze en een andere werkelijkheid, 'een bemiddelingspraktijk'. Ze onderzoekt vooral materiële verschijningsvormen van religie: het gebruik van media (van ringtones met de stem van een kerkleider tot televangelisten), sacrale voorwerpen en het gebruik van alle zintuigen om de verbeelding vorm te geven.

Beeld Adrie Mouthaan

 

De van oorsprong Duitse Meyer ging ooit op studiereis naar de voormalige Duitse kolonie Togo. Daar zag de studente pedagogiek en religiewetenschappen ze ambieerde een carrière als lerares een kerk, neergezet door zendelingen uit Bremen. 'Onmiddellijk vroeg ik mij af wat de aantrekkingskracht voor de lokale bevolking, de Ewe, was geweest om toe te treden tot dat nieuwe geloof van mensen die zeiden: jullie hebben tot nog toe de duivel aanbeden, wij komen jullie het ware geloof brengen.'

Om de Ewe beter te begrijpen had Meyer 'een diep inzicht in andere manieren van denken, voelen en handelen' nodig. 'Ik was minder geïnteresseerd in de bestudering van inheemse volkeren die nooit met anderen in aanraking waren geweest, maar juist geboeid door culturele kruisbestuivingen zoals in Latijns-Amerika of Afrika.' Dus vertrok ze naar Amsterdam om antropologie te studeren.

Daar studeerde ze bij landgenoot Johannes Fabian, die niet-westerse culturen en samenlevingen als onderdeel van een globale wereld beschouwde, en kritisch reflecteerde op de eigen antropologische blik. Precies wat Meyer zocht. De bestudering van deze zogeheten 'contactzones', waar verschillende werelden elkaar raken, werd haar centrale thema. Behalve de toe-eigening van het christendom en de aantrekkingskracht van Pinksterkerken bestudeerde zij ook populaire cultuur en film.

Aangezien die gemêleerde cultuur door de globalisering eerder norm dan uitzondering is, is dat ook waar Meyer haar blik op zal richten, onder de naam Dynamics of Religion in a Diversifying World. Maatschappelijke relevantie is voor haar vanzelfsprekend. 'Neem een kwestie als Charlie Hebdo. Het is niet mijn taak als wetenschapper om normatieve uitspraken te doen, maar ik heb wel de idealistische gedachte dat meer kennis en begrip tot meer verdraagzaamheid zal leiden.'

Jezelf zien in het licht van de ander is voor haar als Duitse in de Nederlandse maatschappij eigenlijk een tweede natuur, het geeft haar 'scherpte' in haar blik. Omdat zij ook in hart en nieren docent is, gaat een deel van de premie naar de ontwikkeling van lesmateriaal over religie voor middelbare scholieren. Want de schamele kennis van veel jongeren vindt zij een groot gemis.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.