Wij zijn de baas over de taal

In Brussel vergaderen over spelling en dineren gaat niet samen. Trouwens, waarom zou taal een overheidszaak moeten zijn, vraagt Peter Hoefnagels....

Toen ik in de Eerste Kamer kwam, opteerde ik uit het scala van commissies voor de Interparlementaire Commissie Taalunie. Ik toog begin ’95 voor mijn eerste vergadering naar Brussel. Op de agenda stond de spellingherziening. Ik kende de stukken, worstelde me door kippeëieren en kippenhokken heen en maakte tal van notities op het thema: ‘Waar heb dat nou voor nodig?’ Waarom moesten Nederlandse en Belgische parlementen hun onderdanen verplichten om allemaal in dezelfde invalidenstoelen dezelfde kippeëieren uit dezelfde kippenhokken te halen?

Toen de trein langs Dordrecht reed en ik de stukken las van mijn eerste vergadering, beleefde ik de dag nog alsof ik naar een leuke taalles ging, bij Wuustwezel voelde ik me verantwoordelijk, bij Antwerpen werd ik fanatiek en vóór Brussel had ik vlammende betogen over de vrije taal van de vrije Vlaming die de vrije taal van de vrije Nederlander kon bevruchten met zijn sappige verbuigingen, en vice versa de Nederlander met zijn strenge grammatica.

Mijn ‘Waar heb dat nou voor nodig’ vond een belangrijk argument in het verrukkelijke verschil tussen het Vlaams en het Nederlands, mijn moederland en mijn vaderland in een taalgebied van 22 miljoen Nederlands sprekenden. Een parlementaire verantwoordelijkheid voor 22 miljoen mensen was nog niet eerder op mijn schouders gelegd. Nee, Vlaams en Nederlands verdroegen geen gemeenschappelijke spelling of grammatica of syntaxis. Eenheid van taal in Vlaanderen en Nederland zou een vergissing zijn. Een bij wet besloten vierkante cirkel. Daar kwam bij dat het oude Groene Boekje nog allerlei alternatieven liet bestaan.

’s Morgens was de voorvergadering, ’s middags zouden de ministers komen (Aad Nuis en zijn Vlaamse collega.) In de voorvergadering gaf ik mij op als spreker, de 21ste. De Vlaamse parlementariërs waren dolgelukkig dat vandaag besloten zou worden tot de spellingherziening. Zij spraken lyrisch over deze dag van glorie en waren verrukt over de eenheid van taal die zou ontstaan. Tot mijn verbazing waren ook de Nederlanders gelukkig dat het karwei waaraan ze jaren hadden gewerkt, vandaag geklaard zou worden en ik begon enkele retouches aan te brengen in de aantekeningen voor mijn speech ‘Waar heb dat nou voor nodig?’

Het werd me trouwens duidelijk dat ik in dit gezelschap van taalpuristen geen enkel doel zou dienen als ik in Barend Servet-varianten mijn boodschap op tafel zou leggen. De taal is niet gans een volksvertegenwoordiging.

Bij de zeventiende spreker had ik al mijn vrije Vlamingen uit mijn speech geschrapt en het zalig anarchistisch perspectief van de taal die gans een volk is voor mezelf gehouden. De voorzitter had de sprekers gemaand het kort te houden; bij de tiende spreker wees hij op de ‘lunch’, bij de twaalfde noemde hij het ‘noenmaal’ en bij de vijftiende ‘het feestelijk banket’ dat op ons wachtte.

Vlamingen zijn enorme taalstrijders, maar voordat de revolutie bloed kan veroorzaken, moet er goed gegeten worden. Iedere spreker had, geheel in de traditie van het onderwerp, geneuzeld over een ‘n’ meer en een ‘n’ minder. Ik besloot mijn anarchistisch perspectief niet in het hongerig verlangen naar een banket te laten verdwijnen en geen gekke Henkie te spelen, nu het vuur der revolutie nog geen vlam kon vatten. Ik hield mijn kruit droog. Voorzichtig heb ik nog iets in het midden gebracht over het openhouden van meer alternatieven, hetgeen me boze blikken bezorgde. Ik maakte het weer goed door de gastheren bijvoorbaat te danken voor het ongetwijfeld royale banket. Want royale gastvrijheid kan de Noord-Nederlander van de Vlaming leren.

Het banket wàs royaal. Men kan dit beschrijven aan de wijnen. De Champagne, een Veuve Cliquot, liet ik na de heildronk die werd uitgebracht op de zojuist gearriveerde bewindsman Nuis, maar staan, toen de Meursault, de koningin der witte Bourgognes, werd ingeschonken. Het is een wijn waar men niet bij moet praten. Alleen maar spoelen en proeven, dat is cultuur. Bij het vleesgerecht kwam de rode Bourgogne; ik wist niet dat er nog zoveel flessen Clos de Vougeot van meer dan twaalf jaren oud bestonden. Nooit praten als je deze wijn drinkt, want voor het praten moet men slikken en dat is bij deze wijn een doodzonde.

Trouwens mijn aangename Vlaamse buurman onderhield mij over de vriendenclub die de Interparlementaire Taalunie was geworden; nooit één wanklank. Ik liet de fabuleuze wijn door mijn mond rollen totdat deze was verdampt, waardoor de volgende mondvol nog voller van smaak was. Mijn buurvrouw aan de andere zijde onderhield mij over de schoonheid van het Nederlands in een hartelijk Vlaams waarin ik mijn Antwerpse moeder herkende. Het was een banket waarvan een vorst kan dromen. De desserts werden besprenkeld met Hautes Sauternes, een afronding die ik niet meer met koffie heb bedorven. De Vlaamse tafelvoorzitter verontschuldigde zich dat hij ons moest bidden om weer ter vergadering te gaan. Ik moet bekennen dat ik geen moment meer aan de revolutie heb gedacht.

Enkele leden zaten te knikkebollen. Bewindsman Nuis was blij dat hij weer onder vrienden was. Hij nam een voorschot op de eenheid door ook de Vlaamse minister te vertegenwoordigen. De voorzitter was ook blij dat we onder vrienden waren. Het oudste Nederlandse lid zei ook aardige dingen jegens de Vlaamse vrienden. Er werden nog een paar n-en vastgesteld, die van de ochtendvergadering. Mijn n minder was er ook bij. Daarna werd er gestemd. Iedereen was vóór de spellingherziening. Ik dacht: het kan toch niet goed gaan met die spelling, al die inconsequenties, iedereen gaat doen wat-ie wil.

Na afloop hoorde ik van enkele Nederlandse leden dat ze het eigenlijk ‘idioot’ vonden om zo’n spelling bij wet vast te stellen. Het is de kernvraag van onze democratie: waarom stemmen volksvertegenwoordigers voor een wet waar ze tegen zijn? In dit geval: omdat de overheid niet de baas is over taal. Dat zijn we zelf, het volk.

Ik werd gerustgesteld, toen Van Dale de spellingherziening aan zijn laars lapte, een Vlaamse minister nog eens zijn eigen wijzigingen aanbracht en niemand, behalve een enkele Vlaming op nationaal dictee in Nederland, nog weet hoe het moet. De taal blijft een anarchistisch genoegen, een Waddenzee waarin de gleuven en sleuven verschuiven, waarvan ik vanuit een bootje geniet. Soms spring ik eruit en zwem zelf een eindje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden