Wetenschap erodeert aan de oevers van de derde geldstroom

Op het veelvuldig verkondigde heil van de 'ondernemende universiteit' is volgens I.Th.M. Snellen wel wat af te dingen. De hoogleraar die in opdracht van derden 'bijklust', legt hoe dan ook beslag op geld en tijd van de universiteit....

I.TH.M. SNELLEN

OVER DE normen die zouden moeten gelden voor organisaties die zowel een overheidstaak vervullen als op de private markt opereren, is een discussie ontbrand. Door welke overwegingen moeten deze instellingen zich laten leiden? Door normen van terughoudend handelen van de monopolistische overheid of door normen van de winst-maximaliserende particuliere onderneming? En is er misschien een tussenweg te vinden?

Vooral de mogelijkheid om de voordelen van een overheidsmonopolie te benutten om de positie van de organisatie tegenover concurrenten op de particuliere markt te versterken, krijgt in deze discussie alle aandacht. Daarnaast wordt er op de culturele tweeslachtigheid van een dergelijke organisatie gewezen.

Exponenten van tegenovergestelde standpunten zijn de hoogleraren R.J. in 't Veld en J. Cohen, beiden oud-staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen.

Cohen, voorzitter van de door de ministerraad in 1996 ingestelde commissie die zich over het vraagstuk heeft gebogen, staat een principiële scheiding van markt en overheid voor. Het rapport van zijn commissie wijst vooral op de gevaren voor de zuivere concurrentieverhoudingen als organisaties met een monopolistische overheidstaak de private markt betreden.

In 't Veld kiest daarentegen voor een praktijk van vermenging van uiteenlopende normen binnen zogenaamde 'hybride' organisaties. Hij erkent dat het 'spelen met vuur' - de titel van zijn Amsterdamse oratie over dat onderwerp - is, waaraan hij als hoogleraar en kortstondig staatssecretaris zijn vingers gebrand heeft.

Niettemin acht hij het gevaar beheersbaar indien bijvoorbeeld richtinggevende kengetallen ('benchmarks') worden gehanteerd om de kosten van de overheidsactiviteiten zuiver te berekenen. Zo zou men kunnen voorkomen dat er subsidiëring van de particuliere activiteiten met de inkomsten uit de overheidsactiviteiten plaatsvindt.

Terwijl Cohen vooral op voorkoming van oneerlijke concurrentie door hybride organisaties let, wil In 't Veld vooral de aansporingen van de markt hun zegenrijke werk laten doen, ook naar de publieke activiteiten van de hybride organisaties.

Zo is In 't Veld er een voorstander van dat de invloed van de markt zich op de universiteiten doet voelen. Als ondernemend hoogleraar brengt hij dan ook zijn eigen aanbevelingen in de praktijk.

Wat hij voorstaat, komt ongeveer op het volgende neer: De leider van een onderzoeksgroep - meestal een hoogleraar - verwerft een onderzoeks- of adviesopdracht. Werkzaamheden binnen deze opdracht worden voor een commercieel dagtarief van 2.500 tot 4.000 gulden door hemzelf of zijn medewerkers verricht. De universiteit krijgt een dagvergoeding van maximaal 1.750 gulden (hoogleraar B) tot 400 gulden (assistent in opleiding). Het verschil tussen het commerciële tarief en de vervangingsvergoeding voor de universiteit gaat naar de betrokken hoogleraar en zijn medewerkers.

Het lijkt mij goed te benadrukken dat er, afgezien van het gebrek aan openbaarheid, formeel niets onoorbaars gebeurt. Er zijn afspraken over vergoedingen met de universiteit; de hoogleraar heeft eventueel een overeenkomst met de universiteit dat hij een dag per week werk voor derden mag verrichten. Sommige medewerkers benutten de extra inkomsten voor wetenschappelijk werk (waarvoor inderdaad te weinig middelen ter beschikking worden gesteld). Anderen doen dat niet, hetgeen hun goed recht is.

Het effect op het universitaire werk is echter zeer nadelig. In de eerste plaats komen onderzoeksvragen uit de praktijk maar voor een klein deel overeen met de vragen die in de onderzoeksprogramma's aan de orde zijn. Integendeel, veel opdrachtonderzoek in de gammasfeer heeft eerder een legitimerend dan een wetenschappelijk oogmerk.

Vraag als kleine gemeente aan een bestuurskundige een onderzoek te doen naar de bestuurskracht van kleine gemeenten, en u wordt keurig bediend. Vraag als grote gemeente een onderzoek naar het tegendeel, en u wordt even coulant bediend. Vraag een onderzoek of de stadsprovincie er moet komen, of juist niet; of de provincie toekomstwaarde heeft, of juist niet; of gemeente x geannexeerd moet worden, of juist niet: onderzoekers zullen u een wetenschappelijk verslag op de maat van de gewenste uitkomst verstrekken.

Als onderzoeks- of adviesbureaus dit doen, kan ik de functionaliteit daar nog wel van zien. Hun adviezen, hoe eenzijdig ook, scherpen het maatschappelijk debat aan. Maar voor de ontwikkeling van een vakgebied zijn dergelijke onderzoeken op zijn best 'passen op de plaats'.

Voor de beeldvorming van het universitaire onderzoek zijn zij daarentegen desastreus. Zij duiden op een aanschurken met 'spraakmakende verhalen' bij de macht. En macht(sbehoud) mag wat kosten. Daar ontmoeten politiek en wetenschapscommercie elkaar.

In de tweede plaats worden niet alleen de kwaliteit en de richting van het onderzoek negatief beïnvloed, maar ook de beschikbaarheid van onderzoekscapaciteit wordt onzeker. Weliswaar wordt er een vervangingsvergoeding betaald, maar daarvan kunnen hoogstens tijdelijke krachten worden aangetrokken. Van deze tijdelijke krachten is slechts een geringe bijdrage aan de wetenschappelijke opbrengst te verwachten. In de vaste formatie kunnen zij niet worden opgenomen, omdat degenen die zij vervangen hun positie in de formatie behouden.

In de derde plaats gaat ook hier de wet van Gresham ('Bad money drives out good money') op: de tijdsdruk van opdrachtonderzoek verdringt de aandacht voor het eigen wetenschappelijke onderzoeksprogramma. Bovendien wordt de kwaliteit in de onderzoeksformatie afgeroomd. Juist ten behoeve van het meest creatieve deel van een opdrachtonderzoek, bijvoorbeeld het schrijven van het onderzoeksvoorstel, worden de universitaire onderzoekers ingezet.

In de vierde plaats worden niet alleen de inkomensverhoudingen, maar ook de werkverhoudingen in een vakgroep of onderzoeksgroep ontregeld. Bovendien tekent zich een - ook uit onderwijs-oogpunt - onaanvaardbaar onderscheid af tussen 'lesboeren' tegenover onderzoekers, die zich naar believen kunnen laten vervangen.

Kortom: welke instelling zou toestaan dat eigen werknemers en derden naar welgevallen een greep doen in haar capaciteiten - met alle gevolgen voor de organisatie van dien. Universiteitsbestuurders zouden alleen opdrachtonderzoek moeten aanvaarden dat:

- op ideëen berust die in een onderzoeksprogramma zijn ontwikkeld of die daar direct bij aansluiten. Dit is noodzakelijk ter bescherming van de wetenschappelijke kwaliteit van het onderzoek;

- leidt tot de afdracht van een dagtarief aan de universiteit dat overeenkomt met het bij derden te declareren dagtarief. Het is niet in te zien waarom de universiteit, die juist wordt uitgenodigd om bepaald onderzoek te doen met een niet-commercieel tarief genoegen zou moeten nemen;

- niet 'in de baas z'n tijd' wordt verricht. Onderzoekers die opteren voor het huidige regime van eigen inkomensvorming door opdrachtonderzoek zouden deeltijdsontslag moeten nemen, zodat de universiteit haar formatie op peil kan houden.

Zoals ook het voorbeeld van sommige universitaire onderzoekers aantoont, dreigt het publieke ethos, voorzover in zogenaamde hybride organisaties aanwezig, te worden uitgehold. Laten wij ons daarom hoeden voor de hybris van ambtenaren en onderzoekers, die zich als managers van hybride organisaties opstellen.

I.Th.M.Snellen is hoogleraar bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam en de Rijksuniversiteit Leiden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden