Werklozen van Wall Street

De Amerikaanse socioloog Richard Sennett gelooft, kredietcrisis of niet, in de veerkracht van de samenleving. Donderdagavond 19 maart houdt hij in Groningen een lezing over zijn favoriete onderwerp....

Het arbeidsbureau in Lower Manhattan wordt bezocht door mensen die er kort geleden nog niet dood gevonden wilden worden. Goedgeklede, welsprekende mannen en vrouwen die een beetje verbaasd kijken naar de Latino-tieners, de dikbuikige bouwvakkers en de afgetobde portiers die ook een baan zoeken.

De financiële wereld is ingestort en ook de middenklasse is getroffen. Socioloog Richard Sennett werkt sinds kort aan een onderzoek naar de werklozen van Wall Street, de mensen die het goed voor elkaar hadden voordat het systeem bezweek onder de slechte hypotheken en de al even slecht gecalculeerde risico’s.

Het zijn niet de zakenbankiers en andere voormalige masters of the universe die zich nu melden bij het loket arbeidsbemiddeling. Zij kregen een gouden handdruk of hebben genoeg geld om het een tijdje uit te zingen. De werklozen die Sennett beschrijft, zijn de gewone kantoormensen, die rekeningen verstuurden, documenten archiveerden of de computers onderhielden.

Hoe veerkrachtig zijn de werklozen van Wall Street?

‘Het is nog een beetje vroeg om daar iets over te zeggen. In de Verenigde Staten heeft altijd het idee bestaan dat je binnen een half jaar een nieuwe baan kunt vinden. Als dat niet lukt, ligt het aan je zelf. Dat idee wordt nu achterhaald door de crisis.’

Voor de werklozen van Wall Street was het een abrupt afscheid. Velen kregen per e-mail te horen dat ze ontslagen waren en een dag de tijd hadden om hun bureau op te ruimen. De afdeling personeelszaken nam de telefoon niet meer op of stuurde slechts standaardmailtjes terug. ‘Het leek alsof iedereen op vakantie was’, klaagt een ontslagen boekhouder in Sennetts nog niet gepubliceerde onderzoek.

Het kantoorpersoneel zag de crisis allang aankomen, zegt hij. Terwijl de topmanagers hun financiële producten nog verkochten als solide en innovatieve beleggingen, sprak men op kantoor al van ‘sprookjesgoud’ en ‘rotzooi-obligaties, met de nadruk op rotzooi’.

Hierin schuilt voor Richard Sennett ook de ware betekenis van de kredietcrisis. De financiële elite, die de afgelopen decennia de economie domineerde, is met een enorme klap van haar voetstuk gevallen. Daardoor is ook haar ideologie in diskrediet geraakt: het geloof in de zegeningen van een radicaal vrije markt, het geloof in sociale ongelijkheid als een heilzame stimulans voor economische groei, de fixatie op kortetermijnwinst ten koste van continuïteit op langere termijn.

Voor Sennett is de crisis dan ook ‘een waterscheiding in het kapitalisme’. Maar hij gelooft in de veerkracht van de samenleving. De instorting van Wall Street biedt de kans om een nieuw model te ontwikkelen dat socialer en duurzamer is, waar vakmanschap en continuïteit belangrijker zijn dan het snelle geld.

Sennett houdt kantoor in een van de torens van de London School of Economics. Hij is een wetenschapper die filosofische vergezichten onderbouwt met etnografisch onderzoek naar toonaangevende groepen, zoals fabrieksarbeiders uit Boston in de jaren zeventig, whizz kids uit Silicon Valley in de jaren negentig en nu naar het nieuwe kantoorproletariaat van Wall Street.

Zijn grote thema is de invloed van de economie op de cultuur. De westerse manier van leven wordt steeds vluchtiger, betoogde hij in zijn boek De cultuur van het nieuwe kapitalisme uit 2006. Sinds de jaren tachtig is de ster van managers en consultants gerezen. Zij verdienden enorme bedragen, zonder dat zij veel hoefden te weten van de producten die hun bedrijf maakte.

De directeur van een autofabriek kon net zo goed directeur van een dropfabriek worden, of van een school of ziekenhuis. Management werd gezien als een neutraal en universeel proces, waarin het eigenlijke product als een black box werd rondgeschoven.

Deze cultuur ging ten koste van degelijk vakmanschap, stelde Sennett met nog meer kracht in De ambachtsman uit 2008. De vakman houdt van het product dat hij maakt, los van de vraag hoeveel hij ervan kan verkopen. Hij is lang niet zo flexibel als de manager, omdat hij gehecht is aan zijn vak, niet in de laatste plaats omdat hij er jaren over heeft gedaan om een moeilijk ambacht onder de knie te krijgen. Maar in een cultuur die een premie zet op alles wat jong, dynamisch en flexibel is, wordt liefde voor een vak gezien als een hinderpaal voor vernieuwing.

Toen De ambachtsman in 2008 verscheen, klonk zijn boodschap nog een beetje ouderwets. De socioloog bevocht ‘het nieuwe kapitalisme’ vanuit de marge van de wetenschap, terwijl veel van zijn vakbroeders zich allang verzoend hadden met de onvermijdelijkheid van de markt. Maar de kredietcrisis plaatst het werk plots in een fris licht.

Het is immers de crisis van de extreme vluchtigheid, van het gegoochel met opgeblazen financiële constructies die geen enkele relatie met de reële wereld meer hebben. Belangrijker dan een beter toezicht op de financiële markten vindt Sennett dan ook de overgang naar een andere economie, waarin reële producten en diensten een belangrijker rol spelen dan financiële tovenarij.

‘Toch voel ik geen leedvermaak’, zegt hij. ‘Ik zou het prachtig vinden als de crisis alleen bankiers zou treffen. Maar het is een ramp voor talloze mensen die hun baan verliezen. En denk aan een land als China: tientallen miljoenen arbeiders die terug moeten naar hun boerderijen.’

Volgens Sennett is de crisis ontstaan door een gebrek aan vakmanschap bij de financiële elite. ‘De managers snapten zelf niets van de gereedschappen die ze gebruikten.’ Briljante wiskundigen, gerekruteerd van de beste universiteiten, bedachten steeds ingewikkelder manieren om slechte en goede beleggingen met elkaar te vermengen.

Uit hebzucht onderdrukte de financiële elite haar nieuwsgierigheid naar de deugdelijkheid van deze producten. Zolang de bonussen bleven binnenstromen, stelde niemand lastige vragen.

Veel meer dan hun bazen zagen de kantoormensen van Wall Street de crisis aankomen. Wat ze echter niet voorzagen was de paniek die vervolgens uitbrak. Toen het systeem instortte, was er niemand die wist hoe het gerepareerd moest worden. Na de paniek volgde de verlamming. Banken durfden niet meer te lenen en de economie kwam tot stilstand.

Vervolgens vluchtten topmanagers in passiviteit, in een poging hun verantwoordelijkheid af te schuiven.

‘We zijn allemaal slachtoffers’, zei een topman van de verzekeraar AIG, het bedrijf dat 62 miljard dollar verlies maakte.

In zijn nog niet gepubliceerde onderzoek vergelijkt hij de financiële elite met een sekte, waar een ‘zelfgenoegzame solidariteit’ heerst. De top van Wall Street trok zich steeds meer terug. Een jonge generatie bankiers gaf de voorkeur aan bars en restaurants waar de financiële wereld elkaar ontmoette. Gelegenheden met een gemengd publiek, zoals de Russian Tea Room in New York, werden steeds meer gemeden.

Anders dan de traditionele elite waren de financiële toppers ook niet erg geïnteresseerd in het besturen van kunst- of liefdadigheidsinstellingen. ‘Financiële sektes kunnen er ook achter komen dat hun solidariteit blind maakt. De groep let niet op waarschuwingstekens en wordt vatbaar voor zelfdestructief gedrag.’

De echte top van Wall Street is volgens hem verrassend klein. Vier of vijf grote accountancyfirma’s, zestien belangrijke zakenbanken, drie algemene banken, twee bedrijven die kredieten beoordelen. Bij elkaar werken er misschien 1.700 mensen in de hoogste echelons van deze bedrijven.

Maar zoals deze elite de afgelopen decennia een onevenredige invloed kende, zo kan haar afgang ook tot grote culturele veranderingen leiden. ‘Gedurende de boom had de elite van het mondiale kapitalisme het gezag om over allerlei sociale en politieke kwesties te spreken, alsof zakelijke leiders beschikten over een soort geheim van effectief management, in tegenstelling tot politici of ambtenaren. Dat is voorbij. Dat is de goede kant van de crisis.

‘Daardoor worden we hopelijk bevrijd van de tirannieke gedachte dat ziekenhuizen, scholen en andere publieke instellingen als een bedrijf moeten worden geleid. Hopelijk geeft dat de professionals en de vakmensen in die organisaties ook meer ruimte.’

Maar is dat geen wishful thinking? Er zijn wel meer crises geweest, zoals de instorting van de Amerikaanse spaarbanken in de jaren tachtig. Toen iedereen van de schrik bekomen was, gingen de financiële markten op volle kracht door.

‘Maar dit is een depressie, geen recessie. De crisis van de Amerikaanse spaarbanken kostte veel geld, maar was een beheersbaar probleem. De huidige crisis is onbeheersbaar. Althans, het zal tien tot twaalf jaar duren voordat de economie zich heeft hersteld.’

Is dat niet wat erg pessimistisch?

‘Absoluut niet. In de Verenigde Staten hebben veel mensen geld gestoken in private pensioenplannen. Naar schatting zal het negen tot elf jaar duren voordat hun pensioen weer even veel waard is een half jaar geleden.

‘Het herstel van kleine aandeelhouders zal lange tijd in beslag nemen.’

Volgens Sennett betekent de kredietcrisis ook een zware klap voor het idee dat de samenleving een meritocratie is, die mensen naar verdienste beloont. ‘Het is nu aangetoond dat je economisch zeer succesvol en toch zeer incompetent kunt zijn. Dat is een grote verandering in waarden, omdat rijkdom tot voor kort aan competentie werd gekoppeld.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden