'We gaan om met hun erfenis, hun levensverhaal'

Hoe draag je concentratiekampgevoel over? Mogen bezoekers in een veewagon? Directeur Dirk Mulder over het evenwicht tussen slechte smaak en het onvoorstelbare voorstelbaar maken.

Dirk Mulder: `Je kunt als mens ongelooflijk diep zinken door een radertje te worden in een vernietigingssysteem.'Beeld Daniel Cohen

Dwars door het voormalige concentratiekamp Westerbork loopt een asfaltweggetje voor bezoekers, waar geregeld ook racefietsers of toeristen in huifkarren overheen gaan. Zonder dat de meesten het weten, bewegen ze zich over het perron, oftewel de Rampe, waar tijdens de Tweede Wereldoorlog de gevangenen zich moesten verzamelen voor transport naar duistere oorden oostwaarts.

Precies over de Rampe is na de oorlog het asfaltweggetje aangelegd, waarna het óók een doorgaande route werd tussen de Drentse bossen die het kamp omsluiten. Dirk Mulder, directeur van Herinneringscentrum Kamp Westerbork, vindt het niet langer kunnen. 'Respectloos', oordeelt hij. Hij wil de recreanten gaan verwijzen naar een nieuw weggetje dat óm het kamp is aangelegd. De Rampe wordt binnenkort hersteld in min of meer originele staat.

De operatie is tekenend voor het denkproces dat Mulder heeft doorgemaakt. Altijd dacht hij over het recreatieve gebruik van dat asfaltweggetje: het is nu eenmaal zo. Tot hij een aantal jaren geleden voor de toegangspoort van voormalig vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau zag hoe een stel Belgen keurig de racefiets wegzette en te voet naar binnen ging. 'En wij vinden het normaal dat er huifkarren en racefietsers door het kamp gaan?'

Dirk Mulder (62) is deze maand dertig jaar in dienst van Herinneringscentrum Kamp Westerbork, dat bestaat uit twee locaties in Drenthe. Weggestopt tussen de bossen ligt het voormalige concentratiekamp, waarvandaan 102 duizend Joden en enkele honderden Sinti en Roma in veewagons naar de vernietigingskampen zijn afgevoerd. Drie kilometer verderop staat een gebouw met tentoonstellingsruimten en kantoren voor Mulder en zijn 35 medewerkers.

(Tekst gaat verder onder foto).

Beeld Olaf Kraak

Mulder heeft er nooit over gepiekerd van baan te veranderen. Hij beleefde heus mindere perioden op zijn werk, twee keer kreeg hij ook de vraag of hij ergens anders museumdirecteur wilde worden, maar Mulder bleef. Hij is een gereformeerde jongen uit de Groningse veenkoloniën die van huis uit meekreeg dat hij iets in de wereld moest betekenen. Hier is hij op zijn plek.

Hij vindt het prachtig wanneer overlevenden van het voormalige concentratiekamp tegen hem zeggen dat het uitgerekend hier als een 'warme deken' voelt. 'Dat is het grootste compliment dat we kunnen krijgen', zegt hij in zijn eenvoudige kantoor. 'We gaan om met hun erfenis, wij werken met hun levensverhaal. We horen vaak dingen die hun kinderen niet eens weten. Dat betekent dat er een groot vertrouwen is dat wij er geen rare dingen mee doen.'

Naoorlogse denken

Wat wél veranderde, is de visie op zijn werk, het levend houden van de herinnering. Toen Mulder aantrad, op 1 januari 1986, was aan weinig te zien wat zich in het voormalige concentratiekamp had afgespeeld. Alles was weg, afgezien van de oude, houten commandantswoning aan het begin van het terrein, waarin rond 1950 een Nederlandse kolonel met zijn gezin was getrokken. Alleen de dochter woonde er nog, de excentrieke mevrouw Speck O'Breen, die met niemand van het centrum contact wilde hebben. In 1970 was het beroemde monument met de omhoog gebogen treinrails geplaatst, maar verder zou dit elk ander stuk grasland in Drenthe kunnen zijn.

Die omgang met het kamp kwam voort uit het naoorlogse denken: na die pikzwarte jaren moest het weer licht worden en dat gebeurde met hard werken en vergeten. Bovendien waren de meer dan honderd barakken die er stonden, handig in een tijd van schaarste. Binnen veertien dagen na de bevrijding kwamen er nieuwe bewoners. Eerst werden er NSB'ers opgesloten en in 1949 trainden er Nederlandse militairen in afwachting van hun verscheping naar Nederlands-Indië, om daar 'orde op zaken' te stellen.

Toen die waren vertrokken, kwamen er in 1950 Indische Nederlanders voor terug, in 1951 gevolgd door Molukkers die er twintig jaar zouden blijven wonen - een aantal van hun kinderen zou nog van zich laten horen als treinkaper. Toen de Molukkers in 1971 weg waren, werden de laatste barakken afgebroken. Een deel ervan was al eerder beland in Limburg als onderkomen voor de mijnwerkers, een ander deel werd verkocht aan boeren die ze gebruikten als landbouwschuur. Alleen de woning van mevrouw Speck O'Breen bleef staan.

Leraar

Dirk Mulder (1953, Vriescheloo) kwam uit een lerarengezin en werd zelf ook leraar geschiedenis en Nederlands aan een middelbare school in Hoogezand en daarna aan de moedermavo in Groningen. Hij gaf tien jaar les voor hij in 1986 ging werken bij het Herinneringscentrum Kamp Westerbork, eerst als educatief medewerker en coördinator, vanaf 1990 als directeur. Sinds 2002 is hij betrokken bij de na bestaanden van de massaslachting in Srebrenica. Hij helpt ze bij het opzetten van een Memorial Center in het voormalige Dutchbat-hoofdkwartier.

In 1983 ging het Herinneringscentrum open en drie jaar later trad Mulder in dienst. Nog steeds was de belangstelling voor het kamp niet overweldigend. In 1985 had historicus Lou de Jong voorspeld dat in dat lustrumjaar het laatste massale bevrijdingsfeest was gevierd. 'Hij verwoordde daarmee wat iedereen dacht: nu is het wel zo'n beetje klaar', zegt Mulder.

En kijk wat er is gebeurd. De laatste jaren stijgen de bezoekersaantallen van het Herinneringscentrum voortdurend, in 2015 naar een recordhoogte van 175 duizend mensen. Mulder gaat ervanuit dat op het kampterrein het dubbele aantal komt. 'Naarmate we verder van de oorlog weg raken, neemt de belangstelling ervoor toe. Ik denk dat we de afstand nodig hebben gehad om ons echt te realiseren wat die tijd heeft betekend, voor onze samenleving maar ook voor mensen persoonlijk. We zijn ons ervan bewust geworden dat de traumatische ervaringen zijn doorgegeven van generatie op generatie.'

Dirk Mulder.Beeld Daniel Cohen.

Origineel

Mulder had nooit veel moeite met de kale vlakte waarin het kamp was veranderd. Hij was bang voor 'Disney-achtige toestanden', waarbij hij dacht aan wat hij eens meemaakte in een Amerikaans Holocaustmuseum. Je kwam er binnen en terwijl de buitendeur zich achter je sloot, besefte je dat je in een dichte, nagemaakte veewagon stond. Dat vond hij toen al respectloos. 'Je kunt niet nabootsen wat de overlevenden hebben meegemaakt, laat staan dat je hun angst en wanhoop kunt voelen.'

Zo bang was hij voor 'kitscherige' taferelen, dat hij vóór 2009 zelfs nog van plan was een originele barak die hem werd aangeboden door een boer uit Veendam, op te bergen voor het nageslacht: alles beter dan haar tentoon te stellen. Maar in dat jaar gebeurde er iets wat zijn houding veranderde. Vlak voordat het Herinneringscentrum de barak zou krijgen, vloog hij in brand. De reacties die dat opleverde - Mulder kan er nog niet over uit.

Uit alle hoeken en gaten kreeg hij meldingen over oude barakken, die bij nader inzien niet altijd origineel bleken te zijn. 'Maar wat duidelijk werd, was hoe belangrijk mensen het vinden dat zo'n barak bewaard blijft en in het kamp komt te staan.' Onderzoek van het Herinneringscentrum onder bezoekers liet hetzelfde zien. 'Veel mensen, en dat geldt zeker voor jongere generaties, hebben ongelooflijk veel moeite om in een kaal landschap enig beeld te krijgen bij wat zich daar heeft afgespeeld.'

(Tekst gaat verder onder foto).

Beeld anp

Zo kreeg het voormalige concentratiekamp de laatste jaren een ander aanzien. De commandantswoning is na het overlijden van mevrouw Speck O'Breen overdekt met glas, zodat regen en wind het hout niet verder aantasten. Verderop is een originele barak (nummer 56) neergezet. Op een stuk treinrail zijn twee veewagons geplaatst, waarvan in elk geval het onderstel en de ijzeren constructie van vóór de oorlog zijn. Ze staan op de oorspronkelijke plek, naast de asfaltweg waar zo lang toeristen in huifkarren en racefietsers overheen zijn gegaan.

Nog steeds is Mulder bang te ver te gaan. Zijn jongere collega's zouden wel willen dat de veewagons open zijn, zodat bezoekers erin kunnen staan, maar Mulder ziet daar niets in. Hij denkt dat het kampgevoel beter overkomt door bijvoorbeeld de laatste briefkaarten van gevangenen te lezen, die nu in glazen platen op het terrein zijn uitvergroot. 'Lieve Jo!', is de aanhef op een ervan. 'Nog even van hier de laatste groeten. Sinds twee dagen ben ik in Drente (sic), en morgen gaan we verder.' Waarna de schrijver de hoop uitspreekt gauw bij zijn of haar verloofde te zijn.

Dertig jaar is Mulder intensief bezig met de Holocaust, maar zijn mensbeeld is er niet door veranderd, zegt hij. 'Ik ben me er alleen bewuster van geworden dat je als mens ongelooflijk diep kunt zinken door een radertje te worden in zo'n vernietigingssysteem. Maar je hebt ook degenen die boven zichzelf uitstijgen.' Neem Salo Carlebach, een Joodse vluchteling uit Duitsland die in Westerbork lesgaf aan oudere kinderen. Toen de kinderen op transport moesten, ging hij vrijwillig mee. Het werd zijn dood.

Andere vragen

In zijn begintijd bij het Herinneringscentrum wilde Mulder vooral uitzoeken wat er in het kamp was gebeurd. Intussen houdt hij zich meer bezig met andere vragen, bijvoorbeeld hoe het zo ver heeft kunnen komen. 'Het gaat er niet om dat je weet of er in Westerbork dertig of vijftig SS'ers rondliepen. Het is belangrijker te beseffen welke processen hebben geleid tot de Holocaust. Wat gebeurde er in Amsterdam, in Wildervank, in Middelburg? Hoe is het mogelijk dat toch vrij eenvoudig één groep uit een gemeenschap is gehaald en weggevoerd?'

Zijn conclusie: het allerbelangrijkste is dat een volk zich niet laat leiden door angst. 'Ik snap dat mensen nu bang zijn voor IS, maar we moeten niet in paniek raken. Angst kan een reden hebben, maar kan ook gestoeld zijn op niets.' Zelf had hij in de jaren negentig een periode last van fobieën: hij durfde niet meer in de lift, niet naar vergaderingen, niet eens naar buiten. 'Het was volstrekt onberedeneerd en ik ben er nooit achter gekomen waar het vandaan kwam.' Hij wil maar zeggen: dergelijke angsten zijn slechte raadgevers.

Mulder steekt een zware Van Nelle op. Het is na vijven en al donker. Op de grond in zijn kantoor staan drie kleine kunstwerkjes van een kampoverlevende, die lijken op wachttorens. Het Herinneringscentrum krijgt vaker kunst van overlevenden.

Mooi vindt Mulder dat, om ook op deze manier bij te dragen aan de verwerking van wat zich drie kilometer van hier heeft afgespeeld. 'Tegen de nacht kun je niet strijden, maar je kunt wel een kaarsje aansteken', luidt zijn filosofie.

Dirk Mulder.Beeld Daniel Cohen.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden