Wat er misgaat bij proefdieren

Miljoenen dieren worden jaarlijks geofferd voor de wetenschap. Zelden leidt dat tot een werkend medicijn. Veel proefdieronderzoek blijkt zelfs ondeugdelijk. Wat er misgaat, en hoe het beter kan.

null Beeld NoCandy
Beeld NoCandy

In een Nijmeegse kelder klinkt uit een lange rij opgestapelde plastic kooien een luid gepiep. De muizen krioelen over elkaar heen, nieuwsgierig naar het plotselinge bezoek. Aan iedere kooi bungelt een kaartje: AZ418201, stud.nr. AZ418201-3, plus nog meer voor buitenstaanders onnavolgbare krabbels. 'De muizen uit hetzelfde onderzoek zitten samen in een kooitje', legt een medewerker uit. In een van de kooien loopt een muis rond met een implantaat in zijn hoofd. Andere muizen zijn helemaal kaal.

De muizen in het Centraal Dierenlaboratorium van het Radboudumc worden geofferd voor de wetenschap. Ze maken allerhande onderzoeken mogelijk - van het uitschakelen van breinfuncties tot het testen van medicijnen. Daarmee vormen ze, samen met jaarlijks zo'n vijfhonderdduizend andere dieren in Nederland, een onmisbare schakel in het medisch onderzoek.

Althans, dat is de bedoeling. In de praktijk blijkt dat dierproeven slechts zelden leiden tot werkende geneesmiddelen. Eén verdieping hoger slaakt hoogleraar proefdierkunde Merel Ritskes-Hoitinga in haar kantoor een zucht. 'Algemene cijfers hebben we niet, maar bijvoorbeeld bij onderzoek naar beroertes hebben meer dan duizend dierproefstudies slechts één werkend medicijn opgeleverd', zegt ze. 'En van de 246 behandelingen voor longfibrose die positief uitvielen bij dieren werkten de middelen bij mensen geen enkele keer.'

Deels is deze lage vertaalbaarheid logisch: dieren zijn nu eenmaal geen mensen en verschillen tussen tests bij mens en dier zul je altijd houden. Maar steeds meer onderzoeken wijzen op nog een verklaring. Veel proefdierpublicaties deugen namelijk niet, waardoor de resultaten moeilijk te interpreteren zijn. Recentelijk nog verscheen een Schotse publicatie met ontluisterende cijfers: meer dan 80 procent van de dierproeven voldoet niet aan de gouden regels voor wetenschappelijke publicaties, cijfers die door andere studies, en ook door Ritskes-Hoitinga, worden bevestigd. De problemen waren aanleiding voor een symposium in het Radboudumc om het proefdieronderzoek te verbeteren. Hoe kan het zo ongelofelijk misgaan in een onderzoeksveld dat met levende wezens werkt? Wat zijn de belangrijkste mankementen aan het proefdieronderzoek, en hoe kan het beter? Zes verbeterpunten op een rij.

null Beeld ANP
Beeld ANP

1. Hussel de dieren beter door elkaar

Het lijkt zo simpel. Neem twee groepen muizen. Stop wat van stofje X in het voer van een van de groepen en kijk wat er gebeurt. Ontstaat er een verschil tussen de groepen, dan ligt dat aan stofje X, en hetzelfde effect kun je in mensen verwachten.

Een goede dierproef is echter ingewikkelder. Wil je met enige zekerheid kunnen zeggen dat het effect dat je bij dieren vindt ook echt door dat ene stofje komt, dan moet je onderzoek aan een aantal strenge voorwaarden voldoen.

Een daarvan is dat experimenten gerandomiseerd zijn, wat in dierproefstudies inhoudt dat je dieren volledig willekeurig over de experiment- en controlegroep verdeelt en onder zo identiek mogelijke omstandigheden onderzoekt. Op haar kantoor laat Ritskes-Hoitinga een plaatje zien, met een aantal kooien op drie planken. 'Op de bovenste plank is het lichter, wat muizen niet fijn vinden. Als je alle muizen in een van de onderzoeksgroepen op de bovenste plank zet, weet je niet of het uiteindelijke verschil tussen de groepen het gevolg is van je ingreep, of van de hoeveelheid licht.' Daarom zou je volgens de gouden randomisatieregel de groepen muizen gelijk over de planken moeten verdelen.

In de praktijk komt van dit randomiseren vaak bar weinig terecht. Slechts in een op de vijf proefdierstudies staat zwart op wit dat randomisatie is toegepast, blijkt uit het Schotse onderzoek van hoofdauteur Malcolm Macleod, oud-rector van de Universiteit van Edinburgh.

Arno de Wilde, een van de co-auteurs van Macleod, liep tijdens zijn studie geneeskunde zelf tegen de mankementen van veel dieronderzoek op, bij een onderzoek naar een specifiek soort bloeding in het middelste hersenvlies. Een kwart van de patiënten ontwikkelt daarbij een infarct als bijverschijnsel. 'Een bepaald medicijn leek zulke infarcten af te zwakken', aldus De Wilde. 'Om te kijken of het echt werkte moest het, zoals elk medicijn, eerst getest worden in ratten.' De Wilde ging op zoek naar eerdere proefdierstudies naar het medicijn, en stuitte daar op een hoop methodologisch wankele studies. 'Als student word je gedrild in de gouden regels van de wetenschap, zoals randomisatie. Bij die proefdieronderzoeken zag ik hier weinig van terug. '

null Beeld ANP
Beeld ANP

2. Doe een blinddoek om (en echt niet spieken)

De gouden onderzoeksregels schrijven voor dat de proefdieronderzoeker 'blind' moet zijn. Niet letterlijk natuurlijk, maar hij mag niet weten welke groep proefdieren de controlegroep en welke de experimentgroep is. Anders zouden onderzoekers - bewust of onbewust - de resultaten kunnen bijsturen. Dit lijkt simpel. Ritskes-Hoitinga wijst naar de labels die in de Nijmeegse kelder aan alle muizenkooien bungelen. 'Als je daar niet het stofje dat je bij de muizen hebt ingespoten vermeldt, maar gewoon een 'A' of een 'B', ben je al 'blind' als onderzoeker.' Toch rapporteert slechts één op de twintig proefdierstudies onderzoekerblindheid, aldus het onderzoek van Macleod en De Wilde.

Volgens Coenraad Hendriksen, hoogleraar alternatieven voor dierproeven bij de faculteit diergeneeskunde in Utrecht, is een deel van dit gebrek aan 'blindheid' wel verklaarbaar. 'Vaak kun je aan een proefdier wel afzien of hij in de behandelde groep zit of niet. Als één groep muizen heel vreemd gedrag vertoont, dan is het wel duidelijk.' Volgens Ritskes-Hoitinga is dit te vermijden door het experiment uit te laten voeren door een laborant die niet betrokken is bij het onderzoek, maar ook hier is volledige 'blindheid' moeilijk, denkt Hendriksen. 'Zelfs als je niet weet waar het onderzoek om gaat zie je als geoefende laborant wel wat de onderzoeksgroep is.'

Hendriksen vindt de conclusies van Macleod overtrokken. 'Hij kijkt alleen of de proefdierstudies de gouden regels beschrijven. Als een onderzoeker geen randomisatie of blindheid in een studie rapporteert, hoeft dit nog niet te betekenen dat het daadwerkelijk niet gebeurd is.' Desondanks vindt Hendriksen het een goede zaak als onderzoekers vaker wél precies rapporteren of ze de regels hebben gevolgd. 'Hier ligt een taak voor de redacteuren van vakbladen. Vaak worden methodologische passages vanwege ruimtegebrek geschrapt, of is een onderzoeker zó enthousiast dat hij de nadruk te veel legt op zijn resultaten. De redacteur moet erop toezien dat de onderzoeksregels niet worden vergeten.'

null Beeld ANP
Beeld ANP

3. Gebruik zo nodig juist méér proefdieren

Hoeveel dieren gebruik je voor je onderzoek? Voor deze - moreel lastige - vraag bestaan harde statistische voorschriften. Hendriksen: 'Afhankelijk van de kracht van het effect dat je uit eerdere studies verwacht, kun je het aantal dieren bepalen. Een groot, duidelijk effect kan met enkele tientallen dieren al bovendrijven. Is het effect subtieler, dan zul je misschien wel honderd of meer dieren moeten gebruiken om het betrouwbaar aan te tonen.' Echter: nog geen 2 procent van de dierproefstudies vermeldt hoe het aantal dieren is berekend, aldus het onderzoek van Macleod.

Bij het kiezen van het aantal dieren komen onmiskenbaar morele vragen om de hoek kijken. Want waarom zou je meer dieren offeren als je bij wijze van spreken al tussen twee muizen een verschil ziet? Ritskes-Hoitinga is stellig: 'Het is onethisch om te weinig dieren te gebruiken. Als je statistisch gezien te weinig dieren gebruikt, kan je conclusie makkelijk het gevolg zijn van toeval. Dan loop je het risico dat je patiënten onnodig blootstelt aan 'veelbelovende' behandelingen. Als je meteen genoeg dieren inzet, hoef je uiteindelijk in totaal minder dieren te offeren, daar ben ik van overtuigd.'

Flinke afname in proefdieren

- In Nederland worden jaarlijks zo'n vijfhonderdduizend dierproeven uitgevoerd, op ongeveer vijfhonderdduizend dieren. Sommige worden voor meerdere proeven gebruikt.

- Het aantal proeven is flink afgenomen: in 1978 waren het er nog anderhalf miljoen.

- Ongeveer de helft van de proefdieren zijn muizen. Ook hoefdieren, ratten en andere knagers zijn populair.

- Elke dierproef wordt vooraf getoetst door de dierexperimentencommissie. Deze kijkt onder meer naar eventuele alternatieven en het welzijn van de dieren.

4. Ga niet meteen voor je favoriete dier

Niet elk dier is even geschikt voor elk type onderzoek. Ratten zijn bijvoorbeeld in gedrag meer gelijk aan de mens dan kippen, en dus geschikter voor gedragsonderzoek. Door middel van systematische literatuurstudies kun je een beargumenteerde keuze maken, en dáár gaat het volgens Ritskes-Hoitinga vaak mis. Veel onderzoekers rapporteren niet hoe ze tot een keuze voor een dier zijn gekomen.

'We hebben een cultuuromslag nodig', benadrukt Ritskes-Hoitinga. Volgens haar is het een kwestie van gewenning dat veel van de methodologische spelregels worden genegeerd. Oftewel: labs die gewend zijn met honden te werken, kiezen automatisch weer voor honden, terwijl voor een nieuw onderzoek konijnen wellicht geschikter zijn. Dat dergelijke gewoonten lastig te veranderen zijn, blijkt wel uit het feit dat ook in Ritskes-Hoitinga's dierenlab de gouden regels nog niet altijd en overal worden gevolgd.

Een grote groep vakbladen kwam enkele jaren terug voor het eerst met heldere, algemene spelregels voor dieronderzoek, in de hoop wetenschappelijke gewoonten aan te pakken. De zogeheten ARRIVE-richtlijnen (Animal Research: Reporting of In Vivo Experiments) worden echter onvoldoende nageleefd, zeggen zowel Ritskes-Hoitinga als Macleod.

Een probleem daarbij is dat veel van de ARRIVE-richtlijnen nogal bureaucratisch van aard zijn. Literatuur lezen, methoden rapporteren, negatieve resultaten vastleggen: veel wetenschappers zitten er niet op te wachten.

'Het blijft een creatief beroep', aldus Ritskes-Hoitinga. 'Je wordt wetenschapper om in het lab aan de slag te gaan, om theorieën te bedenken en te testen. Niet om je te begraven in papierwerk.'

5. Lees ook eens wat van 'n ander

Even terug naar de hersenbloeding-studie van Arno de Wilde. Dat project liep op niets uit, maar zijn frustratie over het vage proefdieronderzoek bleef hangen. Hij begon onderzoeksdatabases af te struinen, op zoek naar bevestiging van zijn twijfels aan het proefdieronderzoek. En verrek: een heel leger aan wetenschappers bleek al jaren onderzoek na onderzoek uit te spuwen over methodologische mankementen aan proefdieronderzoek. Via een Utrechtse hoogleraar kon De Wilde aan de slag bij Macleod. Zijn taak was het doorpluizen van honderden dierproefstudies en te turven welke studies aan de gouden regels voldoen.

Dergelijke systematische literatuurstudies zijn essentieel, aldus Ritskes-Hoitinga. Zij is de drijvende kracht achter een Nijmeegs centrum dat systematische literatuurstudies over dierproefonderzoek promoot. Daarmee, zegt ze, slaat ze twee vliegen in een klap. 'Als een onderzoeker zelf zo'n grondige literatuuranalyse uitvoert, krijgt hij te maken met veel tekortkomingen in publicaties van anderen. Vervolgens trap je zelf niet snel in dezelfde valkuil.' Daarnaast levert een grondig literatuuroverzicht informatie over welk onderzoeksmodel en dieraantal het meest geschikt is, en of de studie überhaupt nog wel nodig is. 'Soms kom je erachter dat wat je wilt onderzoeken al eerder aangetoond is', aldus Ritskes-Hoitinga. 'In dat geval kun je wellicht beter aan de slag met een klinische test bij mensen.' Zowel Ritskes-Hoitinga als Macleod bepleiten dat een systematische literatuurstudie aan vrijwel ieder dierproefproject vooraf zou moeten gaan. Dat gebeurt nu zelden.

null Beeld NoCandy
Beeld NoCandy

6. Gooi negatieve resultaten niet in de prullenbak

Vakbladen spelen een op z'n minst dubieuze rol in het dierproefonderzoek. Zij zijn gebaat bij een hoge 'impactfactor' - hoe vaker studies in een tijdschrift door anderen worden aangehaald, hoe 'beter' het tijdschrift. Het is een wetmatigheid dat studies die met een nieuw, positief resultaat komen het vaakst worden aangehaald, en laten nou net methodologisch wankele dierproefstudies vaker opvallende en positieve resultaten vinden. Niet toevallig voldoen studies in gerenommeerde vakbladen het vaakst niet aan de ARRIVE-regels. Voor redacteuren is het onaantrekkelijk om deze studies te weigeren: dan gaan mogelijk een hoop citaties aan de neus van hun tijdschrift voorbij. Daarnaast verdwijnen sommige onderzoeken die negatieve of geen significante resultaten vinden in de prullenbak, omdat ze niet publiceerbaar zijn of de onderzoeker de moeite niet neemt om ze uit te werken. 'Bizar', vindt ook Ritskes-Hoitinga, als je bedenkt dat ook voor deze studies dieren zijn gesneuveld.

Hoe valt dit op te lossen? Sommige tijdschriften geven het goede voorbeeld, zoals het relatief onbekende neurologievakblad Cortex. Dit tijdschrift accepteert studies vóór ze zijn uitgevoerd, op basis van het onderzoeksplan. Ook als de resultaten uiteindelijk niet positief zijn, wordt de studie gepubliceerd. 'Negatieve data zijn voor onderzoekers vaak niet leuk: je hebt een heel onderzoek opgezet, maar er komt helemaal niks uit', aldus Hendriksen. 'De gêne om zulke resultaten moet weg.' Ritskes-Hoitinga verwacht de oplossing uiteindelijk niet bij de tijdschriften te vinden. 'Ik denk dat geldschieters uiteindelijk striktere eisen moeten stellen. Oké, je krijgt geld voor je proefdierstudie, maar alleen als je je aan de ARRIVE-regels houdt en je resultaten sowieso openbaar maakt.' Zo verstrekt onderzoeksfinancierder ZonMW al subsidies voor het publiceren van neutrale en negatieve resultaten.

Arno de Wilde heeft de proefdieren inmiddels de rug toegekeerd. Van zijn slechte ervaringen heeft hij geleerd: 'Als sommige resultaten niet worden gepubliceerd krijg je een schemergebied aan onderzoek, waarvan je niet weet wat je eraan hebt. Voor mij was dat een echte eye-opener.' Hij doet nu onderzoek naar de ziekte van Alzheimer. 'Ach, bij klinische onderzoeken bij mensen zie ik nu ook slecht uitgevoerde studies met veel te weinig proefpersonen. De problemen van proefdieronderzoek duiken waarschijnlijk overal in de wetenschap op.'

Kunnen we zonder proefdieren?

Veel proefdieronderzoek levert weinig op, onder andere omdat dieren nu eenmaal van mensen verschillen. Intussen komen methoden op waarmee proefdieren gespaard kunnen worden: geavanceerde computermodellen, of in het lab gekweekte organen. Is een toekomst zonder proefdieren denkbaar? De meningen hierover verschillen. Sommigen, zoals hoogleraar alternatieven voor proefdieren Coenraad Hendriksen, denken van wel, al zal het nog lang duren. 'Een organisme is zo complex, dat is moeilijk te simuleren. Dierproeven zullen voorlopig nog blijven bestaan, maar ooit zijn we er hopelijk vanaf.' Anderen, onder wie neurowetenschapper Malcolm Macleod, zijn minder positief: 'Als arts vind ik het moeilijk verdedigbaar om een mens een medicijn toe te dienen dat niet op dieren getest is. We zullen altijd dierproeven nodig hebben, daarom moeten we ons best doen om ze zo waardevol mogelijk te maken.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden