NIEUWSNATUUR

Wanneer reist de trekvogel terug naar het noorden? ‘Niet temperatuur, maar wind bepaalt trek’

Tuinfluiter: Zomergast met een voorkeur voor jonge aanplant, moerasbos, begroeide duinen en heggen op kleinschalig boerenland. In steden ook wel in parken en tuinen. Lichte achteruitgang, om nog onduidelijke redenen.Beeld Universal Images Group via Getty

Hebben trekvogels een biologische klok die een seintje geeft wanneer ze naar hun broedgebied moeten? Drie ornithologen hebben een andere verklaring: de wind bepaalt trek en aankomst van de onderzochte zangvogels.

Hoe overleven trekvogels de klimaatverandering? Tot nu toe dachten onderzoekers dat sommige soorten achteruitgaan doordat ze onvoldoende in staat zijn zich aan te passen aan een vroegere lente op hun broedplaatsen. Volgens nieuw onderzoek zou het ingewikkelder liggen: niet zozeer de omstandigheden in hun broedgebied, maar de weersomstandigheden in de gebieden waar de vogels overwinteren en tussenstops maken, zijn van groot belang voor de trek.

Niet alleen temperatuurstijging, maar ook ‘gunstiger’ windomstandigheden zorgen ervoor dat sommige vogels eerder aankomen in hun broedgebieden, concluderen drie Duitse, Deense en Zwitserse ornithologen. Hun resultaten publiceerden zij maandag in het wetenschappelijk tijdschrift PNAS, van de National Academy of Sciences in de Verenigde Staten.

Gekraagde roodstaart. Verblijft in parkachtige, oude bossen, hogere zandgronden in het oosten van Nederland, maar ook te vinden in bosrijke duinen en de Biesbosch. Overwintert in de Sahel-regio.Beeld Universal Images Group via Getty

De onderzoekers verzamelden gegevens van zes zangvogelsoorten die tussen 1960 en 2014 werden gevangen op het Duitse eiland Helgoland, en van de weer- en windomstandigheden op zes verschillende punten van hun trekroutes. Het gaat om de ook in Nederland voorkomende soorten fitis, grasmus, gekraagde roodstaart, tuinfluiter, grauwe vliegenvanger en bonte vliegenvanger. Het zijn elk trekvogels die tussen zomer en winter lange, intercontinentale vluchten afleggen.

Anekdotisch bewijs

Uit hun verzamelde gegevens trekken de onderzoekers de conclusie dat veel van de variatie in de data van doorkomst kan worden verklaard door het weer en de wind in vier of vijf overwinterings- en doortrekgebieden op hun route. In gemiddeld 80 procent was dat het geval, stellen de onderzoekers. Statistisch blijkt de wind de grootste factor van belang te zijn voor de aankomst van zangvogels. Wanneer die gunstig is, duurt hun trek korter, kost die minder energie en komen vogels eerder aan.

Bonte vliegenvanger. Voornamelijk te zien in het oosten van het land, op de hogere gronden, behalve in Zuid-Limburg. Broedt in oude loofbossen, bij voorkeur in opgehangen nestkasten.Beeld Universal Images Group via Getty

Met hun conclusie wijken de onderzoekers af van wat algemeen wordt verondersteld over de vogeltrek. Tot nog toe gaat de wetenschap ervan uit dat trekvogels in hun timing ook worden gedreven door een biologische klok, of zich door selectie langzaam zouden aanpassen aan het veranderende klimaat en de daaruit volgende beschikbaarheid van voedsel in broedgebieden. De drie onderzoekers noemen het bewijs voor die aannames ‘grotendeels anekdotisch en vaak tegenstrijdig’. Met hun nieuwe visie hopen de onderzoekers bij te dragen aan een beter begrip van de effecten van klimaatverandering op de timing van biologische fenomenen zoals de vogeltrek.

Statistische verbanden

Theunis Piersma, hoogleraar trek­vogel­ecologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en onderzoeker bij het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ), noemt het onderzoek een ‘interessante exercitie’, maar plaatst ook kanttekeningen. Zo wijst hij erop dat de internationale onderzoekers enkel ‘statistische verbanden’ aantonen, maar die geven niet per se niet een volledige verklaring.

Fitis. Verblijft van eind maart tot september in Nederland, vooral in duinen, heidevelden en hoogveengebieden. Komt algemeen voor, maar neemt af in aantal. Overwintert ten zuiden van de Sahel.Beeld Education Images/Universal Image

Volgens Piersma bestaat er volop wetenschappelijk bewijs voor het bestaan van een biologische klok bij trekvogels. ‘Of we dat als beperkende factor moeten zien, vraag ik me zeer af. Beesten weten gewoon de tijd van het jaar, en reageren verder op hun omgeving naar beste vermogen, op grond van kennis en ervaring’, aldus Piersma.

Daarnaast is de rol van het weer op de vogeltrek volgens de Nederlandse onderzoeker maar de helft van het verhaal. Die andere helft betreft het voedsel, de fourageeromstandigheden en de eventuele aanwezigheid van predatoren, die ontbreken in dit nieuwe onderzoek. Piersma: ‘Het kan best zijn dat er een relatie was met het weer en de hoeveelheid voedsel of de aantallen predatoren, en dat die uiteindelijk de sturende factor waren.’

Grasmus. Verblijft van half april tot begin september graag in struiken van duin en heggen van boerenland. Overwintert in West-Afrika.Beeld Universal Images Group via Getty

Zelf werkte Piersma mee aan een onderzoek naar de timing van de voorjaarstrek uit de Waddenzee van de rosse grutto. Die kon worden verklaard uit voedselomstandigheden in de Waddenzee, tot aan de dichtheid van wadpieren op de wadplaten aan toe. Piersma: ‘Precies zulke zaken spelen mee bij de zes soorten zangvogels uit dit onderzoek. Die leven van ander voedsel en in andere biotopen dan de rosse grutto, maar daar weten we nog te weinig van’.

Grauwe vliegenvanger. In Nederland van eind april tot begin augustus. In kleine aantallen te vinden in oud loofbos, tuinen en parken, en in kleinschalig boerenland met uitgegroeide houtwallen.Beeld Focus/Universal Images Group via
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden