Waarom zijn er zoveel soorten mineermotten?

Waarom zijn er zoveel soorten mineermotten? Die vraag intrigeert de Leidse bioloog Camiel Doorenweerd mateloos. Tijdens zijn onderzoek stuitte hij op veel nieuwe varianten. Hij promoveerde dinsdag in Amsterdam.

Promovendus Camiel Doorenweerd op veldwerk in Taiwan. Links een door hem in Leiden uit eitjes opgekweekt Chinees mineermotje, rechts bladmijnen in een Nederlands appelblad. Beeld Naturalis

Let maar op, zegt bioloog Camiel Doorenweerd van het Naturalis Biodiversity Centre in Leiden. Als je straks door het parkje naar het station terugloopt ga je ze vanzelf zien: de kronkelige bleke tunneltjes in bladeren van bijvoorbeeld de braamstruiken. Mijnen, noemen biologen die kronkels en vlekken. En goeie kans dat die mijnen gegraven zijn door larfjes van één van de zeker honderd soorten bladmineermotten die Nederland telt.

'Een dagje in het park en je hebt zo sporen van vijftig soorten bij elkaar, met steeds iets andere gangvormen, poepafzettingen, al dan niet over de nerf gegraven, naar de rand of er vanaf.'

Zijn proefschrift gaat over zo'n duizend van de vermoedelijk vele duizenden soorten mineermotten die planeet aarde telt. 'Waarvan er weer minstens honderd helemaal nieuw zijn voor de wetenschap. Die zijn nog nooit goed beschreven.'

Doorenweerd (32) promoveerde dinsdag in Amsterdam op zijn onderzoek naar de evolutionaire soortvormig bij mineermotten. Hij deed veldwerk van Vietnam, Japan en Taiwan tot Noord-Amerika, verzamelde aangetaste bladeren, kweekte uit rupsjes motten, nam dna af en reconstrueerde genetische stambomen.

Beeld Naturalis

In een depotkamer van het tijdelijke onderkomen van Naturalis in een kantoorkolos in Leiden liggen de stille getuigen in laden op spelden geprikt, van vleugeltip tot vleugeltip vaak niet groter dan de kop van een lucifer. Elders in een diepvries staan de dna-monsters die de laatste vier jaar een volledig nieuw licht wierpen op de vraag waarom er zovéél verschillende mineermotten zijn.

Want die grote vraag, daar draait zijn werk om, zegt Doorenweerd: 'Het gekke is dat Darwins belangrijkste werk weliswaar On the Origin of Species heet, maar dat hij eigenlijk helemaal geen antwoord geeft op de vraag hoe soorten ontstaan. Daar zijn wel ideeën over, over regionaal veranderende omstandigheden die tot selectiedruk leiden, maar pas de laatste jaren wordt het mogelijk die ook te testen.' Dat is voor een flink deel te danken aan betere rekencapaciteit en betaalbare dna-analyses.

Doorenweerd, in Nijmegen opgeleid als moleculair bioloog, concentreerde zich de laatste vier jaar op twee groepen vlinders, de dwergmineermotten en de vouwmijnmineermotten. Beide leggen eitjes onder de huid van een blad, waarna de larven zich onderhuids een weg vreten tot ze een rups zijn die zich kan verpoppen.

De dwergmineermotrups laat zich voor de verpopping uit een gaatje aan een draadje naar de grond zakken. De vouwmijnmineermotlarve zorgt dat een bladrand omkrult en verpopt in de beschutting tot een motje. Het bijzondere, vertelt Doorenweerd, is dat soorten uit beide groepen vaak op dezelfde planten voorkomen, soms zelfs op een en hetzelfde blad. 'Daardoor zijn er theoriën ontstaan die stellen dat de overstap naar een andere plant bepalend is geweest voor de snelheid van ontstaan van nieuwe soorten, maar mijn data laat wat anders zien.'

Beeld Naturalis

5 tot 23 miljoen jaar

Dat blijkt inderdaad zonneklaar uit het dna-onderzoek en de evolutionaire stamboom die dat oplevert. Pakweg 100 miljoen jaar geleden tijdens de overgang van het vroege naar het late Krijt, vindt er een enorme diversificatie in plantensoorten plaats.

De dwergmineermotten bestonden toen al, maar de vouwmijnmotten nog niet. Dit was dus niet het bepalende moment, maar wel de aanzet tot het ontstaan van een wereld met veel planten die deze vlinders konden eten. De overstappen naar de planten waar de vlinders nu vooral van eten, blijken relatief recent te zijn, voornamelijk zo'n 5 tot 23 miljoen jaar geleden.

Maar uit dna-onderzoek van de motjes en uit fossiel-onderzoek in ondermeer barnsteen komen heel andere periodes van intensieve soortvorming naar voren, die volgens de Leidse onderzoekers vooral aantonen dat succesvolle aanpassing aan het overleven in een klimaat met winters met bladloze bomen een belangrijke evolutionaire ontwikkeling is geweest. Hierdoor kregen de vlinders tot meer planten toegang.

Een echt laatste woord over de soortvorming in de evolutie is zijn werk nog niet, denkt Doorenweerd. 'Dit werk gaat over twee groepen nachtvlindertjes. Maar met technieken waar de rest van de biologie mee aan de slag kan. En wat mij betreft ook zou moeten.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden