Wetenschap Vergaand land

Waarom Nederland in de 3de eeuw opeens leegliep

De eeuw waarin Nederland bijna voorgoed verzopen was. Beeld Hilde Harshagen

Ergens in de 3de eeuw verlieten de inwoners – alle inwoners, volgens sommigen – opeens het midden en zuiden van wat nu Nederland is. En dat was niet alleen vanwege het water. 

In Tiel, op een pleintje met vrijstaande nieuwbouwhuizen genaamd Bruine Vuurvlinder, moeten ze hebben gestaan. Twee grote, Bataafse stalboerderijen, de muren afgesmeerd met gele klei, de daken bedekt met stro. Rond de gebouwen zullen kinderen hebben gespeeld en dieren hebben gescharreld. Verderop, waar vandaag een lage, bakstenen basisschool zit met de stads klinkende naam Rotonda, was een grafveldje met begraven urnen, waarin gecremeerde doden lagen.

En toen, opeens, werd het er stil. De kinderstemmen en diergeluiden die er weerklonken, verstomden. Het liep tegen het jaar 300, en schijnbaar van de ene dag op de andere werd de nederzetting die archeologen aanduiden als Tiel-Passewaaij verlaten.

‘Ik stel me voor dat het dak inzakte en de boerderij veranderde in een door planten overgroeide ruïne’, zegt Stijn Heeren, een van de archeologen die de opgraafplek onderzochten. ‘Nog wel herkenbaar als bouwsel. Maar volledig in verval.’

Tiel is niet de enige plek waar de mensen verdwenen. In Hoogeloon, vlak bij Eindhoven, stond een nederzetting van houten huizen te verpieteren, pal naast een afbrokkelende, ook al verlaten oude Romeinse villa. Rond Oss stonden vier boerendorpen leeg. Van Oosterhout tot Boxtel, van Venray tot Weert en van Breda tot de Schelde bij Antwerpen: geen mens meer te bekennen.

‘Het hield hier gewoon op’, vertelt hoogleraar West-Europese archeologie Nico Roymans in zijn werkkamer aan de VU Amsterdam. ‘Het moet een bizarre ervaring zijn geweest als je in de 4de eeuw met de fiets over de Romeinse hoofdwegen had gereden. Overal verlaten nederzettingen, ruïnes, puinhopen. Je kwam niemand meer tegen.’

Roymans legt een tijdlijn op tafel, die hij binnenkort met zijn VU-collega’s Heeren en Ton Derks hoopt te publiceren in vakblad Britannia. Zo’n dertig jaar archeologisch onderzoek is erin samengevat. We zien 51 lijntjes, allemaal geschiedenissen van nederzettingen in het zuiden van Nederland. Rond het jaar 250 na Christus is de helft van de lijntjes opgehouden. En rond het jaar 300 zijn alle lijntjes gestopt:

Bewoning van diverse vindplaatsen (dikke lijn: met zekerheid, dunne lijn: onzeker). Een rood kruisje duidt op brand, een rood streepje op een goed gedateerde waterput. Beeld Stijn Heeren/Nico Roymans/VU Amsterdam.

De geheimzinnige verdwijning trof zelfs de grote steden. Nijmegen, ‘Noviomagus’ voor de Romeinen, veranderde in een ruïnestad. In het westen werd Forum Hadriani (Voorburg) een spookstad. In het oosten, over de grens met Duitsland, bleven in Xanten alleen wat legereenheden achter. ‘Als je geluk had’, zegt Heeren, ‘zou je in het lege landschap hooguit nog wat Romeinse soldaten zien marcheren. Verder was het van Midden-Nederland tot diep in Vlaanderen leeg. Complete verlating, zo’n 100 tot 150 jaar lang.’

Dat er zoiets was als een ‘crisis van de 3de eeuw’, weten historici al langer. Maar doorgaans doelt men daarmee op een crisis van de Romeinse machthebbers in die tijd: het rijk begon in stukken uiteen te vallen, een ebola-achtige ziekte decimeerde de mediterrane bevolking, plaatselijke heersers stonden op, stammenvolkeren roerden zich, handelsroutes verdwenen – en o ja, in het zuiden van ons land liep de bevolking terug.

Maar dat het hier zó heftig was, is nieuw. Neem het onderzoek naar oude stuifmeelkorrels, waarvan paleo-ecoloog Marjolein Gouw de uitkomsten vorige maand presenteerde op een symposium in Utrecht, gewijd aan de crisis. Schijnbaar van het ene op het andere moment veranderde de natuur.

‘We zien een enorme toename van boomgroei. Vooral in laaggelegen gebieden veert het bos weer terug naar zijn oude omvang van de bronstijd’, aldus Gouw. Op de Veluwe nam de aanwas van bomen met zo’n 37 procent toe, in het rivierengebied zelfs met 67 procent. ‘Het hele landschap veranderde’, zegt Gouw.

Vreemd. Skeletten of sporen van brand of vernieling uit deze tijd hebben archeologen niet gevonden. Ook aanwijzingen voor een natuurramp of epidemie zijn er niet. Bovendien zouden er dan overlevenden zijn, zegt Roymans. ‘Je ziet na zoiets altijd dat er een restbevolking is die weer groeit. Hier is het frappante dat de hele bevolking verdwijnt.’ Alsof men in plaatsen als Boxtel, Deurne, Oss, Venray, Weert, Turnhout en Someren van de ene dag op de andere in rook opging. Poef, wég.

Was het misschien het klimaat? Het is een gedachte die vooral in de jaren negentig populair werd, en waarmee onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen, de Universiteit Utrecht en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de afgelopen acht jaar nadrukkelijk speelden, in een gezamenlijk onderzoeksproject door wetenschappers uit verschillende vakgebieden. Na het jaar 200 brak in Europa immers een natte, koelere periode aan.

‘Dan zit je hier als Romein’, schetst fysisch geograaf Wim Hoek, een van de leiders van het onderzoek. ‘Het regent, het is koud, er zijn overstromingen. Misschien dacht men wel: wegwezen.’

Eigen schuld, dikke bult. Want de Romeinen en de Germaanse boeren hadden de delta behoorlijk verziekt, ontdekte fysisch geograaf Harm Jan Pierik toen hij het oude landschap minutieus reconstrueerde. Zo was men zo onverstandig geweest kanaaltjes te graven in de veenbodems van Zeeland. Met als gevolg dat het water uit het veen wegvloeide, en het land als een uitgeknepen spons onder hun voeten inzakte.

Beeld Hilde Harshagen

‘Je ontwatert het veen, waardoor het inklinkt. En dan is het wachten op de eerste stormvloed: weg is Zeeland’, zegt Pierik. En weg was Zeeland inderdaad: zo rond het jaar 600 stond het haast volledig onder water. Verderop verlegden Lek, Hollandse IJssel, Waal, Maas, Rijn en Linge intussen hun koers, blijkt uit Pieriks analyses: wat een tijd.

Maar of regen, kou en overstromingen de bevolking klein kregen? Dat ook weer niet. ‘Men paste zich aan, leerde ermee omgaan’, zegt Pierik. Toen hij samen met zijn collega Rowin van Lanen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed tientallen archeologische vindplaatsen in het rivierengebied analyseerde, ontdekte hij een opvallend patroon: geleidelijk ging men zijn huizen steeds hogerop bouwen. Zelfs terpen zal men hebben opgeworpen, om aan de rivier te ontkomen.

Bovendien verklaart het nattere klimaat niet waarom de bewoners van de hoger gelegen zandgronden van Noord-Brabant en de Betuwe óók opeens verdwenen, zegt Heeren. ‘Ik denk dat het klimaat een belangrijke medeoorzaak is geweest’, zegt hij. ‘Maar beslist niet de enige.’

Zo zwaait de slinger terug: toch weer die geopolitieke krachten. Het was kwade opzet, denkt VU-hoogleraar Roymans. De Romeinen in de bocht.

De lage landen, begin 3de eeuw. Beeld Stijn Heeren/Nico Roymans/VU Amsterdam

Kort voor de grote ontvolking had het ernstig afbrokkelende Romeinse Rijk nog een crisis doorstaan. Het Romeinse gezag desintegreerde, lokale machthebbers namen het over: in het oosten keizerin Zenobia van Palmyra, in het westen steunde men de Gallische keizer Postumus. En nu, in 274, stelde keizer Aurelianus van het centrale keizerrijk orde op zaken. De inwoners van het huidige Brabant werden gedeporteerd.

Roymans en Heeren maken dat op uit schaarse aanwijzingen die uit de periode zijn overgebleven. Een geschreven opmerking rond het jaar 300, dat de Franken weer onder Romeins gezag stonden. Een verwijzing uit de 4de eeuw, dat men in Duitsland en Noord-Frankrijk ‘Bataafse’ rekruten wierf. Een paar huizenplattegronden naar Germaans model, die opeens uit het niets opduiken in Noord-Frankrijk.

‘Alsof ze zijn opgepakt en in Frankrijk gezet’, zegt Heeren. ‘Er zijn vaker keizers geweest die complete regio’s deporteerden. Als straf, en deels ook juist om de bevolking weer onder controle te krijgen, belasting te laten betalen en rekruten voor het leger te laten leveren.’

Ja, de Romeinen deporteerden soms hele gemeenschappen, beaamt archeoloog Esther Jansma van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Maar haar onderzoek, dat ze de komende tijd hoopt af te ronden, werpt toch ook intrigerend ander licht op de zaak.

Jansma ging ertoe over de herkomst en datering van ruim vijfduizend stukken hout uit het eerste millennium na Christus op een rij te zetten. En wat blijkt: al vóór de opstand met Postumus gooiden de Romeinen het bijltje erbij neer. Letterlijk: langs het westelijke deel van de Rijn, waar de Romeinse noordgrens liep, hakten ze geen boom meer om, om kierende bruggen en verzakkende wegtaluds te herstellen.

Door de telefoon leest Jansma wat van haar nog ongepubliceerde data voor. De Kromme en Oude Rijn bij Utrecht? Na 215 was het er gedaan met de Romeinse waterwerken. De Noordzeekust tussen Rijn en Maas? Het laatste stuk hout van vóór de leegloop komt er van een boom die rond 225 moet zijn omgehakt. ‘Wat je hier ziet’, constateert Jansma, ‘is dat die Romeinen niet meer geïnteresseerd waren in het gebied. Ze verwaarloosden de waterwerken en de infrastructuur. En de bewoners moeten de gevolgen hebben gevoeld.’

Zo moeten er heftige overstromingen zijn geweest in onder meer het jaar 227 en in het jaar 232, blijkt uit boomringen die vanaf die jaren opeens ziekelijk en ielig ogen, alsof de rot in de wortels was geslagen. Vergeten rampen, die in geen enkel geschiedenisboek staan, net in een periode dat de winters kouder werden en de zomers natter. ‘De Romeinse forten stonden pal langs de rivier. Iedere keer trok het water erin. Ze dachten: fuck it, en zijn weggegaan’, vermoedt Jansma. ‘Decennia eerder dan in de boekjes staat.’

Geen machinaties dus van leiders en rondtrekkende legers – maar eerder een instorting van het kaartenhuis van de maatschappij. Want op veel plekken zal een kettingreactie op gang zijn gekomen, denkt ze. Het vertrek van de Romeinen uit de westelijke delta zal de poten onder de plaatselijke economie vandaan hebben geslagen. Waarna omwonenden hun spullen pakten en vertrokken.

In het beschutte wereldje van de academici die in de periode gespecialiseerd zijn, zal die kijk op de zaak stof doen opwaaien. De grote leegloop zou niet zozeer het gevolg zijn van een laatste stuiptrekking van stoerheid van het Romeinse Rijk – een deportatie – maar bewijs dat de Romeinse noordgrens veel eerder instortte dan gedacht.

‘Archeologen zoeken hun verklaringen snel bij de elites en zwaardvechtende mannen’, zegt Jansma. ‘Maar ik zou eerder denken als huismoeder. Als ik mijn huis niet meer kan betalen en mijn kinderen niet meer kan voeden, ga ik weg. Waarom verdrinken er op dit moment zoveel mensen in de Middellandse Zee? Niet omdat ze gedeporteerd zijn.’

De eeuw waarin Nederland bijna voorgoed verdween Beeld Hilde Harshagen

En toen?

Toen werd het stil, in het hart van Nederland. Doodstil. Een verlaten, winderig land, ontdaan van menselijke activiteit, waar de elementen vrij spel hadden en het enige wat je kon horen het huilen van de wind was, hooguit af en toe doorbroken door het gestamp van Romeinse legerlaarzen.

De Romeinen zullen de limes – de grens langs de Rijn – nog hebben bewaakt, nemen Heeren en Roymans aan, omdat het een belangrijke vaarroute was naar Brittannië. Maar zelfs dat waagt Jansma te betwijfelen. In Frankrijk en België, bij het Nauw van Calais, hadden de Romeinen immers andere oversteekpunten, en resten van Romeinse zeeschepen zijn er in de Rijn nauwelijks gevonden. Volgens Jansma begon de grootschalige Romeinse activiteit pas weer achter Nijmegen, bij de Maas: in 326 bouwde men een loskade bij Cuijk, rond 369 een grote brug.

Leeg, helemáál leeg? Misschien woonden er ergens op de hoge zandgronden van Brabant en de Betuwe nog plukjes mensen, achterblijvers die het vertikten te vertrekken (of, als je de theorie van Roymans aanhangt, die aan deportatie wisten te ontkomen). In Gelderland, Overijssel en Limburg bouwde men af en toe nog wat van hout, blijkt uit de inventarisatie van Jansma. En tussen de stuifmeelkorrels van paleo-ecoloog Gouw zaten ook pollen van planten die duiden op open landschap, en zelfs wat stuifmeel van granen: bewijs dat er hier en daar nog wat landbouw was.

Maar goed, wie weet waren dat overblijfselen, restjes die doorgroeiden, denken anderen. ‘Als er nog bewoonde nederzettingen waren: wijs ze maar aan’, zegt Roymans. ‘Ik ken ze in elk geval niet.’

En toen, zo’n eeuw tot misschien wel anderhalve eeuw nadat de grote leegstand was begonnen, kwamen de mensen terug. In voorzichtige plukjes moeten ze de delta zijn binnengetrokken. Aangelokt door de vruchtbare jonge bodem, menen landschapsonderzoekers. Nee: aangelokt door het Romeinse leger dat soldaten nodig had, denkt Roymans, wijzend op de vele opgegraven muntschatten uit die tijd.

Rond 400 was er in elk geval weer bewoning bij Oss en Breda, en ook bij Lieshout, Someren en Venlo keerden de boeren terug. Vaak vestigde men zich op dezelfde erfjes. Zelfs de meeste van de oude wegen en paden werden weer in gebruik genomen, blijkt uit een analyse van Van Lanen.

Er was maar één verschil: dit waren ándere mensen. Noorderlingen, denken archeologen. De nieuwkomers lieten immers andere voorwerpen achter, bouwden andere boerderijen en teelden rogge, zo blijkt uit het stuifmeel, een gewas dat typerend is voor de mensen die destijds in het noordoosten van Nederland en in Noord-Duitsland woonden.

Ook bij de vervallen boerderijen in Tiel Passewaaij kwamen de mensen terug. Sterker nog, vertelt Heeren, zelfs het oude grafveld nam men weer in gebruik, alsof men nooit anders had gedaan. ‘We doen gewoon net alsof dit ónze voorouders zijn’, schetst Heeren. ‘Zo legden ze een symbolische claim: dit gebied is van ons.’

En de oorspronkelijke bewoners? Roymans stelt dat je de grens waarachter ze zich terugtrokken nog altijd kunt zien: het is de taalgrens tussen Nederlands- en Franstalige Belgen, zegt hij. ‘De groepen binnen het Romeinse rijk stonden onder invloed van de Latijnse taal, terwijl de nieuwkomers uit het noorden daar haast geen enkele kennis van hadden. Dus krijg je een taalgrens.’

Zo heeft de tijd dat Nederland bijna werd opgegeven meer diepzinnige verbintenissen met vandaag, zegt iedereen die je ernaar vraagt. De geschiedenis van ons land is immers gestort op de betonvloer van die cruciale crisistijd.

Neem alleen al het land, zegt fysisch geograaf Kim Cohen, een van de senioronderzoekers van het project. ‘Met mensen liep het hier leeg, en met modder liep het vol. Door de overstromingen van de rivieren werd overal sediment afgezet. Daardoor kwam er over het veengebied een stevig kleipakket te liggen. De basis waarop half Nederland is gebouwd.’

Voor Stijn Heeren is de les een meer filosofische. ‘We vinden tegenwoordig dat alles maar controleerbaar moet zijn’, zegt hij. ‘Maar dynamiek is van alle tijden. Ontvolkingen, herbevolkingen, immigraties en emigraties waren altijd aan de orde van de dag. De stabiliteit en zekerheid die we zo wensen, is historisch geen normale situatie.’

(Met dank aan Jona Lendering (Livius.org) en Daan Raemaekers (Rijksuniversiteit Groningen))

…Maar van wie stammen we dan wél af?

Enfin: de oorspronkelijke Nederlandse bevolking werd dus vervangen, zo ergens rond het jaar 300. Maar door wie eigenlijk?

Daar liggen ze, languit in een graf, de ribbenkast en schedel platgedrukt, de onderkaak soms opengesperd in een macabere doodskreet. Dit moeten enkele van de nieuwkomers zijn, de mensen die Nederland binnenstroomden na de grote leegloop. Gestorven en begraven in de 5de eeuw, en opgegraven bij Borgharen, vlak boven Maastricht. Niet ver van de plek waar ook al eens een dode man werd gevonden, met op zijn gesp zijn naam in exotische, Oost-Europese runen: BOBO.

Dit lijken buitenlandse doden, zegt ook bioarcheoloog Lisette Kootker (VU Amsterdam). Toen ze onderzocht uit welke atomen de tanden van de nieuwkomers precies zijn opgebouwd, ontdekte ze dat die atomen afkomstig moeten zijn van ver: verrijkt met een zware vorm van het element strontium, die in Nederland relatief schaars is. En de variatie is groot: ‘Ze lijken afkomstig uit alle hoeken van Europa.’

Ook onderzocht Kootker menselijke resten in een nabijgelegen grafveld van een paar eeuwen later. ‘Daar zie je veel meer homogeniteit. Deze mensen lijken wél opgegroeid in de regio Borgharen.’

Dat is niet alles. 250 kilometer noordelijker, in het Friese Midlum, ontdekte Kootker eveneens strontium-waarden die afwijken van wat je bij iemand geboren in Friesland zou verwachten, ditmaal in de tanden van zes doden uit een graf uit de 6de eeuw. Alweer nieuwkomers van buiten, zo lijkt het. Kootker ontploft bijna van enthousiasme: ‘Dat is echt retecool, want er is bijvoorbeeld een hypothese dat deze bevolking uit Scandinavië komt. De dna-gegevens lieten al zien dat we het misschien moeten zoeken richting Duitsland en Scandinavië. En nu wijzen de isotoopgegevens er ook op dat deze mensen zonder twijfel niet uit dit gebied komen.’

De komende jaren hoopt Kootker samen met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed meer atoomgegevens te verzamelen uit de periode. Niet makkelijk, want in de slappe Nederlandse bodem vergaan geraamtes in de regel tot pap. Maar er staat veel op het spel: ‘We hebben die bevolkingsdip en vervolgens de herbevolking. We willen weten: waar komen die mensen vandaan?’

Eén inzicht begint bij alle kenners te dagen: ‘De persoon die we de Nederlander noemen, komt van oorsprong waarschijnlijk helemaal niet uit Nederland’, zegt Kootker. ‘Zoals het er nu uitziet, lijken we af te stammen van migranten die rond deze tijd ons land binnentrokken.’

Archeologisch reveil
Vraag een archeoloog hoe het komt dat we opeens zoveel meer weten over geheimzinnige periodes zoals de derde eeuw, en hij zal antwoorden: dat komt door Malta. In 1992 spraken de Europese lidstaten in Malta af om voortaan bij alle bouwprojecten de archeologen erbij te halen. Dat leverde een schat aan informatie op. Ook nieuwe methodes, zoals dna-analyse en betere dateringstechnieken, dragen bij aan de revolutie die momenteel gaande is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden