Waarom het goed is als papa meespeelt met de baby

Journalist Tonie Mudde deed mee aan een onderzoek naar vaderschap

Is Nederland geëmancipeerd? Niet als het op zorg voor jonge kinderen aankomt. Wetenschaps-journalist Tonie Mudde gaf zichzelf en zijn baby op voor een onderzoek naar vaderschap.

Tonie Mudde met zijn dochters Marie (op schoot) en Mathilda (links, 6 jaar) en zoon Nikolaj (4). Foto Jaap Scheeren

Ik heb een hoogleraar met een camera toegelaten in mijn huis. Bij elk bezoek neemt ze een net vol speelgoed mee voor mij en mijn dochter van 7 maanden. Een autootje, een knisperboekje, een abstract krakend draaiding.

'Gaan jullie spelen?', vraagt de hoogleraar, Marian Bakermans-Kranenburg van de Universiteit leiden. 'Vijf minuten.'

Al direct bij de eerste sessie voel ik me betrapt. Ik speel nooit vijf minuten achter elkaar met mijn dochter, zeker niet met speelgoed. Spelen met kinderen die tegen een bal kunnen trappen of een spel kaarten kunnen vasthouden: dat snap ik. Maar wat zou ik met een baby moeten doen?

Maar oké, daar gaan we, voor de wetenschap.

Tekst loopt door onder de video

Ik rammel wat met het abstracte ding, laat zien wat voor krakende geluiden ie maakt als je aan zijn poten draait. Reik het gevaarte dan aan dochter Marie. Die stopt het in haar mond en begint te sabbelen en te kauwen, wat ze ook doet bij het knisperboekje en het andere speelgoed.

Volgens mij doe ik niet veel meer dan toekijken en glimlachen, terwijl mijn gedachten malen. Wat zou de hoogleraar van ons denken? Doe ik het anders dan de andere vaders die deelnemen aan het zogeheten VIPP-experiment, dat staat voor Video Feedback Intervention to promote Positive Parenting? Zijn die vijf minuten nog niet voorbij? En als ik dit al lang vind duren, wat zegt dat over mij als ouder?

Vanachter de camera klinkt een verlossend piepje. Einde opname. Even later is de hoogleraar vertrokken en loop ik honderd rondjes door de woonkamer met een vermoeide baby die maar niet wil slapen. Mijn vriendin zou haar op zo'n moment in bed borstvoeden, waarna het gehuil direct stopt en baby Marie even later high van de moedermelk in slaap sukkelt.

Het is mijn derde week ouderschapsverlof, mijn trommelvliezen doen pijn van het gehuil, het flesje afgekolfde melk is nog steeds niet warm genoeg, ik moet boodschappen doen, koken, kleren wassen en twee kleuters ophalen van school, van wie de jongste brullend de bakfiets zal slopen als-ie niet direct naar huis mag omdat de oudste eerst naar een speelafspraakje wil.

Ik verlang hevig naar kantoor.

Twijfel

Toen mijn vriendin na haar zwangerschapsverlof weer aan het werk ging, besloten we samen dat ik onbetaald ouderschapsverlof zou opnemen zodat we onze baby nog twee maanden langer fulltime thuis konden houden. In die periode zou ik mijn leidinggevende taken overdragen aan een collega (ik ben chef van de wetenschapsredactie van de Volkskrant), drie dagen per week gaan zorgen en nog twee dagen werken, maar dan alleen als schrijvend journalist. Ook voor onze andere twee kinderen - 4 en 6 jaar - zou het fijn zijn om mij vaker te zien, zo oordeelden we.

Ik zag mezelf als een moderne, geëmancipeerde man die sowieso al aardig wat tijd met de kinderen doorbrengt. Financieel konden we het lijden dus: doen.

Al sloeg de twijfel wel toe toen ik mijn plan aankondigde bij collega's en kennissen. De een vermoedde medische problemen bij de baby: 'Twee maanden lang? Gaat het wel goed met haar?'Een ander begreep het nut niet van extra aanwezigheid thuis: 'Konden jullie geen crèche vinden?'

Weer een ander maakte zich zorgen over mijn carrière: 'Pas op hoor, misschien bevalt je vervanger wel véél beter.'

Foto Jaap Scheeren

De opvallendste opmerking kwam van een leidinggevende vrouw: 'Eerst leek het me fantastisch als mijn man ook een tijd thuis voor de kinderen zou zorgen. Maar toen het eenmaal zover was, ging ik hem direct minder aantrekkelijk vinden. Zit je ineens met een huisman thuis.'

De reacties verbazen Renske Keizer niet. De hoogleraar vaderschap aan de Universiteit van Amsterdam wijst op cijfers waaruit blijkt dat Nederlandse gezinnen voor een eerlijke verdeling van de taken nog een lange weg te gaan hebben.

Werkende vrouwen met thuiswonende kinderen en een partner hebben in Nederland een werkweek van gemiddeld ongeveer 25 uur, blijkt uit de nieuwste Emancipatiemonitor van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Hun partners hebben doorgaans een werkweek van 40 uur. 'Bij geen enkel ander type huishouden is het verschil tussen vrouwen en mannen zo groot', aldus de onderzoekers van het SCP. Vergeleken met vrouwen besteden Nederlandse mannen veel minder tijd aan zorg en huishouden. Kanttekening: al die deeltijdbanen zorgen er óók voor dat we internationaal gezien juist een hoge arbeidsparticipatie van vrouwen hebben. In het buitenland hebben vrouwen vaak alleen de keuze tussen fulltime werken of thuisblijven, waarbij zeker vrouwen met jonge kinderen relatief vaak voor de laatste optie gaan.

Wat dan wel weer relatief karig is in Nederland zijn de wettelijke regelingen voor vaders die willen zorgen. Keizer wijst op een tabel met bij wet geregeld betaald verlof voor vaders.

Frankrijk, Luxemburg, Portugal: meer dan 20 weken.

Oostenrijk, Duitsland, Finland, Noorwegen, Zweden: 9 weken of meer.

Nederland: 5 dagen, succes ermee.

Keizer legt uit hoe de verschillen in vaderschapsverloven vaak een historische oorsprong hebben.

Met moeite van twee naar vijf dagen

In de Eerste Wereldoorlog was Nederland neutraal, omringende landen als Duitsland, België en Frankrijk niet. In die landen sneuvelden veel mannen en gingen de vrouwen werken in de fabrieken. Vanaf de jaren tien, twintig in de vorige eeuw participeerden vrouwen daar dus al op de arbeidsmarkt. In de Tweede Wereldoorlog had Nederland een relatief kleine rol vergeleken met de omliggende landen. Wederom waren hier dus minder vrouwen genoodzaakt te werken.

Keizer: 'Tijdens de wederopbouw bleven in het buitenland de vrouwen werken. Hier vonden we het een luxe als vrouwen dat niet hoefden. Vrouwen zijn de hoeksteen van het gezin, was het idee, laten we arbeidsmigranten uit het buitenland halen om te zorgen dat de economie weer gaat draaien.'

Zo kon het gebeuren dat Nederlandse vaders jarenlang maar twee dagen kraamverlof kregen en dat die pas vorig jaar met veel moeite is uitgebreid naar vijf dagen. Het aantal vaders dat daar bovenop ouderschapsverlof opneemt groeit, maar het zijn er nog steeds maar 1 op de 10, blijkt uit de laatste Emancipatiemonitor. Keizer. 'Meestal zijn dat hoogopgeleide ambtenaren, omdat de overheid als een van de weinige werkgevers vaders grotendeels doorbetaalt bij het opnemen van ouderschapsverlof. En omdat het opnemen van verlof in de publieke sector het meest wordt geaccepteerd.'

Cultuurveranderingen in de verdeling van zorg en werk gebeuren zelden spontaan, stelt Keizer, die vindt dat de overheid op een slimmere manier zou kunnen sturen. 'Wanneer de overheid verlof instelt waarbij de man en vrouw zelf mogen beslissen hoe het verlof tussen hen beiden wordt verdeeld, zie je dat vrouwen toch het leeuwendeel van het verlof opnemen. Men gaat dan salarissen vergelijken en dan blijven vrouwen - die doorgaans minder verdienen - eerder thuis. Wat beter werkt: bied de man een paar maanden betaald verlof aan die alleen hij kan opnemen. Maakt hij geen gebruik van het verlof, dan is het weg. Uit Scandinavië weten we dat zo'n stimulans echt werkt om mannen meer thuis te laten zorgen. Op de langere termijn verdien je de financiële investering terug, doordat vrouwen meer gaan werken en kinderen van betrokken ouders het later relatief goed doen op school en daarbuiten.'

'De volgende keer gaan we weer filmen en ook opnamen terugkijken', zegt Bakermans-Kranenburg. Aan de Universiteit Leiden doet ze samen met hoogleraren Femmie Juffer en Marinus van IJzendoorn onderzoek naar gezinspedagogiek.

Vaders hebben daarbij hun speciale interesse. Die zorgende vaders zijn namelijk relatief nieuw en daarmee braakliggend onderzoeksterrein. Dat vrouwen veranderen zodra ze zwanger worden, zowel in gedrag als hormonaal, is uitgebreid beschreven. Maar wat gebeurt er met mannen zodra ze vader worden? Bij een van de lopende experimenten in het laboratorium in Leiden gaan mannen in een hersenscanner liggen, vlak voordat ze vader worden en een paar maanden nadat hun baby ter wereld is gekomen. Zijn ze beter geworden in het herkennen van het verschil tussen verveeld geklaag en een angsthuil van de baby? Reageren ze anders op een foto van een maxicosi die gevaarlijk half op het fietspad wordt neergezet? Bestaat er zoiets als een unieke vaderachtige manier van zorgen voor kinderen?

Oxytocine

De laatste jaren boeken wetenschappers al opmerkelijke resultaten. Zo blijkt uit een Israëlische studie dat vaders - net als moeders - meer van het 'knuffelhormoon' oxytocine aanmaken naarmate ze meer zorgen voor hun kinderen. Dit stofje speelt een belangrijke rol bij het aangaan van sociale verbindingen.

Wat opvalt in de studie van Bar-Ilan University is dat moeders het hormoon vooral aanmaken bij het knuffelen of kletsen met hun baby. Bij vaders stijgt het oxytocineniveau eerder wanneer ze hun baby in de lucht gooien of hem of haar aanmoedigen iets nieuws te ontdekken. Rough-and-tumble play heet dat in de wetenschappelijke literatuur. Vaders houden doorgaans inderdaad meer van die ruwe spelletjes, blijkt uit onderzoek van onder meer University of Arkansas.

Keizer: 'Ook wordt vermoed dat juist vaders hun kinderen stimuleren om te exploreren, om buiten de gebaande paden te gaan. Door kinderen op gecontroleerde wijze risico's te laten nemen, leren vaders hen angst voor het onbekende te overwinnen.'

Andere studies tonen aan dat vaders anders praten tegen kinderen dan moeders doen. Waar moeders hun taalniveau aanpassen aan het niveau van het kind, blijven vaders moeilijkere woorden en complexe zinsconstructies gebruiken. Wetenschappers denken dat vaders op die manier hun kinderen voorbereiden op de communicatie in de wereld buiten het gezin.

Tegelijkertijd is het met alle studies naar verschillen tussen vaders en moeders oppassen voor stereotypering, waarschuwt Keizer. 'Misschien gebruiken vaders niet doelbewust complexere taal in gesprekken met hun kinderen, maar zijn zij simpelweg minder goed op de hoogte van het actuele taalniveau van hun kind dan de moeder, die gemiddeld genomen meer tijd doorbrengt met het kind.'

Ook bij de studies die concluderen dat de kinderen van vaders die veel zorgen relatief betere schoolprestaties hebben en meer vrienden, zijn volgens Keizer kanttekeningen te plaatsen. Veel studies zijn gebaseerd op slechts één meetmoment en dat roept de vraag op wat oorzaak is en wat gevolg. Ontwikkelt het kind zich zo omdat de vader betrokken is? Of is vader betrokken omdat het kind geliefd is en het goed doet op school? Ook is er vaak alleen naar hoogopgeleide vaders gekeken, van wie de kinderen zich door genetische overdracht en betere economische hulpbronnen over het algemeen sowieso beter ontwikkelen. Het risico bestaat daardoor dat de invloed van betrokken vaders wordt overschat. Keizer: 'Dat is het interessante van dit onderzoeksterrein. Er valt nog zoveel te ontdekken, ook op basale vragen.'

Samen op de bank, hoogleraar Bakermans-Kranenburg en ik. Op een scherm toont ze me de filmpjes die ze maakte van mij met baby Marie.

'Kijk, zie je hoe ze reageert als je nieuw speelgoed aanbiedt?'

Baby Marie trappelt met haar benen als een blij diertje, kijkt met grote ogen omhoog.

'Je biedt het speelgoed één voor één aan, om haar niet te overprikkelen.'

'Je legt het een klein stukje voor haar neer, zodat ze ernaar toe kan tijgeren.'

'Kijk 'ns hoe blij ze is als ze dat speelgoed te pakken heeft, en jouw 'hebbes!' hoort.'

Foto Jaap Scheeren

Sensitiviteitsketen

Bakermans-Kranenburg is expert in positieve feedback geven. Net zo goed als ze expert is in geduld: baby's zijn logistiek gezien niet de makkelijkste proefpersonen. Ze kunnen zomaar naar bed willen net als het experiment begint of hun eigen voeten véél interessanter vinden dan het proefmateriaal. Mijn bewondering voor het werk van pedagogisch onderzoekers steeg de afgelopen weken enorm en nog verder nu ik zie wat zo'n simpel filmpje teweeg kan brengen.

Natuurlijk zag ik eerder filmpjes van baby Marie, maar daar sta ik zelden zelf op. En nu ineens dit: vijf minuten lang kijken naar hoe je baby reageert op jou, en jij op je baby. En de ontdekking: tijdens het samen spelen gebeurt véél meer dan ik zelf doorhad toen ik daar eerder met haar lag op dat roze kleed. Bijvoorbeeld de 'ketens van sensitiviteit' die Bakermans-Kranenburg aanwijst: baby Marie maakt duidelijk dat ze iets interessant vindt (door er kirrend naar te kijken), ik snap het en vraag 'die?' (terwijl ik haar het speelgoedje aanreik), baby Marie stopt het in haar mond en knort tevreden (bevestigd door mijn 'lekker hè, zo'n auto in je mond').

Nog een filmpje, deze keer één waarbij het wat minder lekker liep, qua sensitiviteitsketen.

Ik gooi haar in de lucht, maar baby Marie reageert niet echt. Idem als ik haar als een helikopter rondjes laat draaien op mijn hand. Als ik haar tussen mijn bewegingen door op schoot legt, begint ze wat te pruttelen. 'Aaaababaaa.' 'babaaaaaghhhh.'

'Hier lopen twee speellijnen door elkaar', zegt Bakermans-Kranenburg, wat haar vriendelijke manier is om te zeggen dat baby Marie me het volgende duidelijke probeert te maken: ik wil helemaal geen helikoptertje spelen mafkees, ik wil spelen met mijn eigen stem.

'Kijk', zegt Bakermans-Kranenberg, en wijst naar het scherm. 'Hier pik je het wel op.'

Ik begin met mijn hand zachtjes op de mond van baby Marie te tikken, en baby Marie zingt vrolijk het ritme mee: ba-ba-ba-ba-ba.

Het zijn dit soort momenten en oefeningen waarbij de ouders alleen iets mogen doen als de baby eerst initiatief toont, die vaders en moeders helpen om zich beter in te leven in hun kinderen. Uit onderzoek van Bakermans-Kranenburg, en ook uit buitenlandse studies, blijkt het effect van dergelijke video-interventies op jonge kinderen vergeleken met een controlegroep. Zo leidt een paar sessies videofeedback tot minder conflicten op de peuterleeftijd en een lagere dosis stresshormonen bij de kinderen.

Het einde van mijn verlof nadert, ik keer terug naar mijn vierdaagse werkweek. Iets waar ik me op verheug, want ik zou niet structureel meer thuis willen zorgen. Toch had ik de afgelopen periode voor geen goud willen missen. Terwijl ik boodschappen doe met Marie in de draagzak op mijn buik, denk ik terug aan de afgelopen twee maanden. Hoe onwennig het voelde in het begin, toen ik als enige volwassene met vier kleuters op het veldje achter ons huis knakworsttikkertje speelde, met een half oog op Marie die verderop in haar buggy toekeek. Op een ordinaire dinsdagmiddag, terwijl voor mijn gevoel de rest van de wereld 'echt' werk verrichtte.

Maar langzaam begon het te wennen en ging ik ervan genieten. Die magische periode van de vroege jeugd; nog nooit had ik het zo goed en zo lang van dichtbij mogen aanschouwen. Tuurlijk, volwassenen kunnen ook aardig wat bijleren in twee maanden. Maar kinderen maken op dat front echt spectaculairdere sprongen. Bij aanvang van mijn verlof was de wereld van Marie zo klein als de plek waar ik haar neerlegde, twee maanden later tijgerde ze de hele kamer door en trok ze zielsgelukkig boeken uit de kast, om daar haar zes tanden in te zetten. In diezelfde twee maanden zag ik mijn 4-jarige zoon veranderen van de verlegen jongste kleuter tot een jongen die joviaal 'Hé Thomas!' en 'Hé Mo!' roept bij het binnenlopen van zijn school. Ook zal ik nooit het moment vergeten dat mijn oudste, Mathilda, een tijdlang stilletjes aan tafel zat om me ineens haar eerste zelfgeschreven verhaaltje aan te reiken.

'Ik koop een roos. De roos is voor mama. De roos moet in de vaas. Ik vul de vaas.'

Even overweeg ik haar te vragen of jongens ook bloemen kunnen krijgen en vazen kunnen vullen. Maar ach, ze is nog klein en alweer de deur uit. Voetballen.

Wie doet het beter?

'Een vrouw is beter geschikt om voor kleine kinderen te zorgen'. Het Sociaal en Cultureel Planbureau legt die stelling al decennia voor aan een grote groep Nederlanders. Begin jaren zeventig vindt nog 70 procent van de mannen en vrouwen dat de vrouw beter voor kleine kinderen kan zorgen. Halverwege de jaren negentig onderschrijft nog maar 20 procent van de vrouwen die stelling en 40 procent van de mannen.

Toch schiet de lijn daarna weer de andere kant op: een groeiend aantal mannen én vrouwen vindt vrouwen geschikter om voor kleine kinderen te zorgen. Renske Keizer, hoogleraar vaderschap aan de Universiteit van Amsterdam: 'Er lijkt een tendens te zijn dat met name de jongste generatie relatief weer iets traditioneler wordt.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.