Voorpublicatie Het grote niets

Waarom de wetenschap terug in haar hok moet

Wetenschap heeft de westerse wereld groot gemaakt. Toch kunnen we, betoogt Rosanne Hertzberger, ook te veel op de wetenschap vertrouwen.

Beeld Claudie de Cleen

Als ik bij een lezing of ander optreden mag kiezen tussen mezelf presenteren als wetenschapper of NRC Handelsblad-columnist, kies ik vaak voor wetenschapper. Dat is strategisch handig, daarmee heeft het publiek wat meer vertrouwen in mij. Ons vertrouwen in wetenschappers is namelijk hoog.

Volgens een driejaarlijks rapport van het Nederlandse Rathenau Instituut (2018) krijgt het vertrouwen een 7,1. Bijna vier op de vijf Nederlanders denken dat wetenschappers zorgvuldig werken, deskundig onderzoek uitvoeren en te vertrouwen zijn. Twee op de drie Nederlanders denken dat wetenschappers objectief zijn en onafhankelijk werken. Minder dan een kwart van de gepeilde Nederlanders denkt dat wetenschappers onderzoek aanpassen om de antwoorden te krijgen die ze willen hebben. Nederlanders hebben meer vertrouwen in de wetenschap dan in elk ander instituut dat van oudsher enige autoriteit uitoefende: de pers, de vakbonden, het parlement, de regering en de rechtspraak.

Sinds 2018 zijn in Nederland de mensen die zichzelf tot een religieuze stroming rekenen in de minderheid. Dat is voor het eerst. En wat is ervoor in de plaats gekomen? Wie laten we nu bepalen wat waar is, of goed, of verstandig? Voor een groeiende groep mensen is dat de wetenschap.

Op het eerste gezicht lijkt dat een positieve ontwikkeling: als iets een betrouwbare bron van kennis is, is het de empirische wetenschap wel (de tak van wetenschap die experimenten uitvoert). Wetenschap heeft de westerse wereld groot gemaakt.

Toch kunnen we ook te veel vertrouwen op de wetenschap. De wetenschappelijke methode is het krachtigste gereedschap dat we hebben om tot kennis te komen, maar tegelijkertijd wordt het gebruikt door een wezen, Homo sapiens, dat nog steeds buitengewoon irrationeel is. En de methode is ook kwetsbaar, en kan eenvoudig misbruikt worden. De wetenschap is buitengewoon flexibel en kun je alles laten zeggen wat je wilt. Je kunt resultaten uit bewerkelijke experimenten inzetten om jouw gelijk te bewijzen. Je kunt met behulp van slecht gecontroleerde misleidende studies jouw nogal irrationele overtuigingen of je hobby of leefwijze tot wetenschappelijk verantwoord verklaren. Wetenschap kan ook als buikspreekpop fungeren.

En precies dat is zorgwekkend.

Ik zie een nieuwe generatie van westerse seculiere beleidsmakers, politici, bestuurders, denkers, schrijvers, ondernemers en leiders die wetenschap niet meer zien als gereedschap om kennis te genereren, maar als een nieuwe onfeilbare autoriteit; een alwetende rechter die oordeelt over goed en kwaad. Net als alle generaties die hun voorgingen hebben zij hun eigen ‘waarom’-vragen, maar geen God, geloof, of ideologie meer die die voor hen kan beantwoorden. Wetenschap moet die lacune opvullen en de vragen beantwoorden: waarom we eten wat we eten, waarom we onze kinderen opvoeden zoals we ze opvoeden, waarom we sporten zoals we sporten, waarom we leven hoe we leven. Iets is niet meer goed, deugdzaam, fijn, lekker, rechtvaardig, of moreel juist, maar ‘gezond’, ‘duurzaam’ of ‘veilig’.

In dat grote vertrouwen in de wetenschap zie ik ook nihilisme. Wetenschap is het favoriete gereedschap van de moderne nihilist, want met wetenschap in de hand kun je jouw – nog steeds behoorlijk toevallige – keuzes tot ‘evidence-based’ verklaren en dus superieur aan al het andere.

Het vertrouwen in wetenschap is een groot goed. Dat zeg ik als wetenschapper. En toch vind ik het hedendaags vertrouwen in de wetenschap vaak disproportioneel en het gebruik ervan misplaatst. 

Het gaat mis op twee punten. Ten eerste is de wetenschap in theorie foolproof, maar in de praktijk bijzonder gevoelig voor manipulatie, fraude en ander misbruik, zeker wanneer het over populaire onderwerpen gaat als onderwijs, voedsel, sport en mindfulness.

Maar er is nog iets: de moderne, atheïstische westerling overschat zichzelf. De nieuwe mens lijkt er volstrekt van overtuigd dat hij de eerste is die rationeel, helder – dankzij wetenschap – de waarheid kent. In werkelijkheid hebben we nog steeds last van dezelfde vertroebelingen van de geest waar onze verre gelovige voorvaderen ook aan leden. Bij het onderzoek naar mindfulness bijvoorbeeld zijn eigenlijk alle risicofactoren voor slecht onderzoek aanwezig: een onderwerp met een enorm placebo-effect, een heleboel slecht gecontroleerde studies, een hoog ‘hype’-gehalte. Het is een recept voor mislukkingen.

De afgelopen jaren komen er steeds meer papers aan het licht waarvan de conclusies, na het herhalen van de experimenten, geen stand houden. Het zijn de eerste signalen van een crisis, een reproduceerbaarheidscrisis. Die reproduceerbaarheid is een van de eigenschappen van robuuste wetenschap. Wanneer een ander, een onafhankelijk lab of onafhankelijke onderzoeksgroep, dezelfde experimenten uitvoert of dezelfde analyse doet dan moeten daar dezelfde resultaten uitkomen. Maar bij een grote replicatiepoging van een aantal prestigieuze studies uit het kankeronderzoek bleek een flink aantal ervan volstrekt andere resultaten of resultaten die niet te interpreteren waren op te leveren. Er zijn nu dertien papers waarvan de experimenten door onafhankelijke laboratoria werden herhaald. Van vijf studies bleken de resultaten volstrekt anders of niet te interpreteren.

Om wetenschap zo scherp en effectief mogelijk te krijgen hebben we hervormingen nodig in de manier waarop we wetenschap beoefenen. De kwaliteitscontrole concentreert zich nu voornamelijk op het beoordelen van elkaars werk (peer review) maar die nadruk zou in de toekomst moeten verschuiven naar replicatie. Iets zou pas geloofwaardig moeten zijn als het in meerdere labs en door meerdere onderzoeksgroepen gevonden is. We zouden de incentives, de belangen van wetenschappers, moeten verleggen van publiceren naar gedegen wetenschap. We zouden meer moeten samenwerken en minder concurreren, en de transparantie moet omhoog.

Maar het liefst zou ik ook graag iets willen veranderen aan de plek die wetenschap inneemt in onze maatschappij en in onze levens. We zouden de wetenschap terug in haar hok moeten sturen. Naar de plek waar zij van waarde is: bij het genereren van kennis en het testen van hypothesen.

Een hoop van de bewijslast moet overboord. De wetenschap hoort hooguit op de achtergrond te zoemen, bij onze publieke debatten, figurant te zijn bij het bestuur van dit land, en bij de inrichting van onze persoonlijke levens. Daarbij kan zelfs de gewone mediterende burger helpen; die zou de wetenschap ook simpelweg met rust kunnen laten en andere bronnen van kennis en geloofwaardigheid kunnen aanboren om zijn mindfulnessbehoeftes mee te legitimeren. Zijn ‘innerlijke kennis’ misschien?

Of hij zou als vanouds weer een goeroe kunnen gaan volgen. Denk aan een influencer, een beroemdheid, een ondernemer of een moderne heilige. Men zou gewoon weer eens wat kunnen proberen te geloven, in plaats van het bewezen willen zien. Het zou van grote zelfkennis getuigen.

Rosanne Hertzberger: Het grote niets

Dit is een voorpublicatie uit Het grote niets – Waarom we te veel vertrouwen hebben in de wetenschap van Rosanne Hertzberger (uitgeverij Prometheus | Nieuw Licht) dat deze week verschijnt. Hertzberger gaat erover in debat met Trudy Dehue (15 mei in het Academiegebouw, Rijksuniversiteit Groningen om 20.00 uur) en met Wim van Saarloos (KNAW), Victor Hoornweg en Rens Bod (17 mei in de Balie in Amsterdam, 20.00 uur).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden