Analyse

Waarom behandelaars van suïcidale patiënten naasten tegen de regels in buitensluiten

null Beeld Ricardo Tomás
Beeld Ricardo Tomás

‘Wij praten met uw dochter. Niet met u.’ Dierbaren van iemand met gedachten aan zelfdoding worden vaak niet betrokken bij de behandeling, terwijl de richtlijn dit wel voorschrijft. Waarom gebeurt het dan niet?

‘Tegen ons zei Dáoud: graven jullie mijn graf maar alvast, om vervolgens de psychiater te vertellen dat hij absoluut niet suïcidaal was. Tegen ons zei hij: ik ga die mafkees met zijn BMW die zo loopt te etteren helemaal in elkaar slaan, terwijl hij de psychiater overtuigde dat hij niet gewelddadig was. Bij ons ging Dáoud vaak door het lint. Hulpverleners gaf hij de indruk het allemaal onder controle te hebben. Maar het verhaal van zijn ouders deed er niet toe.’

Jaarlijks plegen 1.800 Nederlanders suïcide: 5 per dag. De behandelrichtlijn beveelt hulpverleners al sinds 2012 aan om de naasten van de patiënt te betrekken ‘bij elke fase van het onderzoek en de behandeling’. Ook de Landelijke Agenda Suïcidepreventie van het ministerie van VWS dringt aan op samenwerking tussen naasten en hulpverleners.

In de praktijk gebeurt dit niet of nauwelijks of wordt familie zelfs actief op afstand gezet, zegt Ida Bontius. Zij verloor haar dochter Charlotte in 2004 aan suïcide. Sindsdien is ze actief binnen de Ivonne van de Ven Stichting, die als doel heeft het aantal zelfdodingen terug te dringen. De Stichting verzamelde de afgelopen jaren vele verhalen van families die radeloos moesten toekijken hoe hun dierbare steeds verder afgleed. Zonder dat ze konden overleggen met een hulpverlener, zonder enige kennis over het verloop van het suïcideproces, soms zonder zelfs maar een telefoonnummer of naam van de behandelende psychiater of psycholoog. ‘Wij praten niet met u’, kreeg Bontius te horen als ze contact zocht met de behandelaars van haar dochter.

Bemoeizorg

Dat het met haar zoon Dáoud – destijds 30 jaar en met een eigen woning – niet goed ging, besefte Sylvia de Witt al een paar jaar. Hij gamede veel en raakte geïsoleerd. Op de dag dat ze erachter kwam dat haar zoon stemmen hoorde en hij tegen een vriendin had gezegd dat het voor hem allemaal niet meer hoefde, belde ze op advies van de huisarts met de GGD, afdeling ‘bemoeizorg’. Die is er speciaal voor mensen met psychische problemen die liever geen hulp willen, mensen zoals Dáoud.

Bemoeizorg maakt een ‘aantekening’, zoals dat heet. In drie maanden tijd belt De Witt zo’n tien keer terug. Om te vertellen dat ze bang is dat Dáoud zichzelf wat aandoet. Dat hij een gevaar op de weg is, omdat hij in psychotische toestand achter het stuur zit. Dat ze vreest dat hij iemand aanvliegt in zijn paranoia. Telkens wordt een aantekening gemaakt, maar op de vraag of de GGD bij haar zoon zal langsgaan of dat misschien al had gedaan, kreeg ze, vanwege de privacy, geen antwoord.

Als Dáoud allerlei spullen naar de woning van zijn ouders verhuist omdat hij niet meer thuis durft te zijn (er zit volgens hem afluisterapparatuur achter het plafond), komt hij na een bezorgd telefoontje van zijn ouders op het politiebureau terecht. Die hopen dat dit een keerpunt wordt nu de crisisdienst en een psychiater naar het bureau komen om met hun zoon te praten. ‘Dáoud vertelde hun dat hij in de gaten werd gehouden door een drone. Dat er chips in zijn lichaam zijn geïmplanteerd. Maar op de vraag van de psychiater of Dáoud die dronebestuurder of zichzelf wat aan zou willen doen, zei hij nee. En dus konden psychiater en de crisisdienst niets doen, zeiden ze.’ Want patiënten die geen gevaar vormen voor zichzelf of anderen mogen hulp afwijzen.

Of haar zoon ondertussen wel hulp kreeg van bemoeizorg mocht ze niet weten. Hij was immers volwassen en had recht op privacy. Maandenlang leeft Sylvia in angst. Elke keer als er een ambulance langs haar huis rijdt, vreest ze het ergste.

Bontius was als moeder beter af, in die zin dat ze wist dat haar dochter hulp kreeg en van wie. Maar als ze de hulpverleners van haar dochter belde, kreeg ze te horen: wij praten met uw dochter. Niet met u. Bontius: ‘Je zou denken dat behandelaars en de familie samen om de patiënt heen gaan staan om hem of haar door de crisis heen te slepen. Niets is minder waar.’

Meest effectieve preventiemaatregel

Samenwerking tussen behandelaars en familie kan helpen suïcide te voorkomen. Daarom staat het zo nadrukkelijk in de richtlijn, zegt Ad Kerkhof, emeritus hoogleraar klinische psychologie en suïcidepreventie aan de VU in Amsterdam. Kerkhof baseert zich op een Britse studie waarbij werd gekeken naar het effect op suïcidecijfers van een aantal preventieve maatregelen zoals de inzet van intensieve behandeling thuis, het instellen van 24-uurscrisisdiensten en het betrekken van dierbaren bij de behandeling door informatie uit te wisselen.

‘Het gaat dus om hele pakketten met preventieve maatregelen’, zegt Kerkhof. ‘Het effect van het betrekken van naasten is niet apart vast te stellen, maar het is meer dan plausibel dat het helpt. Het is vermoedelijk zelfs de meest effectieve preventiemaatregel die we hebben.’ Of zoals de overleden psychiater en oprichter van 113 zelfmoordpreventie Jan Mokkenstorm het uitdrukte: ‘Niemand is in zijn eentje in staat een zelfmoord te voorkomen. Alleen met elkaar kun je veiligheid en geborgenheid bieden, ook al gelooft de patiënt dat dan nog niet.’

Veel patiënten met een doodswens willen niet dat hun behandelaar contact heeft met de familie of partner. Op de site doodzonde.nl vertelt psychiater Jan Mokkenstorm hoe lastig het kan zijn. ‘Ik liet mij door de patiënt vertellen dat het niet nodig was zijn vrouw erbij te betrekken, à la minute. (…) Hij zei: weet je Jan, het is nu donderdag, ik zie jou maandag en dan kunnen we even kijken wanneer we mijn vrouw spreken. En dan pleegt die mijnheer zelfmoord. (…) Was ik nou maar trouw geweest aan het kookboek, de richtlijn, die zegt: betrek de naasten. Laat je niet van de wijs brengen.’

Terugtrekken

Als patiënten tegen de behandelaar zeggen: je mag niet met mijn familie of partner praten, is dat volgens hoogleraar suïcidepreventie Kerkhof veelal een teken aan de wand. ‘Als mensen suïcidaal zijn, trekken ze zich terug uit relaties, isoleren ze zich van familie en gaan ze na verloop van tijd denken: ik hoor er niet meer bij, ik ben iedereen tot last. Het laatste wat ze willen is dat de hulpverlening hun naasten ook nog eens lastig gaat vallen. Die gedachtengang is een kenmerkend onderdeel van het proces dat uiteindelijk tot suïcide leidt.’

Als behandelaars samenwerken met familie of partner, biedt dat dat de patiënt niet alleen de geborgenheid en verbondenheid die iemand met een doodswens nodig heeft om op andere gedachten te komen. Het geeft naasten ook de mogelijkheid signalen door te geven als het de verkeerde kant op gaat. Bontius: ‘Bijvoorbeeld als iemand allemaal dingen gaat weggeven waaraan hij gehecht is. Of opeens op bezoek gaat bij grootouders waar hij lang niet is geweest. Wat je ook vaak ziet, is dat er opeens een rust over iemand komt. Dat kan erop duiden dat hij in een suïcidaal proces zit en het eind van zijn leven aan het plannen is.’

Om die signalen te duiden, moeten familieleden en partners ze wel herkennen en kennis hebben van hoe het suïcideproces werkt. Ook die informatie krijgen ze via de hulpverlening niet of nauwelijks. ‘Je hebt geen enkel idee wat je moet doen, waar je op moet letten, dat er patronen zijn in suïcidaal gedrag’, zegt Thomas Huiberts. Hij verloor zijn moeder drie jaar geleden aan suïcide. Hij was toen 19 en woonde nog thuis. Hij zorgde er samen met zijn vader voor dat zijn moeder nooit alleen thuis was. En juist toen het beter met haar leek te gaan, bracht ze zichzelf om het leven.

null Beeld Ricardo Tomás
Beeld Ricardo Tomás

‘Er was geen site, geen hulpverlener die ons kon vertellen hoe je iemand tegen suïcide beschermt. Moet je je moeder de autosleutels afpakken? Of kun je haar vertrouwen als ze zegt dat ze zich niks aan zal doen? Als ik over suïcide had geweten wat ik nu weet, had ik anders gehandeld’, zegt Huiberts. ‘Ik had meer doorgevraagd, over hoe ze zich voelde. Dan had ik begrepen dat ze vond dat ze ons tot last was. Dat wij beter af zouden zijn zonder haar. Een waanidee natuurlijk, maar een heel gevaarlijk waanidee, weet ik nu. Ik dacht de laatste maanden van haar leven dat ze aan de beterende hand was. Nu begrijp ik dat je ook dan alert moet zijn omdat zo’n suïcidewens onderhuids kan doorwoekeren.’

Hulpverleners hebben beroepsgeheim en mogen de privacy van de patiënt niet schaden. Dat laten psychiaters en psychologen vaak zwaarder wegen dan hun zorgplicht. ‘Soms met dodelijke afloop’, constateert hoogleraar Kerkhof bitter. ‘De zorgplicht zou eigenlijk altijd voorrang moeten krijgen’, vindt hij. ‘Het gaat hier wel over leven en dood.’

En zonder de hulp van familie, partners of vrienden kan de hulpverlener de patiënt – die hij vaak een keer per week ziet – onvoldoende beschermen. Het is de familie die vaak 24 uur per dag waakzaam is, die erop aandringt dat de patiënt zijn medicijnen neemt en de afspraak met de psychiater nakomt. Het zijn de dierbaren die in het holst van de nacht aan het bed van de patiënt zitten als hij een mislukte poging heeft gedaan. ‘De hulpverleners zijn passanten in het leven van de patiënt. De familie is er voor altijd’, aldus Bontius.

Juridische stappen

Het grootste struikelblok is dat hulpverleners bang zijn voor mogelijke juridische stappen indien ze tegen de wil van de patiënt in handelen. ‘Behandelaars willen dat risico niet lopen’, zegt familievertrouwensarts Wim Van Lierop op de site Doodzonde.nl. ‘Daardoor heeft de cliënt een soort vetorecht. Het belang van de privacy is doorgeschoten.’ Op de site vertellen hulpverleners hoe ze soms worstelen met de afweging, die hoe dan ook gemaakt moet worden. Want de richtlijn vindt het contact met de familie en naasten weliswaar belangrijk, maar het moet wel ‘te verantwoorden zijn binnen de grenzen van het beroepsgeheim’.

Wat extra knelt, is dat psychologen en psychiaters suïcide vaak niet als hun kernactiviteit zien. Ze behandelen depressies, dwangstoornissen, psychoses enzovoorts. Suïcidaliteit wordt gezien als ‘ongelukkig bijverschijnsel’, zegt hoogleraar Kerkhof. ‘Behandelaars denken vaak dat de suïcidaliteit wel over gaat als de depressie of de angststoornis is behandeld. Helaas is dat niet altijd zo. Zeker niet als mensen eerder een depressieve periode hebben doorgemaakt. Dan kan de suïcidaliteit ondergronds gaan. Zoals het herpesvirus de kop opsteekt als je koorts krijgt of vermoeid bent, zo kan suïcidaliteit weer terugkeren als zich tegenslag voordoet zoals een echtscheiding of ontslag. Aan die kennis ontbreekt het veel hulpverleners.

‘Er zit een groot gat in de opleiding psychologie, ook in de postdoctorale opleidingen. Als ik nascholingscursussen geef, merk ik elke keer weer hoe weinig kennis er is over suïcide en hoeveel taboes en vooroordelen er nog zijn. Zoals het idee dat zelfdoding een bewuste keuze is. Of dat mensen met een doodswens toch niet te stoppen zijn, wat je ook doet.’

Vermeende achtervolgers

Op de dag van zijn dood komt Dáoud bij zijn ouders thuis. Zijn moeder Sylvia: ‘Hij was die nacht naar Rotterdam gereden om aan zijn vermeende achtervolgers te ontkomen. Ik zag zoveel angst in zijn ogen. Hij wilde met mij vluchten naar België. Ik begon te huilen en zei: ga je alsjeblieft mee naar de huisarts. Waarop hij zei: nee mam, dit is de realiteit. Hier is geen medicijn voor. Toen ik niet met hem mee wilde, zei hij: ik los het zelf wel op. Later die ochtend kwam de politie, met de woorden: we hebben uw zoon gevonden.’

De hulp waar Sylvia voor haar zoon om had gevraagd, is waarschijnlijk nooit gekomen. Op de dag van zijn overlijden vinden ze in het huis van Dáoud boven op een stapel ongeopende post een briefje van de GGD. ‘Geachte mijnheer. We hebben vernomen dat u zich in een onveilige situatie bevindt. Kunt u over twee weken contact met ons opnemen?’

Praten over gedachten aan zelfdoding kan bij de crisislijn van 113 Zelfmoordpreventie. Bel 0800-0113 voor een gesprek. U kunt ook chatten op 113.nl.

Wat kunnen zorgverleners doen om naasten te helpen bij het begeleiden van hun geliefde met een doodswens?

Uitleggen dat het zinvol is om suïcidale gedachten bespreekbaar te maken.

Uitleggen hoe het suïcidale proces vaak verloopt, zodat de naaste kan zien wanneer het met zijn geliefde de verkeerde kant opgaat.

Naasten stimuleren om de patiënt te helpen een steunnetwerk op te zetten.

Met naasten een veiligheidsplan opstellen.

Afspraken maken over bereikbaarheid en communicatie (voor het geval zich een crisis voordoet).

Naasten vragen de cliënt te helpen met het innemen van medicatie en het onthouden van afspraken.

Het betrekken van de naasten bij therapeutische sessies. Bijvoorbeeld om te leren hoe ze hun geliefde het beste kunnen steunen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden