Boeken Seksuele evolutie

Waarom al die mannetjes-fratsen? Om de vrouwtjes te plezieren

Waarom hebben mannetjesdieren van die spectaculaire staarten, kleurrijke kuiven en andere fratsen? Om de vrouwtjes te plezieren, stelt Richard Prum. 

Beeld Claudie de Cleen

Een recente tekening van Dick Tuinder in De Groene Amsterdammer verbeeldt een nog altijd prangend mysterie van de evolutie. Verbouwereerd staart een stel pinguïns naar een soort carnavalskip – een paars, oranje en groen gekleurde vogel uitgedost met extravagante koppluimen en breed uitwaaierende staartveren. Waarom zijn bij veel diersoorten de meest uitzinnige ornamenten te zien, meestal alleen bij mannetjes?

Charles Darwin brak zich na het ontvouwen van zijn theorie van evolutie door natuurlijke selectie – kort gezegd: de exemplaren overleven en planten zich voort die het best aan de omgevingsomstandigheden zijn aangepast – het hoofd over het probleem. De uitvergrote geweien van zeg mannetjes-edelherten zouden volgens Darwin zijn geëvolueerd omdat mannetjes met die geweien strijden om controle over de vrouwtjes. Terwijl de lange en bijna hallucinerend met tientallen ‘oogvlekken’ versierde staartveren van de pauwhaan het evolutionaire resultaat zouden zijn van een kennelijke ‘smaak’ van vrouwtjes voor zulke staarten. Darwin noemde het evolutionaire mechanisme waarmee zowel strijdwapens als ‘schoonheid’ tot stand komen ‘seksuele selectie’, een proces náást natuurlijke selectie.

Evolutiebiologen hebben sindsdien weinig problemen gehad met mannetjeswapens, maar met die tweede vorm van seksuele selectie wél. Waarom toch kiezen vrouwtjes voor spectaculaire staarten, maar ook kleurrijke kuiven, ingewikkelde dansjes, en zelfs geluiden en geuren waarmee mannetjes kennelijk een vrouwtje tot paring willen verleiden, om zo die seksuele selectie uit te oefenen? Darwin dacht aan een puur esthetische keuze van vrouwtjes – wat ze mooi of plezierig vinden. Maar waarin ligt dan het evolutionaire nut van zo’n keuze, werd de hamvraag in het onderzoek naar al die mannetjes-fratsen, dat vanaf rond 1980 populair werd. 

De basisgedachte werd dat mannetjes daarmee een signaal afgeven over ‘goede genen’. Zo kon een enorme staart, een handicap in de overleving, laten zien dat een mannetje uitzonderlijk vitaal is. Met felle kleuren toonde hij zich vrij van parasieten. Zware stem: grote en sterke vent. Symmetrische lichaamskenmerken: weerstand tegen misvormende ziekten. Allemaal zaken waarin vrouwtjes geïnteresseerd zijn, evolutionair gezien, omdat zij daarmee goed nageslacht krijgen. En omdat eicellen van vrouwtjes beperkt in aantal zijn, terwijl mannetjes-sperma nagenoeg ongelimiteerd is, zijn vrouwtjes kieskeurig in de partnerkeuze – in de natuur wordt, net als in de economie, wat schaars is duur verkocht.

Uiteindelijk strandde het goede-genendenken in een moeras van studies van uiteenlopende diersoorten waarbij een verband tussen mannetjes-ornamenten en goede genen simpelweg niet te vinden was.

De evolutie van schoonheid – Hoe Darwin en de seksuele evolutie de dierenwereld en ons hebben gevormd

***

Richard O. Prum; Spectrum; 496 pagina’s

€ 39,99

(The Evolution of Beauty. Random House; 448 pagina’s; € 15,95.)

Geen wonder, stelt hoogleraar ornithologie aan de Amerikaanse Yale-universiteit Richard Prum in zijn vorig jaar verschenen en nu vertaalde The Evolution of Beauty, want de gevestigde evolutiebiologie heeft het mis. Prum baseert zich in zijn rijk geïllustreerde boek – een van de New York Times top-10 beste boeken van 2017 – op dertig jaar onderzoek naar onder meer manakins, drukke kleine vogels van de jungle van Midden-Amerika. De mannetjes van de ruim vijftig soorten manakins zijn soms felgekleurd, dan weer voeren ze in bizarre paringsdansen heuse moonwalks uit, of ‘zingen’ ze met vleugelgeklapper.

Zoveel tactieken om een vrouwtje te verleiden binnen zo’n nauwverwante diergroep maken het volgens Prum onwaarschijnlijk dat deze een boodschap overbrengen over het mannetje – wat zegt een moonwalk over genetische kwaliteit? Prum probeert aannemelijk te maken dat seksuele selectie op mannelijke ornamenten wordt aangedreven door wat vrouwtjes zomaar willekeurig aantrekkelijk vinden, punt.

Prum stoft dus de esthetische voorkeur van Darwin af. De moderne evolutiebiologie heeft Darwins ideeën over seksuele selectie onterecht vergeten, sneert hij herhaaldelijk. Maar Darwin wist niets van genen. Inmiddels weten evolutiebiologen dat evolutie plaatsvindt wanneer bepaalde genen een bepaald voordeel met zich meebrengen. Prum bespreekt de theorie waarin voor de overleving gunstige kenmerken kunnen worden uitvergroot tot nutteloze en zelfs schadelijke ornamenten, door een soort samenspel van de genen verantwoordelijk voor een voorkeur voor dat kenmerk en die voor de ontwikkeling ervan.

Bij bepaalde insecten lijkt zoiets ook aan de hand. Prum denkt dat zulke processen veel algemener zijn dan tot nu gedacht, maar zijn agenda reikt verder. Aan de hand van allerlei voorbeelden uit vooral de vogelwereld ontvouwt hij zijn idee dat veel mannetjesornamenten draaien om het verhogen van de vrouwelijke seksuele autonomie – vrijheid om te paren met wie ze aantrekkelijk of plezierig vindt, zonder daarbij agressie te hoeven ondergaan. Het is nogal wat, zeker in tijden van #MeToo – Prum noemt zijn standpunt zelf ook feministisch.

Uiteindelijk waagt hij zich aan een nieuwe kijk op de menselijke seksualiteit (de penis is een ornament, de vrouwelijke seksuele autonomie verklaart homoseksualiteit). Alleen lijkt deze, afgezet tegen decennia evolutionair-psychologisch onderzoek, nogal onwaarschijnlijk. Dat is ook meteen een belangrijk probleem van Prums op zich moedige poging om het mainstreamdenken over seksuele selectie uit te dagen: hij negeert simpelweg veel degelijk onderzoek dat zijn visie ondermijnt. Ook gaat Prum nauwelijks in op waarom precies vrouwtjesdieren een man zomaar aantrekkelijk zouden kunnen vinden, wat schoonheid precies is.

In het in februari verschenen A Taste for the Beautiful van hoogleraar zoölogie aan de universiteit van Texas Michael Ryan, gaat het wél over die schoonheid. Ryan introduceert in zijn boek het idee van zogeheten ‘zintuiglijke uitbuiting’ (sensory exploitation), waarvan hij een van de ontdekkers is. Hij baseerde zich daarbij op zijn carrièrelange onderzoek naar de túngara-kikker uit het Panamese oerwoud. Túngaramannetjes kwaken nachtenlang om paringsbereide vrouwtjes naar zich toe te lokken. Het voortgebrachte geluid bestaat uit een gierende uithaal, gevolgd door enkele plofjes. In slimme experimenten ontdekte Ryan dat de plofjes de mannetjes vele malen aantrekkelijker maken voor vrouwtjes dan wanneer zij alleen met het gierend geluid kwaken. Ryans essentiële vondst is dat de geluidszintuigen van vrouwtjestúngara’s speciaal gevoelig zijn voor de toonhoogte van plofjes. De theorie is nu dat de roep van mannetjestúngara’s door toevoeging van de plofjes geëvolueerd is om te profiteren van deze al aanwezige verborgen voorkeur van vrouwtjes.

Ryan geeft diverse voorbeelden uit de dierenwereld waarin zintuiglijke uitbuiting zou kunnen spelen. Zelfs neurale netwerken op een computer blijken gevoelig voor deze ‘neuro-esthetica’: getraind op asymmetrische voorwerpen, ontwikkelen zij toch een voorkeur voor symmetrische objecten. Zogeheten supernormale prikkels, het extra sterk reageren op uitvergrote versies van signalen, zouden erdoor kunnen worden verklaard. De ietwat sinistere vorm van evolutie zou weleens algemeen kunnen zijn, wil Ryan maar zeggen – ook bij de mens, waarbij hij onder meer porno aanhaalt.

Beide boeken – dat van Prum wat vlotter en kleurrijker geschreven, Ryans droger maar en passant een boeiende inkijk gevend in hoe het gedragsbiologische onderzoek eraan toegaat – schetsen een intrigerend overzicht van het moderne seksuele selectie-onderzoek. Duidelijk is in elk geval dat de evolutiebiologie er met seksuele aantrekkingskracht nog niet uit is. En misschien is dat maar goed ook. 

A Taste for the Beautiful – The Evolution of Attraction

***

Michael J. Ryan
Princeton University Press; 208 pagina’s

€ 29,95

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden