biologie

Waar de mens kwam, stierven de grote dieren uit? Over dat populaire idee zijn onderzoekers verdeeld tot op het bot

null Beeld Van Santen & Bolleurs
Beeld Van Santen & Bolleurs

Zodra de mens ergens voet aan wal zette, joeg hij de sabeltandtijgers, mammoeten, reuzenkangoeroes en andere grote zoogdieren de dood in. Het is een populair verhaal, maar klopt het ook? Over die vraag vliegen onderzoekers elkaar in de haren.

Biefstuk zover het oog reikt. Daar moet Australië een beetje op hebben geleken voor de eerste mensen die er zo’n 50 duizend jaar geleden voet aan wal zetten. Reuzenkangoeroes, wombats zo groot als koeien en sappige loopvogels, die nooit van hun leven een mens hebben gezien. Met al dat lekkers in zicht laat het vervolg zich raden.

Zo gaat althans het welbekende verhaal, onlangs nog populair gemaakt in de bestseller Sapiens van Yuval Noah Harari. Prehistorische overkill noemde zoöloog Paul Martin het idee, dat hij in 1966 voor het eerst in wetenschappelijke kringen opwierp. Martin liet op presentaties vaak een bijzonder plaatje zien: telkens wanneer mensen arriveerden op een ongerept continent, holde het aantal zoogdiersoorten daar achteruit. Dat doet denken aan wat er nu op aarde gebeurt: sinds de jaren zeventig hebben mensen de resterende tijgers, walvissen en neushoorns op de rand van uitsterven gebracht.

Maar Martins overkill-idee is altijd omstreden geweest. Of de prehistorische mens in hoog tempo diersoorten afslachtte tot uitsterven aan toe, is in de wetenschap allesbehalve een uitgemaakte zaak. In Martins tijd waren er meteen twijfels en wie het nieuwste onderzoek leest over uitsterfgolven van mammoeten, holenleeuwen en grondluiaards, komt nog steeds tegenstrijdige studies tegen: de ene week wijzen onderzoekers de mens aan als hoofdverantwoordelijke, de andere week slaat de balans uit naar een natuurlijke klimaatomslag.

‘Het debat is zeker gepolariseerd’, beaamt Mathew Stewart van het Max Planck Instituut in Jena, die zelf recentelijk concludeerde dat in Noord-Amerika toch niet zo’n slachtpartij moet hebben plaatsgevonden als eerder werd gedacht. Tegenstanders in het debat verdragen elkaar nauwelijks: ze geven pittig commentaar wanneer ze elkaars werk beoordelen voorafgaand aan een wetenschappelijke publicatie, volgens ingewijden tot op het muggezifterige af.

Er staat ook wat op het spel. De aard van de mens, om maar wat te noemen. Leefden de eerste volkeren in Amerika, Europa en Australië in balans met de natuur? Of hadden mensen hun verwoestende trekjes al vroeg in de prehistorie en brandden ze achteloos de jachtvelden plat terwijl de mammoetlapjes boven het kampvuur gaarden?

Die vraag heeft gevolgen. Zetten we uit schuldgevoel in het laboratorium gefokte mammoeten uit in de natuur, zoals enkele ambitieuze projecten beogen, vraagt hoogleraar dierarcheologie Lisa Nagaoka zich af in het blad Ecology and Evolution. Moeten de Oostvaardersplassen lijken op de graslanden die er kort na de ijstijd waren? ‘Als mensen denken dat het onze verantwoordelijkheid is om de fouten van de mensheid in de prehistorie te repareren, bepaalt dat wat we met de huidige natuur doen.’

Bosolifant buiten het raam

Het zou kunnen dat sommige ijstijdfauna eigenlijk al aan de afgrond stond toen de mens verscheen, zegt Stewart. Er sterven immers wel vaker dieren uit na klimaatschommelingen. De mens gaf dan hooguit het laatste zetje, maar was volgens Stewart niet altijd en overal de hoofdverantwoordelijke, schrijft hij in zijn analyse in Nature Communications. Leefgebieden krompen misschien al bijvoorbeeld voor de mastodont, een Amerikaanse verre neef van de mammoet die het liefst in almaar verdwijnende bossen graasde.

Maar draai het eens om, zegt evolutiebioloog Søren Faurby van de Göteborg-universiteit in Zweden. ‘Natuurlijk is klimaat een factor. Alleen moet je je afvragen: als mensen er níét waren geweest, zouden sommige diersoorten dan tot vandaag hebben geleefd? Zonder mensen hadden er nu in Nederland Europese bosolifanten gelopen, met rechte slagtanden.’

Die regel geldt volgens Faurby bijna overal ter wereld: hij werkte mee aan een recente studie in Science Advances die voorrekent dat op elk continent waar de mensheid verscheen, het uitsterftempo daarna enorm versnelde. ‘Al die dieren hebben tig ijstijden zien komen en gaan, maar met de mens erbij redden ze het plots niet meer. Dat lijkt me geen toeval.’

Het is nogal een verschil: per ongeluk het haast onvermijdelijke noodlot een zetje geven of eigenhandig de afgrond graven. In zekere zin praten de twee kampen langs elkaar heen, stelt dierarcheoloog Nagaoka. Het zijn vooral biologen en ecologen die de mens een vernietigende rol toekennen en daarover schrijven in ecologievaktijdschriften, terwijl de archeologen vaker een mengelmoes van klimaat en mens als uitsterfoorzaak aanwijzen en daarover publiceren in archeologiebladen. Naar elkaars vakbladen verwijzen doen ze nauwelijks, ziet Nagaoka, zelfs niet als het om onderzoeken gaat die hun gelijk bevestigen.

Natuurlijk zijn ze er, de onbetwistbare gevallen waarin jager-verzamelaars het de aanwezige fauna knap lastig maakten. Daarover zijn beide partijen het eens. Toen de Maori bijvoorbeeld zevenhonderd jaar geleden met kano’s het ongerepte Nieuw-Zeeland bereikten, roeiden ze binnen honderd jaar alle grote loopvogels uit, waaronder de drieënhalve meter hoge moa.

Minder doorslaggevend, maar ook best verdacht is het Clovisvolk in Noord-Amerika, dat zich zo’n 13 duizend jaar geleden specialiseerde in de jacht op mammoeten, grondluiaarden en bizons. Opgravingen onthullen niet alleen hun jachtgereedschap, maar ook de prooibotten waarvan het vlees is geschraapt. In Zuid-Amerika, waar klimaatverandering minder ingrijpend is geweest, valt een uitsterfgolf aan reuzengordeldieren en paarden samen met de vondst van scherpe speerpunten, stellen Argentijnse onderzoekers afgelopen maand in Nature Communications.

Maar dat zijn de uitzonderingen. Direct bewijs voor overmatige jacht of natuurvernietiging valt niet zo makkelijk op te graven. Uiteindelijk proberen onderzoekers met niet meer dan een handjevol fossielen en botten te schatten hoeveel mensen en dieren ergens leefden, en de informatie wisselt per diersoort en gebied, zegt Stewart. Ook onhandig is dat die Clovis-jachtresten van onder meer mammoetbotten en andere uitgestorven dieren zeldzaam zijn, schrijft archeoloog David Meltzer onlangs in het wetenschappelijk tijdschrift PNAS. Bejaagde bizonbotten zijn dan weer talrijk, maar laat dat nou juist een diersoort zijn die níét uitstierf.

null Beeld Van Santen & Bolleurs
Beeld Van Santen & Bolleurs

Blitzkrieg

Een ander probleem is dat onderzoekers niet bepaald ver terug kunnen kijken in de tijd. Dat maakt het moeilijk om te zeggen of het einde van de laatste ijstijd een extremere omslag vormde voor mammoeten en mastodonten dan de tientallen eerdere ijstijden die ze overleefden, schrijft Meltzer.

Het idee dat overal waar homo sapiens binnenliep zijn komst direct leidde tot uitsterfgolven, geldt bovendien niet op elk continent, zegt paleobioloog Larisa DeSantis van Vanderbilt University in een videogesprek. In de recentste studie daarnaar, waaraan Faurby meewerkte, wijst ze erop dat het soms verdraaid lang duurt voordat er iets van een uitstervingsversnelling te zien is. ‘In Australië zie je dat mensen er tienduizenden jaren leefden en er eigenlijk niks bijzonders gebeurde. Ik snap dan niet dat je kunt concluderen: ziehier de invloed van de mens. Ik ben niet zo naïef om te zeggen dat mensen geen enkele invloed hebben gehad, maar we weten gewoon te weinig om te kunnen zeggen: de mens was altijd en overal schuldig.’

Vijftien jaar geleden gingen onderzoekers nog uit van een ‘blitzkrieg’ in Australië, vertelt DeSantis. Dat wil zeggen: de mens kwam, zag en roeide binnen duizend jaar meer dan twintig soorten uit, jagend of het land platbrandend. ‘Toen ik er onderzoek ging doen, had ik nog geen idee in wat voor controverse ik zou belanden’, zegt DeSantis. Het team waarin ze werkte, vond namelijk iets dat op het tegenovergestelde van een blitzkrieg zou kunnen wijzen.

In het opgedroogde meer Cuddie Springs troffen ze zowel menselijke gereedschappen aan als botten van onder meer reuzenkangoeroes, die gedurende duizenden jaren de bodem in zijn gespoeld. Dat doet het archeologenteam vermoeden dat mensen al die tijd naast deze dieren moeten hebben geleefd – zonder ze uit te roeien. Volgens critici zijn de grondlagen door elkaar gehusseld, dus kan niemand weten of mens en dier echt samenleefden.

Bewijzen hoe en of de twee elkaar tegenkwamen gaat nog knap lastig worden, zegt paleontoloog Scott Hocknull van Queensland Museum in een videogesprek. De populaire opgraaflocaties voor de allereerste menselijke bezoekers liggen in het noorden van het continent, waar de eerste mensen arriveerden. Dat is op duizenden kilometers afstand van de beste locaties om dieren uit dezelfde tijd te vinden, dus de twee disciplines werken langs elkaar heen.

Hocknull: ‘Reken maar dat als je onderzoeksgeld aanvraagt voor een studie, dat je gaat graven op een plek waar je zeker wat vindt. Met dit graaftempo duurt het eeuwen voordat ze bij elkaar komen.’

De beestenboel moet hoe dan ook voor de eerste aboriginals een gek gezicht zijn geweest, zegt Hocknull. ‘Er liepen ook meterslange hagedissen bij en een krokodil met een soort maliënkolderbepantsering op zijn rug. Dat zijn praktisch dinosaurussen. Geen beesten die je zomaar bejaagt.’

En goed bewapend waren die eerste kolonisten, die vanuit Papoea-Nieuw-Guinea kwamen, niet. Ze hadden vooral vissersmaterialen en vuistbijlen. ‘Wat kun je doen, op zo’n hagedis knuppelen? Forget it, ze zouden je levend opvreten.’ Precies omdat de Australische dieren levensgevaarlijk waren, kan het volgens Hocknull nog weleens moeilijk zijn om te stellen dat de eerste mensen vreedzaam met deze dieren leefden. Voor hetzelfde geld bleven ze liever ver uit hun buurt.

Toch blijft het knagen: waarom zijn die metershoge kangoeroes en buidelleeuwen er dan niet meer? Australië was in de laatste ijstijd een stuk groener, maar droogde daarna flink uit, denken DeSantis en Hocknull. De omslag is zo snel gegaan dat het veel dieren de kop moet hebben gekost, concluderen beiden in afzonderlijke studies.

Al kán de mens ook hier een zetje hebben gegeven. Hocknull vermoedt dat mensen, eventueel uit angst, de Australische reuzendieren begonnen te verdrijven met vuur, al benadrukt hij hiervoor geen bewijs te hebben. De vuren zouden de leefgebieden van de dieren hebben verkleind en misschien zelfs de verdroging van het continent kunnen hebben versneld.

Er is één plek waar mogelijk antwoorden liggen, denkt Hocknull: op de zeebodem tussen Australië en Nieuw-Guinea. ‘In de tijd dat de eerste mensen naar Australië kwamen, lag de zeespiegel 100 meter lager. Je had er meren en land tussen de continenten, en die dieren liepen daar ook gewoon. Zet maar een duikfles op je rug, zwem naar 100 meter diepte en ga graven. Wie dat doet, gaat misschien een antwoord vinden.’

Naam: Reuzenwombat (Diprotodon optatum)

Wanneer: Vanaf 1,6 miljoen tot 44.000 jaar geleden

Waar: Australië

Bijzonderheden:

-Met zijn lengte van 3,5 meter en schouderhoogte van 2 meter was de reuzenwombat Diprotodon zo groot als een neushoorn op hoge poten, en daarmee het grootste buideldier dat ooit heeft geleefd (en weer uitstierf).

-Nog wel levend is zijn nauwst verwante neef, de wombat, een aaibaar buideldiertje. Wombats staan bekend om het feit dat ze kubusvormige drollen uitpoepen. Paleontologen twijfelen of Diprotodonten dat ook konden.

-Mensen hebben mogelijk de reuzenwombats verdreven, maar het opdrogen van het Australische continent leidde ertoe dat het voedsel voor Diprotodonten verdween.

Naam: Reuzenhert (Megaloceros giganteus)

Wanneer: Vanaf 400.000 tot 7.000 jaar geleden

Waar: Van de Britse eilanden en Nederland tot diep in Siberië

Bijzonderheden:

-Handig kan het niet geweest zijn, om het grootste gewei van alle herten óóit op je kop te dragen. Maar Megaloceros giganteus (letterlijk: gigantisch megagewei) deed het. Het gewei van dit reuzenhert was even breed als een kleine auto lang is: 3,5 meter.

-Uitzonderlijk is dat paleontologen dankzij grottekeningen een idee hebben van hoe het reuzenhert eruitzag: lichtbruin met een zwarte lijn over de rug. Misschien had het reuzenhert zelfs een vetbult zoals een kameel, maar dan tussen de schouders.

-Vroeger dachten paleontologen dat het reuzenhert uitstierf door zijn onhandige gewei, maar het kan ook liggen aan de smaak van reuzenhertbiefstuk, die oermensen goed moet zijn bevallen.

Naam: Reuzengrondluiaard (Megatherium americanum)

Wanneer: vanaf 5 miljoen tot 10.000 jaar geleden

Waar: Zuid-Amerika

Bijzonderheden:

-De reuzengrondluiaard leek maar weinig op de luiaarden van tegenwoordig: in plaats van klein en hangend in bomen, was Megatherium zo groot als een olifant en zou geen boom het gewicht van deze luiaard houden.

-De relatief koele bossen en graslanden waar reuzengrondluiaarden graag vertoefden, krompen aan het eind van de laatste ijstijd, maar mensen lustten ook graag een lapje luiaard – dat kan ze over de afgrond hebben geduwd.

-Avocadoplanten bestonden waarschijnlijk dankzij de grondluiaard, die de avocado’s doorslikten en de gigantische pitten ergens anders uitpoepten, denken paleontologen. Als mensen de avocado niet onder handen hadden genomen, was de plant waarschijnlijk ook uitgestorven.

Naam: Haasts arend (Hieraaetus moorei)

Wanneer: 700.000 jaar geleden tot het jaar 1400

Waar: Nieuw-Zeeland

Bijzonderheden:

-Dood vanuit de lucht: in Nieuw-Zeeland was dat zelfs voor de grootste landdieren een gevaar. Haasts arend, de grootste roofvogel ter wereld, plukte genadeloos zijn prooien van de grond, die vaak zelf ook al metersgroot waren.

-De arend woog zo’n 15 kilo – dat is voor een vliegende vogel aan de zware kant. De klauwen en snavel van Haasts arend waren zo scherp, dat ze met gemak op dieren konden jagen die tien tot vijftien keer hun eigen gewicht hadden.

-Mensen hebben Haasts arend meegemaakt. De Maori arriveerden rond het jaar 1300 op de eilanden en begonnen op de favoriete snacks van Haasts arend te jagen, waardoor de roofvogel geen voedsel meer overhield. Honderd jaar later was roofvogel uitgestorven.

Naam: Megalania (Varanus priscus)

Wanneer: 1,5 miljoen tot 50.000 jaar geleden

Waar: Australië

Bijzonderheden:

-Als de mens ooit iets dinosaurusachtigs is tegengekomen, dan moet het de Megalania zijn geweest. Met 5 meter lengte is het grootste hagedis die ooit heeft geleefd, voor zover bekend.

-Megalania stond waarschijnlijk in bosjes te wachten tot er een sappige kangoeroe voorbij kwam en sloeg dan plotseling toe, net zoals zijn neef de komodovaraan tegenwoordig bij herten doet.

-Áls de eerste mensen in Australië het lef hadden om op Megalania te jagen, konden ze het beest in elk geval bijhouden: paleontologen hebben berekend dat de hagedis korte sprintjes van hooguit 10 kilometer per uur kon trekken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden