Vrijheid begint met fantasie

Als we ons vrij willen voelen, moeten we ons leven in overeenstemming brengen met onze wil. Dat klinkt voor de hand liggend, maar vaak is het niet zo eenvoudig om de wil te kennen, zegt Peter Bieri: ‘Zelfs je wil hangt samen met je levensgeschiedenis.’..

Een paar keer in zijn leven koos filosoof Peter Bieri radicaal voor de vrijheid. Als jonge man ontvluchtte hij het bekrompen Zwitserland van zijn jeugd. Hij nam de trein naar Londen om een vrouw achterna te reizen.

Nog belangrijker was de beslissing romans te gaan schrijven, onder het pseudoniem Pascal Mercier.

Bieri was midden 40 en een gearriveerd hoogleraar filosofie in Berlijn. Hij bracht een sabbatical door in een idyllisch Italiaans huis, waar hij een academisch werk over de vrijheid zou schrijven. Op zijn bureau stonden alle relevante filosofische boeken, van Sartre tot Kant. Zelf voelde hij zich echter onvrij, opgesloten in de mores van zijn vakgebied. ‘Ik kwam er steeds meer achter dat ik geen eigen stem had. Ik kletste de vaktijdschriften en boeken na.’

Daarop besloot hij tot een experiment. Hij gunde zichzelf veertien dagen om een fictieve vertelling te schrijven. Het resultaat overtuigde hem. Hij borg zijn filosofische boeken op en schreef zijn eerste roman, Perlmanns zwijgen, over een hoogleraar met een writer’s block.

‘Dat was de belangrijkste vrijheidservaring van mijn hele leven. Voor de eerste keer deed ik iets helemaal voor mezelf. Daarna heeft mijn leven een andere wending genomen. Ik ben hoogleraar gebleven, maar kreeg daarnaast een ander leven als romanschrijver.’

Het dooit in Berlijn. Op straat ligt een onvriendelijk mengsel van pap en aangetrapte sneeuw. Bieri woont in een ommuurde villa in een mooie, lommerrijke buitenwijk van de Duitse hoofdstad. Op 9 april is hij een van de hoofdsprekers in de Nacht van de Filosofie. Bieri schreef een belangrijk boek over het thema van de Maand van de Filosofie: Het Handwerk van de Vrijheid, over de ontdekking van de eigen wil.

Ook in zijn bekendste roman, Nachttrein naar Lissabon, speelt vrijheid een centrale rol. Op een dag loopt de hoofdpersoon, de 57-jarige leraar klassieke talen Raimund Gregorius, plotseling zijn klas uit om naar Lissabon te reizen. Hij neemt letterlijk afstand, om van verre te onderzoeken wat er van zijn leven is geworden. Een mens kan slechts vrij zijn als hij regelmatig – letterlijk of figuurlijk – ‘de trein neemt’, zegt Bieri, en nadenkt over de vraag of zijn leven nog wel overeenstemt met zijn wil.

Vrijheid en vrije wil behoren tot de klassieke thema’s van de filosofie. Volgens sommige filosofen is de mens tot vrijheid veroordeeld. Hij moet zijn eigen identiteit kiezen, of hij dat nou leuk vindt of niet. Anderen menen dat het leven wordt bepaald door factoren als aanleg, afkomst en levensgeschiedenis. Vrijheid is een illusie. Het leven overkomt ons en achteraf maken we onszelf wijs dat we het zo hebben gewild.

Peter Bieri laveert tussen deze klippen door. Van een onbeperkte, onvoorwaardelijke vrijheid kan geen sprake zijn. We worden nu eenmaal ingeperkt door onze levensgeschiedenis. We zijn wie we zijn geworden. Daar valt niet zo maar een streep door te halen.

Bovendien is onze wil evenzeer verbonden met onze levensgeschiedenis. Een skileraar zal niet zo snel besluiten filosoof te worden, tenzij hij altijd al van de wijsbegeerte heeft gehouden. Maar een werkelijk vrije wil, die alle kanten op kan, zou ons spookachtig voorkomen. We zouden haar niet als onze eigen wil herkennen, stelt Bieri.

Dat betekent echter niet dat we onvrij zijn. In vrijwel elke situatie kunnen we kiezen uit een aantal mogelijkheden. Daarin brengen we onze vrije wil tot uitdrukking.

Maar als we ons ook vrij willen voelen, moeten we ons leven in overeenstemming brengen met onze wil. Dat klinkt voor de hand liggend, maar vaak is het helemaal niet zo eenvoudig om de wil te kennen.

Bieri geeft het voorbeeld van iemand die altijd voor anderen klaar staat, waardoor hij geen tijd heeft zijn artistieke dromen na te jagen. Maar wat wil deze persoon werkelijk? Komt zijn altruïsme voort uit de angst om buitengesloten te worden? Of berust de wens om kunstenaar te worden slechts op het verlangen te ontsnappen aan knellende sociale verplichtingen? Weet hij, diep in zijn hart, dat hij niet genoeg talent heeft om kunstenaar te worden? Wie zelfbedrog ontmaskert en helder over zijn motieven nadenkt, kan een nieuw evenwicht bereiken, aldus Bieri.

Vrijheid begint met de fantasie, zegt. ‘Iedereen heeft weleens de gedachte: nu heb ik zo veel tijd in een zekere plaats, in een zekere taal, in een zekere cultuur doorgebracht, omdat mijn familie in dit land is geboren. Veel van wat mijn identiteit heeft gevormd is toevallig. Ik heb er niet voor gekozen, het is me overkomen. Het hoort bij het proces van volwassen worden dat je zegt: ik zou graag autonoom zijn, zelf mijn identiteit kiezen. Die gedachte is heel belangrijk voor mensen.

‘Als je haar probeert te analyseren, wordt het natuurlijk moeilijker. Want je kunt jezelf niet uit je biografie trekken. Je bent niet vrij om te beslissen wie je wilt zijn. Zelfs je wil hangt samen met je levensgeschiedenis. Hoe zou dat ook anders kunnen? Je bent nu eenmaal iemand geworden. Ook je fantasieën hangen daarmee samen. Neem je de trein naar Dubai of naar Lissabon?’

Is het daarom niet naïef om te denken dat je gelukkiger zult zijn als je bijvoorbeeld een camping in Zuid-Frankrijk begint? Want je komt je zelf weer tegen, met al je beperkingen.

‘Soms kan emigratie ook heel goed aflopen. Het is in elk geval een typisch menselijke vaardigheid om zich een andere wereld voor te stellen. Een hond denkt niet na over de vraag hoe het is om een kat te zijn. Maar een mens denkt: hoe zou mijn leven gelopen zijn, met een andere vrouw, in een ander land? Ik geloof dat er geen dag in het leven van een mens bestaat, waarin hij niet minstens een keer zulke dagdromen heeft. Vaak onbewust, want zulke dagdromen zijn natuurlijk ook gevaarlijk.

‘Soms is het nodig om de trein te nemen, om vanuit een verre plaats naar je oude leven te kijken. In Nachttrrein naar Lissabon zegt Raimund Gregorius, als hij uit zijn klas wegloopt, dat hij voor de eerste keer de verantwoordelijkheid voor zijn leven neemt. Van een afstand kun je vragen stellen: wie ben ik geworden? Wil ik eigenlijk wel zo zijn? Dat is een leidende vraag voor de vrijheid. Het kan best zijn dat je die vraag met ‘ja’ beantwoordt. Maar dan is het leven je niet meer zo overkomen. Je hebt er bewust voor gekozen, nadat je er helder over hebt nagedacht.’

Peter Bieri’s ouders waren typisch Zwitserse kleinburgers, zegt hij. Zijn vader was leraar en musicus. Diens composities bleven zonder succes, omdat ze zijn voorzichtige en keurige aard weerspiegelden. Zo was het Zwitserland van de jaren vijftig en zestig: een wereld van strenge normen, waarin het bovenal belangrijk was wat de buren dachten. ‘Er was geen enkele grensoverschrijding. De fantasie werd lamgelegd, omdat zij gevaarlijk werd geacht’, zegt Bieri.

Hij vluchtte in de fantasie. Hij las Karl May, raakte verslingerd aan de Franse cinema van de jaren zestig, A Bout de Souffle, de films met Jeanne Moreau, Brigitte Bardot en Jean Gabin. Hij verdiepte zich in oosterse godsdiensten, leerde Sanskriet en Pali, de taal van Boeddha. ‘Daarna ging ik naar Londen. Toen ik na een jaar terugkeerde, merkte ik: hier kan ik niet meer bestaan’, zegt hij. Hij vertrok naar Duitsland en woonde enige tijd in Amerika. Bieri ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van de analytische taalfilosofie. Bij het grote publiek werd hij pas bekend door zijn romans.

Hoe belangrijk is succes voor de vrijheid? Zou het schrijven van romans ook een bevrijding zijn als niemand ze zou lezen?

‘Ik heb nooit geschreven met het idee: zal het iemand bevallen? Ik verkeerde natuurlijk in een bevoorrechte positie, ik was hoogleraar en had het geld niet nodig. Maar bij elk boek heb ik geaarzeld of ik wel het zou publiceren. Ook bij mijn succesvolste boek, Nachttrein naar Lissabon, heb ik twee maanden gewacht. Mijn gevoel was: met dit boek heb ik een reis naar binnen gemaakt. Daar heeft niemand iets mee te maken.

‘Succes is een gevaar voor de vrijheid. Je dreigt afhankelijk te worden van het applaus van de anderen. Het beeld in de media is: iemand die succesvol is, moet wel gelukkig zijn. Dat is van een grotesk simplisme. Ik zou er veel over hebben om de tijd terug te draaien, zodat ik weer in dat Italiaanse huis zou zitten om Perlmanns zwijgen te schrijven. Dan zou het beter met me gaan.’

Is het denkbaar dat u uw volgende boek thuis in de kast laat staan?

‘Het is niet alleen denkbaar, het is zelfs waarschijnlijk. Ik heb geen applaus nodig, ik heb geen geld nodig. Dat is een schitterende vrijheid.’

Heeft u dan niet de erkenning van anderen nodig?

‘Ik wil het isolement niet verheerlijken. Maar als je achter je schrijftafel zit, je schrijft je zinnen, het verhaal ontwikkelt zich, de figuren krijgen diepgang, je wordt verrast door je eigen fantasie, dat is de bevrijding, dat is het geluk. Dat heeft niets met anderen te maken. Een dag waarop een figuur of dialoog is ontstaan, waarvan je denkt: dit is precies zoals ik het wil hebben, dat is een gelukkige dag.

‘De enige maatstaf die ik ken, is mijn eigen maatstaf. De meeste dingen die ik schrijf, gooi ik in de prullenbak. Schrijven heeft te maken met je zelf vinden, met vervreemding terugbrengen. Applaus is juist een bron van vervreemding en Fremdbestimmung.’

Het maatschappelijk debat over vrijheid beweegt zich in twee met elkaar strijdige richtingen. Enerzijds stellen sommige neurowetenschappers dat onze wil afhankelijk is van materiële processen in de hersenen. We worden gestuurd door ons brein, de vrije wil die we ervaren is slechts een illusie.

Anderzijds leggen politici juist steeds meer de nadruk op vrije wil en eigen verantwoordelijkheid. Het individu wordt steeds minder gezien als het product van zijn levensgeschiedenis en steeds meer als iemand die volkomen vrij is: om te stoppen met roken, af te vallen of op het rechte pad te blijven.

Zowel neurowetenschappers als politici denken niet hard genoeg na, vindt Bieri. Hun begrip van vrijheid is naïef en simplistisch. ‘Het is triviaal dat er niets in de geest kan gebeuren zonder dat er ook iets in de hersenen gebeurt. Hoe zou het anders kunnen? Als iemand iets doet – hij staat op, hij kiest een beroep, hij vermoordt een ander – heeft dat te maken met activiteiten in zijn hersenen. Maar daaruit volgt niet dat hij onvrij is.

‘Vrijheid betekent niet dat we aan geen enkele voorwaarde gebonden zijn. Vrijheid betekent dat het individu, onder de voorwaarden die voor hem gelden, zijn fantasie gebruikt, de mogelijkheden tegen elkaar afweegt en een beslissing neemt. Op het niveau van de hersenen zijn er slechts neurale netwerken, chemie en elektrische activiteit. De hersenen beslissen niets, dat doen personen. Het is natuurlijk wel een spannende gedachte. Neurobiologen trekken volle zalen met hun provocerende stellingen. Ik denk dat mensen er naar toe gaan alsof ze naar een horrorfilm gaan. Ze geloven er niet echt in, maar griezelen bij de gedachte dat de vrijheid die ze elke dag ervaren een illusie is.’

Even onzinnig als de radicale onvrijheid van de neurowetenschappers vindt Bieri de radicale vrijheid van de politici. Wie de vrijheid goed doordenkt, moet tot de conclusie komen dat zij afhankelijk is van voorwaarden, zoals de levensgeschiedenis.

Bovendien speelt het toeval een grote rol. Aan het einde van Het Handwerk van de Vrijheid stelt Bieri dat vrijheid ook een kwestie van geluk is. Het individu kan proberen zo vrij mogelijk zijn, door zijn wil te kennen en zijn leven daarmee in overeenstemming te brengen, een proces dat door Bieri de ‘toe-eigening van de wil’ wordt genoemd. Maar het drama van de toe-eigening kent geen regisseur, stelt Bieri. We kunnen slechts een toneel bouwen en hopen dat het goed afloopt.

Dat is een beetje teleurstellend, als je het lot in eigen hand wilt nemen.

‘Als je de trein neemt, weet je niet welke omstandigheden je zult aantreffen. Maar ook in de binnenwereld zijn er zaken die je niet in de hand hebt. Als je pech hebt, ontwikkelt je innerlijke configuratie zich heel ongelukkig. Men moet geluk met zichzelf hebben. Het is oneerlijk, maar sommige mensen zijn vrijer dan andere, op grond van hun levensgeschiedenis en de manier waarop ze in de wereld staan. Ze hebben het gemakkelijker om dat beetje vrijheid dat ons toekomt te realiseren.

‘Neem een extreem geval als de pianist Arthur Rubinstein. Hij kreeg alles in de schoot geworpen. Hij was getalenteerd, de vrouwen vlogen op hem af, hij was nooit bang voor het publiek. My Happy Life heette zijn autobiografie, maar het zou ook My Lucky Life kunnen heten. Het andere uiterste wordt gevormd door mensen met dwangstoornis. Zij zijn onvrij, omdat er iets misgaat in hun hersenen.’

Wat betekent dat voor het idee van eigen verantwoordelijkheid?

‘Veel mensen hebben pech gehad. Wie in de gevangenis komt, heeft ook pech met zichzelf gehad. Dat besef is een belangrijk bestanddeel van een gevoelig politiek bewustzijn.’

Maar mensen zijn toch vrij om te kiezen? Uiteindelijk heeft een misdadiger de keuze om het niet te doen.

‘Dat klopt, we kunnen daders ook niet verontschuldigen. Toch gruwel ik als ik voor een gevangenis sta. Soms zie je achter de tralies nog een gezicht. Dan denk ik: ongelooflijk, ze hebben hem opgesloten. Hij ziet de wereld door tralies en achter hem hebben ze deur op slot gedaan.’

Dat is zijn verdiende loon, zullen veel mensen zeggen. Ze identificeren zich met het slachtoffer, niet met de dader.

‘Ja, natuurlijk mogen we het slachtoffer niet vergeten. Maar het is naïef om te zeggen: ik ben goed, hij is slecht, daarom moet hij naar de bajes. Dat is een verarming, een gebrek aan sociale fantasie. Iemand die het leven begrijpt, weet: dat had mij ook kunnen gebeuren. Dat is een belangrijk deel van morele gevoeligheid.

‘Iedereen weet dat toch: we zitten hier nu in een warm huis te praten, maar ik zou ook op straat beland kunnen zijn. Als ik in Londen op verkeerd spoor was geraakt, zou ik nu misschien zwerven of in de gevangenis zitten.’

Gelooft u dat echt?

‘Op veel momenten in mijn leven had ik gemakkelijk kunnen afglijden. Dat is een bewustzijn dat ik zeer acuut heb. Als ik iemand zie die op straat slaapt of in de gevangenis zit, denk ik: goddank ben ik niet ontspoord.’

Aan welke ontsporingen denkt u dan?

‘In de eerste plaats dat ik veel minder bereikt zou hebben door angst en blokkades. Maar ik kan me heel gemakkelijk verplaatsen in iemand die uit passie een ander om het leven brengt. Ik ben vertrouwd met angst, agressie, haat, ressentiment, al die dingen die ieder in zich meedraagt.

‘Onder omstandigheden kan die vulkaan tot uitbarsting komen. De schrijver Georges Simenon keek op de markt naar mensen en dacht: wat zou hen moeten overkomen waardoor zij een misdaad begaan? Dan fantaseerde hij de voorwaarden waaronder zo’n misdaad zou gebeuren. Daar geloof ik ook in. Er zijn omstandigheden waarin je iemand zou kunnen doden. Het leven is als de muziek van Schubert. Het gaat altijd langs de afgrond. Het is allemaal heel breekbaar.

‘De mensen die mij het vreemdst zijn, zijn zelfverzekerde mensen, die rondlopen alsof hen niets kan gebeuren. Dat vind ik een vorm van domheid.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden