Voorwaarts, maar met mate

Nederlanders beschouwen zichzelf als een vredelievend en niet-militaristisch volkje. Nederlandse soldaten trekken niet als Rambo’s door Bagdad, schreeuwend dat de Iraakse motherfuckers uit hun schuilplaatsen moeten komen....

Deze Dutch approach wordt gesteund door een grote meerderheid van de Nederlandse bevolking, bleek onlangs nog in een enquête in opdracht van de website Planet Internet. Driekwart van de Nederlanders is tegen deelname aan ‘vechtmissies’, slechts 30 procent vindt het acceptabel dat Nederlandse militairen sneuvelen in verre landen als Irak.

Toch heeft Nederland een glorieus en bloedig militair verleden, dat de komende tijd uitgebreid herdacht zal worden. Gisteren begon in het Legermuseum in Delft een tentoonstelling over prins Maurits (1567-1625), de zoon van Willem van Oranje die in heel Europa bekend stond als een briljant veldheer en een belangrijk vernieuwer van de krijgskunst.

Op 23 maart wordt het De Ruyterjaar geopend, geheel gewijd aan de grote Zeeuwse admiraal (1607-1676) die de Engelsen op de knieën kreeg. Als onderdeel hiervan wordt in augustus een tentoonstelling in de Nieuwe Kerk in Amsterdam geopend, onder een naam die veel zegt over de huidige tijdgeest: Helden van Holland.

De gedachte dat Nederlanders geen strijders zijn, is diep geworteld. De Britse voetbaljournalist David Winner geloofde zelfs dat Oranje nooit wereldkampioen is geworden door een gebrek aan krijgers (wat overigens onzin is: het team van 1974 telde slagers als Suurbier en Van Hanegem).

Het is niet zo dat de inwoners van de Rijndelta, als door een geheimzinnige genetische mutatie, inherent vreedzamer zijn dan andere exemplaren van de Homo sapiens. De Nederlandse natie ontstond uit een gewelddadige opstand tegen de Spanjaarden, waarbij sektarisch geweld niet werd geschuwd. In 1572 werden de katholieke martelaren van Gorcum gefolterd en opgehangen, op bevel van geuzenleider Lumey. De geuzen sneden oren, neuzen en geslachtsdelen van de lijken en paradeerden met de lichaamsdelen op hun hoed door de straat.

De nieuwe Republiek ontpopte zich tot een geduchte militaire tegenstander, een klein landje dat stand hield tegen de beste troepen van Europa, de Spanjaarden. Dat kwam niet in de laatste plaats door de militaire innovaties van Maurits. In de 16de eeuw was het militaire bedrijf zeer ongeregeld. De overheid besteedde het vechten uit aan militaire onderaannemers, kapiteins die hun eigen compagnie meebrachten. Het leger was een verzameling particuliere legertjes, wat de cohesie en de discipline niet ten goede kwam.

‘Maurits disciplineerde het leger door eindeloos te drillen en te exerceren’, zegt Olaf van Nimwegen, auteur van het onlangs verschenen boek Deser Landen Crijchsvolck en als militair historicus verbonden aan de Nederlandse Defensie Academie in Breda. Maurits was ook dol op nieuwe technologieën. Op zijn veldtochten nam hij ingenieurs als Simon Stevin mee. Net als andere Nederlandse militairen was hij zeer gecharmeerd van het toen nog betrekkelijk nieuwe vuurwapen.

Maurits introduceerde ook het salvovuur, een manier van opereren die de slagvelden zou domineren tot eind 19de eeuw het repeteergeweer werd uitgevonden. ‘De schutters werden opgesteld in rijen van tien diep. Als de eerste schutter zijn schot had gelost, keerde hij om naar het achterste gelid om te laden. Vervolgens trad de tweede schutter naar voren. Zo ontstond een carrousel die permanent vuur mogelijk maakte’, zegt Van Nimwegen. Het leger van Maurits en zijn opvolgers was zo gedisciplineerd dat het ook wel ‘de schole van Mars’ werd genoemd.

Toch werden Maurits en andere hoge militairen in populariteit overschaduwd door de zeehelden. Admiraals als Piet Hein, Maarten Tromp en Michiel de Ruyter waren de pophelden van de Gouden Eeuw. Anders dan de aristocratische legeraanvoerders waren zij van bescheiden komaf. Met hun avonturen maakten zij enorm fortuin, om daarna een tragische en heroïsche dood op zee te sterven.

Tromp werd door het hart geschoten, was op slag dood, maar werd naar goed gebruik een passend laatste woord in de mond gelegd: ‘Ick heb gedaen, houdt goeden moed.’ De Ruyter sneuvelde nadat hij aan zijn voet geraakt was, hetgeen menige dichter inspireerde tot een vergelijking met de Griekse held Achilles.

Zeeslagen werden door de bevolking op de voet gevolgd, aldus de historicus Ronald Prud’homme van Reine in zijn boekje Zeehelden. Nederlagen werden diep betreurd, overwinningen luid bejubeld. In 1665 werd Michiel de Ruyter ingehaald door de inwoners van Delfzijl: ‘Meenigte van deftige en eerlijke vrouwen vielen hem om de hals, en kusten hem, naer ’s lands wijze, alsof ze hunne vader of broeder, uit gevaer des doods ontkomen, bewellekoomden.’

De menigte was echter ook in staat tot hooliganisme. Bij de begrafenis van Maarten Tromp in 1653 zou Johanna Eton, weduwe van een Engelse of Schotse koopman, gezegd hebben dat ‘sij het hout wel wilde geven om den Admirael te doen branden’. Een woedende meute trok naar het huis van Eton en sloeg de inboedel kort en klein. De weduwe zelf wist ternauwernood aan een lynchpartij te ontkomen.

Door verwaarlozing van het leger werd de Republiek in het rampjaar 1672 bijna overrompeld door een coalitie van Engeland, Frankrijk, Keulen en Munster. Maar onder leiding van de nieuwe stadhouder Willem III herstelde de krijgsmacht zich snel. De Nederlandse troepen wisten het Franse leger van de Zonnekoning Lodewijk XIV op afstand te houden.

Van Nimwegen: ‘In heel Europa werd daar bewonderend naar gekeken. Een landje van twee miljoen inwoners dat stand hield tegen het machtige Frankrijk met zijn twintig miljoen inwoners.’

Een neonationalist als Geert Wilders verwijst graag naar de glorie van de Gouden Eeuw. Ironisch genoeg werden de militaire en economische successen behaald door een grote inbreng van buitenlanders. De kleine Republiek had te weinig soldaten van eigen bodem. Volgens schattingen bestond de krijgsmacht in de glorietijd van de Republiek (ruim 100 duizend man in 1700) voor 40 tot 60 procent uit soldaten die niet in het huidige Nederland waren geboren.

Het militaire verval zette in door de opmars van de natiestaat, in de tweede helft van de 18de eeuw. ‘Tot die tijd kon een kleine, maar rijke handelsnatie een sterke troepenmacht van huurlingen op de been brengen’, schetst Van Nimwegen. ‘Na 1750 werd de markt voor soldaten langzamerhand gesloten. Vooral Duitse vorsten wilden hun soldaten voor hun eigen leger houden.’ De Nederlandse neergang werd bezegeld door de invoering van de dienstplicht, na de Franse Revolutie van 1789. Voortaan gaf de macht van het getal de doorslag.

Van Nimwegen gelooft dat het verval van militair prestige pas begon met het machtsverlies aan het einde van de 18de eeuw. Maar volgens Hermann von der Dunk, emeritus hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, werd het leger in de Gouden Eeuw reeds als een noodzakelijk kwaad beschouwd. ‘De Republiek was in de 17de eeuw een grote mogendheid, die in machtsconflicten betrokken raakte. Daarom had zij een sterk leger nodig. Maar al in de jaren zestig van de 17de eeuw zei raadspensionaris Johan de Witt dat het de Republiek toch vooral om de commercie te doen was. Wij wilden rust en vrede, zodat we met iedereen handel konden drijven.’

In heel Europa was het leger van oudsher een aristocratische aangelegenheid. In absolute monarchieën als Frankrijk en Pruisen was het prestige van het leger enorm, met de koning als opperbevelhebber. De Nederlandse adel, vooral sterk in Gelderland en Overijssel, werd echter volkomen overvleugeld door de Hollandse kooplieden van burgerlijke afkomst, stelt Von der Dunk.

‘Daardoor heeft zich in Nederland nooit een militair ethos ontwikkeld, zoals in Frankrijk of Pruisen’, zegt Von der Dunk. In zo’n ethos werden dapperheid en doodsverachting gecultiveerd als hoogste mannelijke deugden. Het gold als een eer om voor het vaderland te sneuvelen.

De relatief vreedzame cultuur van Nederland is daarnaast het product van een lange periode van vrede en neutraliteit, aldus Von der Dunk. Na 1750 speelde Nederland geen militaire rol van betekenis meer, tussen 1839 en 1940 was het officieel neutraal. Alleen in Nederlandsch-Indië werd gevochten, en vrij hevig ook. Volgens een berekening van de historicus Norbert Both waren de verliezen bij de politionele acties eind jaren veertig relatief hoger dan de Amerikaanse verliezen in Vietnam.

Toch gold voor Europa: machteloosheid maakt vredelievend. Von der Dunk: ‘Vooral in de 19de en 20ste eeuw ontstond een sterke aversie tegen geweld. Dat was ook een zwakte van Nederland. Het reageerde hulpeloos als het met geweld werd geconfronteerd.’

Toen de Duitsers in mei 1940 Nederland binnenvielen, waren de Nederlandse troepen kansloos. Niet alleen omdat zij zwakker en slechter bewapend waren, maar vooral omdat zij niet gewend waren te vechten. Von der Dunk vertelt hoe een officier tijdens de slag om de Grebbeberg zijn bericht aan opperbevelhebber Harbers besluit met een zinsnede die waarschijnlijk uniek is in de militaire geschiedenis: ‘Toen werd het levensgevaarlijk en trokken wij terug.’

Die lijn kan moeiteloos worden doorgetrokken naar het heden, zegt Von der Dunk. Nederland wilde best naar Irak, maar dan naar een provincie waar nooit niets gebeurde. Voor de missie naar Afghanistan delibereerde de Tweede Kamer uitgebreid over ‘veiligheidsgaranties’, op zichzelf al een curieuze term voor een leger.

Maar het gebrek aan militair ethos kwam toch het pijnlijkst aan het licht in Srebrenica, zegt Von der Dunk. ‘We zijn er als hazen vandoor gegaan. Natuurlijk bevond Dutchbat zich in een lastige positie. We zijn altijd heel vindingrijk in het vinden van excuses. Maar we zijn er toch naar toe gegaan om de Moslims te beschermen?’

Op het beslissende moment ontbrak het militaire ethos, meent Von der Dunk, de doodsverachting waarmee het risico op een bloedbad op de koop toe wordt genomen en de soldaat desnoods eervol strijdend ten onder gaat. Nederlandse militairen als overste Karremans bleken niet opgewassen tegen brute vechtjassen als generaal Mladic. ‘En wat doen wij vervolgens? Wij geven een lintje aan de Dutchbatters en aan de commandant die het glas heeft geheven en cadeaus heeft uitgewisseld met een massamoordenaar.’

Een portret van admiraal Michiel Adriaensz. de Ruyter, vervaardigd in 1668 door Ferdinand Bol. (ANP)
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden