Interview Naomi Ellemers

Volgens deze prijswinnende hoogleraar hechten wetenschappers te veel belang aan prijzen

Wetenschappers hechten te veel belang aan wetenschappelijke prijzen en die prijzen gaan niet vaak genoeg naar onderzoekers buiten Amerika. Dit zegt de Utrechtse universiteitshoogleraar Naomi Ellemers op een pikant moment: ze neemt zelf in de Verenigde Staten een prestigieuze prijs in ontvangst.

Naomi Ellemers, hoogleraar psychologie en sociale & organisatiepsychologie. Beeld Ed van Rijswijk

Een Amerikaan. Weer een Amerikaan. Nog een Amerikaan. En zo gaat de lijst maar door, met jaarlijkse winnaars van de carrièreprijs van de Society for Personality and Social Psychology (SPSP), het internationale gezelschap van persoonlijkheids- en sociaal psychologen. Maar dan is daar ineens, de meest recente winnaar, universiteitshoogleraar Naomi Ellemers van de Universiteit Utrecht. ‘Natuurlijk ben ik vereerd’, zegt ze telefonisch voordat ze naar de Verenigde Staten afreist om de prijs in ontvangst te nemen. ‘Maar ik zie ook de keerzijde van dit soort prijzen. Voordrachten en jurykeuzes zijn ondoorzichtig en subjectief, terwijl er vervolgens wel een enorm objectief stempel van kwaliteit rondom zo’n prijs hangt. O, zij heeft een prijs gewonnen, dan zal ze wel goed zijn. En dat ik de eerste Europeaan ben die deze prijs krijgt, is ook bizar. Alsof alles in Amerika gebeurt!’

Het hoofdkwartier van de SPSP bevindt zich in Washington. Het jaarlijkse congres is altijd in de Verenigde Staten. Is dit niet gewoon een Amerikaanse club en daarom logisch dat ze vooral naar Amerikanen kijken bij het uitdelen van prijzen?

‘Nee, want ze profileren zich als een internationale vereniging. Tegelijkertijd zijn de Amerikanen, net als in veel andere vakgebieden, heel dominant. Veel Amerikanen hebben geen idee wat er buiten hun eigen land gebeurt. Ik merk dat bijvoorbeeld bij Annual Review of Psychology, het wetenschappelijk tijdschrift waar ik in de redactie zit. Dan wijs ik Amerikanen op Europeanen die heel goed werk doen en dan reageren ze totaal verrast. ‘Nooit aan gedacht’, zeggen ze dan, ‘maar jeetje, wat een interessant onderzoek doen ze daar’. Ik merk die Amerikaanse dominantie ook bij eigen studenten. Die willen allemaal naar Amerika, want daar zou het pas echt gebeuren. Dat is niet terecht: het gebeurt net zo goed hier.’

In de ranglijst van Times Higher Education staan zeven Amerikaanse universiteiten in de top-10. Niet gek dat die studenten daarnaartoe willen toch?

‘Wie maakt die ranglijst? Op basis van wat? Makers van dat soort ranglijsten tellen ook vaak reputatie en wetenschapsprijzen mee, en dan krijgt het een hoog zichzelf in stand houdend gehalte.’

Nederlandse universiteiten halen regelmatig een Amerikaanse hoogleraar binnen. Wat vindt u daarvan?

‘Internationale uitwisseling is goed natuurlijk. Maar ook hier zie ik een keerzijde. Een Amerikaanse prof wordt dan binnengehaald met het idee: deze internationale topper gaat ons niveau enorm optillen. De prof krijgt een indrukwekkende hoeveelheid promovendi tot zijn of haar beschikking, en een flinke zak met geld voor apparatuur en andere faciliteiten. Vervolgens is al dat startgeld op en blijkt dat de Amerikaanse hoogleraar toch wel erg veel moeite heeft om de weg te vinden in het Nederlandse en Europese stelsel van onderzoekssubsidies. En dan vertrekt de prof weer. Was het dan niet beter geweest om ook goed naar Europese kandidaten te kijken? Misschien wel een die geen prijs heeft gewonnen, maar minstens zoveel in zijn of haar mars heeft?’

Europe first, America second. Is dat niet wat chauvinistisch voor een internationaal vakgebied als het uwe?

‘Zo bedoel ik het niet. Wat ik vooral zeggen wil: we moeten af van dat minderwaardigheidscomplex ten opzichte van de Amerikanen. Kijk verder dan de ranglijsten, de prijzen, de cum laudes. Dan besteed je namelijk je kwaliteitsoordeel uit aan anderen. Het voelt veilig om je daarachter te verschuilen. Maar ik vind: je moet zélf een oordeel vormen of iemand een bepaalde onderzoekssubsidie of baan waard is.’

Reactie Chad Rummel, directeur van Society for Personality and Social Psychology:

‘Onze organisatie staat open voor leden uit de hele wereld. We begonnen als een zijtak van de American Psychological Association in 1974, dus oorspronkelijk waren we honderd procent Amerikaans. Vandaag de dag komt 87 procent van onze leden uit Noord-Amerika. SPSP is de grootste, maar we hebben geen reden om een enorme impact te maken op gebieden die al een eigen lokale organisatie hebben. Zo heeft Europa bijvoorbeeld de European Association of Social Psychology en The European Association of Personality Psychology. (...) Onze prijzen kunnen gewonnen worden door leden uit de hele wereld. Maar als je het rekensommetje maakt, met 87 procent van onze leden afkomstig uit Noord-Amerika, dan kun je aannemen dat 87 procent van onze prijzen naar iemand uit Noord-Amerika gaat. Net zoals je kunt aannemen dat de meeste prijzen van de European Association of Social Psychology naar Europeanen gaan, omdat zij vooral leden uit Europa heeft.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.