Vliegangst? Ga vliegen!

'Psycholoot' Bert Busscher deed onderzoek bij bange passagiers

Hoe hardnekkig is vliegangst? KLM-piloot en psycholoog Bert Busscher ontdekte het door bange passagiers door te meten.

Foto Colourbox

Psycholoot, noemt hij zichzelf wel eens gekscherend. Bert Busscher is KLM-piloot en psycholoog. Als piloot ziet hij regelmatig mensen die stijf van zenuwen in een vliegtuigstoel zitten. Soms durven mensen zelfs het vliegtuig niet in te stappen omdat hun angst zo groot is. Daarom wilde hij graag onderzoek doen naar vliegangst. Hij onderzocht of lichaamsfuncties als hartslag iets zeggen over het slagen van therapie op de lange termijn. Onlangs promoveerde hij aan de Universiteit Leiden.

Hoeveel mensen hebben last van vliegangst?

'Ongeveer 15 procent van de mensen in de westerse Wereld, dus ook in Nederland, vliegt niet vanwege vliegangst of gebruikt medicatie of alcohol tijdens een vlucht om de zenuwen in bedwang te houden. Eenderde tot de helft voelt zich oncomfortabel in een vliegtuig.'

Word je met vliegangst geboren?

'Genetische aanleg kan een rol spelen. Vaak is vliegangst een combinatie van onderliggende stoornissen zoals claustrofobie, hoogtevrees, sociale angst, controledrang of de angst om de controle over jezelf te verliezen. Sommige families zijn gevoeliger voor dit soort stoornissen. Ook kunnen mensen vliegangst krijgen doordat ze in een vliegtuig iets heftigs hebben meegemaakt, zoals turbulentie of onweer. Het is een irreële angststoornis. Je bent bang voor iets, terwijl je ook weet dat de angst ongegrond is.'

Het is dus een veelkoppig monster. Komen ze er ooit vanaf?

'Er is een goede behandelmethode om van vliegangst af te komen. Therapeuten bereiden deelnemers op het vliegen voor door met ze in gesprek te gaan. Bij sommige deelnemers leggen ze uit hoe een vliegtuig werkt. Ze vertellen bijvoorbeeld dat het niet erg is als een motor uitvalt, omdat een vliegtuig op de helft van de motoren kan vliegen. Bij andere deelnemers is het juist belangrijk om angst weg te nemen. Dit doen ze door uit te leggen wat angst is en hoe die ontstaat. Een andere mogelijkheid is de deelnemer om te leren gaan met irreële gedachten. De therapeut stelt vragen als: Waarom ben je bang? Ben je wel echt in gevaar?

'Ik wilde graag onderzoeken of reacties van het autonome zenuwstelsel, het deel van het zenuwstelsel waar je geen invloed op hebt zoals hartslag, een relatie hebben met het slagen van de therapie op de lange termijn. Dit is namelijk nog nooit eerder onderzocht.

'Om dit te onderzoeken lieten we deelnemers naar vliegtuigfilmpjes kijken, in een vliegtuigsimulator zitten en uiteindelijk een vlucht maken. Voor de behandeling, tijdens het kijken naar de filmpjes, in de simulator en tijdens en na de vlucht hebben we verschillende reacties van het autonome zenuwstelsel gemeten.'

Als u mijn hartslag in een vliegtuig meet, weet u dan of ik vliegangst heb?

'We hebben ontdekt dat de hartslag aan het einde van de therapievlucht een voorspeller is voor vliegangst op de lange termijn. Een lagere hartslag na de vlucht gaat samen met minder vliegangst na drie jaar. De 79 deelnemers die we onderzochten, stapten allemaal op de therapievlucht. Na drie maanden, een jaar en na drie jaar hebben we weer contact gezocht met de deelnemers. We vroegen of de vliegangst terug was en hoeveel vluchten ze in de tussentijd hadden gemaakt.

Een aantal kende een terugval, maar iedereen had minder vliegangst dan voor de behandeling. De hartslag na de behandeling bleek dus inderdaad gerelateerd aan therapieresultaat op de lange termijn. Met een vragenlijst is deze relatie tot nu toe nog niet gevonden. Als de hartslag laat zien dat de vliegangst nog aanwezig is, kan de deelnemer extra behandelingen ondergaan. Deelnemers die van hun vliegangst af zijn moeten in de jaren na de therapie wel blijven vliegen. Dan bekrachtig je dat het inderdaad niet zo eng is. Het is net als sporten: je moet blijven trainen om gespierd te blijven.'