Vis is goed, maar het onderzoek kan beter

Visolie beschermt tegen hartfalen. Dat stond tot voor kort buiten kijf. Maar er zijn nog (te) veel onduidelijkheden...

Toen voedingsepidemioloog Marianne Geleijnse vorige maand in het European Journal of Heart Failure de resultaten van een studie naar het effect van visvetzuren publiceerde, werd ze overladen met reacties. Ruim elf jaar lang waren ruim vijfduizend Rotterdammers gevolgd om te achterhalen of die vetzuren hartfalen konden voorkomen, maar een statistisch significant verband kon niet worden aangetoond.

Hoe was dat nou mogelijk? Was niet allang bewezen dat visolie beschermt tegen hart- en vaatziekten? In haar werkkamer op de Wageningen Universiteit neemt ze samen met hoogleraar volksgezondheidsonderzoek Daan Kromhout in vogelvlucht de vele tientallen onderzoeken door naar het effect van vis eten op hartkwalen.

Twee conclusies dringen zich op. Ten eerste ontstaat er verwarring doordat alle hartkwalen op een grote hoop worden gegooid: er zijn studies gedaan naar hartinfarcten (onderverdeeld in fataal en niet fataal), naar kamerfibrilleren, boezemfibrilleren en naar hartfalen. De werking van visvetzuren is niet bij al die aandoeningen hetzelfde. Ten tweede kan niet worden uitgesloten dat de vooruitgang in de gezondheidszorg de studieresultaten van de laatste decennia heeft beïnvloed.

Geleijnse: ‘Er wordt minder gerookt, hoge bloeddruk en een hoog cholesterol worden beter in de gaten gehouden en behandeld, hartpatiënten krijgen statines en worden gedotterd. Een groot hartinfarct kom je steeds minder tegen. Dat is uiteraard geweldig, maar als onderzoeken jaren duren terwijl in de tussentijd de conditie van patiënten en hun behandeling verbeteren, dan heeft dat onbedoeld invloed op de effecten die worden gemeten. Bovendien heb je statistisch gezien voldoende hartaandoeningen of sterfgevallen nodig om een significant resultaat te kunnen vaststellen.’

Prof. Kromhout was 25 jaar geleden de eerste die concludeerde dat het eten van vis beschermt tegen sterfte aan hartinfarcten. Tot dan toe was alleen het wonderbaarlijke verhaal van de Inuit bekend, een bevolkingsgroep waarin nauwelijks hartinfarcten voorkwamen. Met zijn inmiddels beroemde Zutphen-studie, een onderzoek onder 900 mannen, die nog steeds worden gevolgd, toonde hij aan dat het eten van één of twee keer per week vis al voldoende is om de kans op een hartinfarct te halveren. ‘Dat klonk ongelooflijk’, zegt Kromhout terugblikkend. ‘De Inuit aten wel 400 gram vis per dag, maar wij lieten zien dat gemiddeld 20 gram per dag al genoeg is om het sterfterisico beduidend te verminderen.’

De conclusies uit het epidemiologische onderzoek van Kromhout werden in de jaren erna bekrachtigd door twee experimentele studies, in Wales en in Italië: twee keer per week vette vis (in Wales) of 600 milligram visvetzuren (Italië) bleek bij hartpatiënten de sterfte door een hartinfarct te reduceren.

Maar zes jaar geleden kwam de ommekeer: onderzoek onder patiënten met angina pectoris wees uit dat extra visvetzuren bij hen het risico van een dodelijk infarct of plotse hartdood juist verhoogden. ‘Methodologisch gezien was dat een slechte studie’, zegt Kromhout. ‘De onderzoekers waren vanwege financiële problemen bijvoorbeeld tussentijds een half jaar gestopt. Bovendien ging het om een heel andere patiëntencategorie dan de groepen die daarvóór waren onderzocht.’

Ook drie studies bij patiënten met een ingebouwde defibrillator leverden weinig op. Het manco daarbij was dat de patiëntengroep niet homogeen was, zegt Geleijnse. ‘De definitie van de onderliggende ziekte is erg belangrijk. Vis-olie blijkt weinig effect te hebben op boezemfibrilleren, maar weer wel bij kamerfibrilleren.’ Maar de nuances gingen verloren, en onder wetenschappers en publiek ontstond rumoer.

Voordat hij met emeritaat gaat, hoopt Kromhout voor eenduidigheid te zorgen met de resultaten van een omvangrijke Wageningse studie. Bijna vijfduizend patiënten tussen de 60 en de 80, die tot tien jaar geleden een hartinfarct hebben gehad, zijn ruim drie jaar lang gevolgd. Voor het onderzoek, waaraan 32 ziekenhuizen meededen, is naast de sterfte aan een hartinfarct ook het aantal ziekenhuisopnamen in kaart gebracht vanwege onder meer hartinfarcten, een dotterbehandeling of een bypass. Het geld kwam van de Nederlandse Hartstichting en van de Amerikaanse medische onderzoeksorganisatie National Institutes of Health.

De Amerikaanse belangstelling werd gewekt door de unieke opzet van de studie. Onderzoeksleider Kromhout zette als eerste ter wereld een dubbelblind voedingsexperiment op dat moet aantonen of een van de ingrediënten in vis het hart werkelijk beschermt.

Voor die zogeheten Alpha Omega Trial liet de Wageningse universiteit vier soorten margarines ontwikkelen die geen verschil in smaak, kleur of geur mochten hebben. In kuipje 1 zitten alleen de omega-3-visvetzuren EPA en DHA, kuipje 2 bevat alleen alfalinoleenzuur (een omega-3-vet van plantaardige oorsprong), in kuipje 3 zit een combinatie van de vetzuren uit vis en plant, en in kuipje 4 zit geen enkel omega-3-vetzuur. Alfalinoleenzuur (ALA) wordt door het lichaam omgezet in EPA, legt Geleijnse uit, maar dat gebeurt niet efficiënt. Als dat plantaardige vetzuur toch effect blijkt te hebben, kan het in verband met de overbevissing een alternatief vormen.

Vorige maand is het onderzoek afgesloten, straks volgen de analyses waar Kromhout met spanning naar uitkijkt. Matig vis eten is goed voor het hart, daarvan is hij overtuigd. Maar geen enkele voedingsstof is een panacee. ‘Het is niet zo dat je door visconsumptie nooit een hartinfarct kunt krijgen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden