Verkavelde monumentenzorg

Frankrijk heeft zijn voorbeeldige Pléiade-reeks. Ook in Amerika, Duitsland en Engeland worden literaire hoogtepunten in verantwoorde edities bewaard. Wat doen wij met het werk van Bredero en Huygens, Cats en Hildebrand?...

DE NEDERLANDSE literatuur is voor een groot deel onzichtbaar. Zodra een boek niet meer wordt verkocht, verdwijnt het in de krochten van voor het gewone publiek vaak ontoegankelijke bibliotheken. Bijna de hele 'oudere' literatuur, dat wel zeggen die uit de vroege twintigste eeuw en verder terug, is op die manier uit het oog (en uit het hart) geraakt. Het oudere boekenbestand raakte onder het stof en het spinrag, alsof niemand er meer naar taalt, alsof niemand er meer behoefte aan heeft Doornroosje wakker te kussen.

Maar sinds de neerlandica Marita Mathijsen in de jaren tachtig een klaagzang aanhief over de 'editiechaos' in Nederland, en haar collega Herman Pleij in 1994 nog kon spreken van het 'wanbeheer' van de Nederlandse Klassieken, zijn er een paar intiatieven op gang gekomen die hebben geleid tot een aantal keurige reeksen.

Langzaam drong het besef door dat ook in de literatuur monumentenzorg hard nodig is. Het tot Constantijn Huygens-instituut omgedoopte bureau voor tekst edities, kreeg een grotere rol toebedeeld dan zijn voorganger. Op het ministerie van WVC werd het ambitieuze plan gesmeed een Nederlandse Pléiade-reeks op te richten.

Weliswaar heeft het tien jaar en vele vergaderingen gekost voordat dit plan daadwerkelijk van de grond kwam, in 1998 verschenen toch de eerste drie delen in de gloednieuwe Delta-reeks. Het unieke aan deze reeks klassieken, waarin vier delen per jaar verschijnen, is dat er verschillende uitgevers aan meewerken die kunnen intekenen op vooraf vastgelegde titels. Daardoor is het financiële risico gespreid en kunnen uitgevers voldoen aan de eis dat de titels tien jaar lang in voorraad moeten blijven. De eerste delen, teksten van Jacob van Maerlant, Hieronymus van Alphen en de Camera Obscura van Hildebrand, zullen we dus voorlopig niet in de ramsj aantreffen.

Een gevolg van het krappe budget van anderhalve ton per jaar is dat de Delta-reeks een compromis is geworden. Het zijn geen zogenaamde 'historisch-kritische' edities geworden, waar bijvoorbeeld alle varianten van een tekst in zouden moeten staan - dat is veel te kostbaar. Maar het zijn ook geen handzame boeken met een herspelde tekst voor gewone lezers. Gekozen is voor een halfslachtige tussenvorm, de 'lees editie'. Het probleem is dat de reeks door dit compromis niet geschikt is voor wetenschappelijk onderzoek, maar ook nauwelijks voor de leek, zodat niemand helemaal gelukkig is met het resultaat.

Toegankelijker is een andere serie die sinds 1994 verschijnt bij Prometheus/Bert Bakker: Nederlandse Klassieken. Hier is wel, waar nodig, gekozen voor herspelling of 'hertaling', zodat het leesplezier niet wordt gehinderd door geworstel met het Middelnederlands. Verstandig is dat voor het verzorgen van de uitgaven geen wetenschappers maar dichters werden aangezocht, zoals Willem Wilmink, die een prachtige hertaling van De burggravin van Vergi maakte. Op de tegenoverliggende pagina staat steeds de oorspronkelijke tekst, en het geheel wordt voorafgegaan door een degelijke inleiding.

Iedereen tevreden? Nog niet helemaal. Er blijkt nog wel het en ander aan te merken. Jammer is bijvoorbeeld dat Prometheus geen overkoepelende redactie voor de reeks heeft. Daardoor zijn er grote kwaliteitsverschillen tussen de verschillende uitgaven. Niet alle editeurs blijken zich strikt te houden aan de editie-technische spelregels zoals die werden opgetekend door Marita Mathijsen in het handboek Naar de letter (1995). Een ander probleem van deze reeks is de voor de hand liggende keuze in titels. Als dergelijke reeksen te slaafs de 'literaire canon' volgen, leidt dat tot een versmalling van het literaire erfgoed.

Maar het omgekeerde is evenmin raadzaam: wie al te onbekende titels uit het literaire verleden opgraaft, bereikt de gewone lezer niet. Dat is het geval met sommige titels uit de Alfa-reeks van de Amsterdam University Press en de Griffioen-reeks van Querido. Beide durven in hun keuze af te wijken van de standaardklassieken. Het voordeel is dat verrassende en onbekende werken verschijnen, zoals een bloemlezing uit de emblemata-literatuur bij de AUP, of een brief van Mutatuli aan zijn uitgever in de Griffioen-reeks. Nadeel is dat er op twee gedachten wordt gehinkt. Enerzijds zijn ze, gezien de spelling en het type inleiding, gericht op leken. Maar juist die leken zullen niet snel grijpen naar de onbekende teksten.

Helemaal aan de andere kant van het spectrum is er nog serie met de gewichtige naam Monumenta literaria neerlandica, van het Constantijn Huygens Instituut. Daarin verschijnen de historisch-kritische edities met meer delen commentaar dan tekst, waaraan editeurs jaren achtereen werken. De verzamelde werken van de dichters Leopold en Nijhoff verschenen onder andere in deze reeks, en binnenkort volgt Achterberg. Het doel dat met deze serie wordt nagestreefd, is een betrouwbare basistekst leveren waar uitgevers zich dan weer op kunnen baseren als ze leesedities willen maken. Aangezien dit een miljoenen verslindende onderneming is, loont het alleen de moeite bij de belangrijkste auteurs.

De balans opmakend, ziet het ernaar uit dat iedereen content kan zijn. Zowel bekende als onbekende klassieken zien het licht, voorafgegaan door degelijke inleidingen en vaak uitgegeven volgens de editie-technische regels.

Dan dient het laatste en tevens belangrijkste probleem zich aan: de lezer. De lezer die over het algemeen weinig boodschap heeft aan Nederlandse klassieken. De lezer die liever de brieven van Flaubert leest dan die van Bilderdijk, liever Brontë leest dan Bosboom-Toussaint. Volgens Marita Mathijsen heeft dat niets met kwaliteitsverschil te maken, maar met het feit dat de Engelse en Franse boeken in fris en vlot Nederlands vertaald worden.

Haar advies is dus om veel meer van de Nederlandse teksten te 'hertalen'. Een ander probleem is dat hedendaagse lezers de kennis ontberen om klassieke werken in de juiste context te plaatsen; veel van de oudere literatuur is onbegrijpelijk geworden. Daarom moet in inleidingen de oorspronkelijke cultuur-historische context goed worden toegelicht.

Mathijsen demonstreerde dat zelfs Hermans' Onder professoren voor hedendaagse studenten al toelichting behoeft, laat staan de romans uit de negentiende eeuw. De neerlandica Lisa Kuitert gaat nog verder met haar voorstel. In een vorig jaar verschenen artikel velde ze een streng oordeel over de klassiekenreeksen in Nederland: het zijn allemaal reeksen voor en door neerlandici. De editeurs zijn wel ijverig, maar ze vragen zich te weinig af wat ze willen bereiken; ze verliezen hun lezers uit het oog. Kuitert stelt voor minder hoogleraren bij de projecten te betrekken, om meer te hertalen, en om meer buiten het keurslijf van een reeks te publiceren. De uitgevers moeten kiezen voor de leuke boeken.

Zelfs als men deze adviezen opvolgt, heeft Nederland nog niets dat vergelijkbaar is met een reeks als de Franse Pléiade. Maar dan hebben we we wel een gezond evenwicht tussen wetenschappelijke edities én leesbare, betaalbare klassieken voor 'gewone' lezers. Dan zou het allemaal nog best goed kunnen komen met de Nederlandse klassieken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden