Veldwerkers van liefde en strijd; ARIOSTO SUPERIEUR ENTERTAINER IN 'ORLANDO FURIOSO'

DE ITALIAANSE dichter Ludovico Ariosto (1474-1533) heeft alle tijd genomen om de eeuwigheid te halen. Veertien jaar heeft hij gewerkt aan zijn Orlando furioso, dat nu onsterfelijk is....

In de geest moet hij een eeuwigheid van huis zijn geweest. Hij vreesde, zoals hij tegen het einde van zijn zeer lange gedicht verklaart, 'te moeten dolen in eeuwigheid'. Maar hij komt aan land na een literaire dooltocht die er natuurlijk een in schijn is. Het gedicht moge slechts vanuit de hoogte te overzien zijn, de wirwar van wegen, zijwegen en daar weer zijwegen van - en dat in ruimte en tijd - is heel hecht geordend.

Hij maakte zich ook meester van de tijd als verteller en werd de grootmeester van de gelijktijdigheid, maar hij laat ook verleden (de tijd van Karel de Grote en diens paladijn Orlando/Roeland) heden (de tijd van het schrijven) en toekomst ineenvloeien. En de laatste is het Italië van zijn eigen tijd, ook een heden dus, maar vanuit het gedicht gezien de toekomst.

Dat hele meesterlijke schuiven met de tijd gebeurt vanuit het bewustzijn van de gave van de vereeuwiging die de dichter gegeven is. Zijn grote tijdgenoten, zijn beschermheer kardinaal Ippolito d'Este en diens hele geslacht zijn in het gedicht opgenomen, daarmee in de eeuwigheid van de tijd ervan en die van de roem, onsterfelijk als de hoofdfiguur Orlando.

Maar misschien is dit het aardigste. Zijn eeuwigheid houdt alle kenmerken van de tijd: door de ironie, de luchtigheid, het spelkarakter van zijn schrijven - niet alleen in de afzonderlijke strofen of regels, maar ook in de compositie van het geheel - in de loopjes die hij neemt met zijn lezers en soms met zichzelf. De eeuwigheid is grillig. Dat is het bijzondere, maar ook het vermoeiende ervan. Hij moge aan het slot monter aan land gaan, de lezer valt op het strand.

En ik denk dat kardinaal Ippolito d'Este, de aangesprokene in het gedicht, als luisteraar ook lichte uitputtingsverschijnselen moet hebben gekend. Als de Renaissance de periode van de maat, de beheersing en de harmonie is, dan heeft Ariosto die in mateloosheid (maar wel binnen zijn regels) ongedaan gemaakt. Hij slipt weg in de Barok van de toekomst.

Orlando/Roeland/Roland was al eeuwen een mythische literaire gestalte voor hij Ariosto's wereld binnenkwam. Voor Karel de Grote, vele andere figuren, de strijd tegen de Moren, geldt hetzelfde. In sommige laatmiddeleeuwse teksten was het ridderideaal al niet vrij van ironisering gebleven. Een al mythische gestalte als een literaire figuur hernemen - dat kan alleen door vermenselijking ervan.

Ariosto laat de kuise, alleen zijn Heer toegewijde Orlando, de volmaakte ridder, zich verliezen aan een vrouw, Angelica, en door de weigering van haar liefde - zij verkiest ten slotte een gemeen soldaat boven hem - waanzinnig worden. De kracht van zijn waanzin is die van een natuurramp, in hem zelf en door zijn gewelddadigheid ook voor de buitenwereld. De mens die hij was (de waanzin slaat pas op de helft van het gedicht toe), krijgt opnieuw een mythische grootte; zijn passie eveneens.

Voor enkele andere figuren en hun grote liefde geldt hetzelfde. De waanzin van de liefde heeft veel personages in het gedicht in zijn greep. Orlando furioso is ook een heel groot liefdesgedicht. De waanzin van de ridderlijkheid, die tot een overmaat aan duels in het gedicht leidt, heerst niet minder. Het woord 'waanzin' is gerechtvaardigd, want overdrijving is het gedicht niet vreemd. Alleen al in zijn lengte van vijfduizend achtregelige strofen, die voor een deel worden gekenmerkt door een verbluffende woordenrijkdom, waardoor ze propvol lijken. Als elk genie is Ariosto uiterst vrijgevig.

Het blijft vreemd, dat de middeleeuwse ridderepiek - zowel de Karolingische als die van de Arthur-romans - met de strijd tussen Christenen en Saracenen, in het Italië van de Renaissance zo in de belangstelling stond. Men heeft gewezen op contemporaine Italiaanse politieke toestanden, maar het gedicht lijkt nauwelijks een spiegelende functie te hebben.

Het wordt misschien nog vreemder als men denkt aan het werk van Ariosto's tijdgenoot Baldasar Castiglione, Libro del Cortegiano, 'Het boek van de hoveling', waarin in gefingeerde dialogen door enkele edelen het ridderlijke, hoofse ideaal wordt besproken, in een even geestrijke als verfijnde taal. Het ideaal staat bijna komisch ver van ridders uit Orlando furioso, die veldwerkers van liefde en strijd.

De ridderepiek heeft, in verschillende vormen, een blijvende traditie in de Italiaanse literatuur gekend. Ariosto's werk is een vervolg (en een reactie) op een dichtwerk van een tijdgenoot, dat Orlando inamorato, 'De verliefde Roeland', heet.

De vraag blijft: heeft Ariosto die traditie voortgezet of opgeblazen? Het raam van zijn gedicht is de strijd van Karel de Grote tegen de Moren. Behalve in de werkelijk adembenemend beschreven strijd om Parijs en nog enkele veldslagen is die grote strijd vooral een achtergrond voor de individuele lotgevallen van de ridders.

Zij lijken als enkelingen door Europa te dolen, altijd op weg naar een doel - een militair treffen, het vinden of terugvinden van de geliefde - maar ook steeds afgeleid en meegesleept door voorvallen, dreigingen en plotselinge vijanden onderweg. Hun drijfveer is niet een groots plan, maar hun innerlijk. De vertegenwoordigers van het grote ideaal lijken een versplinterde groep te zijn geworden.

Een verstrooide ridderschap, bezeten bijna van grote passies van liefde en haat, individualisten in elk geval; ze bewegen zich in een oude wereld, maar als nieuwe karakters. Dat ze in die wereld dolen, is al veelzeggend. Ik neig, ook door de opzet van het gedicht, tot de gedachte dat het werk, dat de bekroning van de ridderliteratuur is, tegelijk het einde van die literatuur wil aangeven. (En de laatste ridders zaten onder regie van Castiglione hun manieren en hun 'wit' te vijlen).

Misschien verraadt ook het duidelijke spelkarakter veel van de geest van het gedicht. Het plezier in dat spel wordt zichtbaar in de compositie van het gedicht (die is zo vernuftig dat met het geheugen van de lezer lijkt te worden gespeeld), in de soms uitdagende taal, in de wijze waarop Ariosto zichzelf als de maker manifesteert (men heeft dat neo-platonisch genoemd, maar hij laat zijn macht alleen op een humoristische manier blijken en dan lijkt het een spot met de conventie), in de vergrotingen: van karakters, van situaties, van het gedrag van de natuur en vooral ook de menselijke natuur, in de al genoemde overdrijvingen.

Ariosto lijkt op veel plaatsen een superieure entertainer, ook in deze zin dat hij speelt met het antieke, middeleeuwse en eigen cultuurgoed op een manier die de tijdgenoten moet hebben verrukt: zij herkenden. Zo is de dichter in zijn beelden en vergelijkingen zeer traditioneel, maar de context zet die beelden dan toch even op scherp, waardoor ze even nieuw worden.

Men komt als moderne lezer tot dat opblazend en speels karakter van Orlando furioso ook hierdoor: onder de ontelbare dolenden in het gedicht is geen Don Quichot, de laatste gelovige van het ridderideaal, het slachtoffer van een illusie. Zijn gestalte heeft onze visie op het voorbije ridderdom definitief bepaald.

Maar het is sterker: Don Quichot is een van de laatste archetypen van de wereldliteratuur. Zijn knol kan het niet halen bij het vliegende paard dat door Orlando furioso over de continenten beweegt, maar Don Quichot en wij houden het voor een vliegend paard. Wat moeten wij dromers en illusionisten anders: veroordeeld tot een knol, die omdromend tot een gevleugeld dier.

De grote melancholische ernst - en dat is de ware humor - wordt in Orlando furioso nergens zichtbaar, de figuren blijven stukken. En dat wijst ook in de richting van een spel. Cervantes heeft een ander karakter aan Ariosto's werk gegeven, en dat is ook een wat oppervlakkig karakter. De virtuositeit die de tijdgenoten mede zullen hebben bewonderd, lijkt nu tot de grootste bewondering te leiden.

Het gedicht bestaat uit 46 zangen. Die zijn van ongelijke lengte. De dichter kon zich niet laten inperken; strengheid was zijn vitaliteit vreemd. De canto's zijn opgebouwd uit stanza's, achtregelige strofen, met het rijmschema a-b-a-b-a-b-c-c. Een voorbeeld uit de achtste canto: de dichter is zelf aan het woord:

Wie kan de schrik beschrijven en de kreten,

De luide klaagzang die ten hemel schreit?

Ondenkbaar dat de aard niet is gesple ten

Als zij naar kille rotsen wordt geleid

En hulpeloos, gebonden door een ke ten,

De gruwelijke marteldood verbeidt!

Ik kan het niet, daar smart en leed mij dwingen

Een ander onderwerp te gaan bezin gen.

De vorm is zeer wendbaar. De dichter kan er episch in zijn, lyrisch (vaak schitterend), hij kan er gedachten en gevoelens in weergeven, erin overdrijven, didactisch en bijna brutaal zijn. Didactisch zijn haast altijd de eerste stanza's van een canto. Er wordt een algemene leer uiteengezet (de moraal voor mijn part), waarna de bewijzen in het verhaal volgen. Ik citeer hier de eerste twee stanza's van canto 45. Ze lijken de grote leer achter de ontelbare voorvallen in het werk weer te geven (en die leer is modern, want onchristelijk):

Hoe hoger stervelingen zijn gerezen

Op 't rad van Fortuin, zo wankelbaar,

Hoe onafwendbaarder hun val zal we zen,

Het hoofd omlaag, gelijk een duike laar.

Ik noem Polycrates als een van dezen,

En Dionysius en Croesus, maar

Bespaar u heel de lijst van arme zielen

Die uit de hemel naar beneden vielen.

Wie 't diepste is gezonken, daarente gen,

Stijgt op datzelfde rad weer spoedig op:

Het punt dat nu het laagste is gelegen

Draait volgens vaste wetten naar de top.

Zo werd wie haast de doodstraf had gekregen

De heerser van een rijk de dag daarop,

Gelijk in vroeger tijd Ventidius

Servius Tullius en Marius.

Het zijn traditionele beelden, als zovele in het gedicht. Met een overvloed aan klaarliggende gedachten en vergelijkingen lijkt Ariosto soms te gemakkelijk voort te schrijven. Verdichting is niet een van zijn opvallendste eigenschappen. Verdieping ook niet. Het verhaal is een aaneenrijging van tableaux vivants: men kijkt, men leest en wacht het volgend beeld.

De mooiste en diepzinnigste canto is de 34ste. Orlando's neef, Astolfo, wordt met het vliegende paard naar het aards paradijs in de hoge geleid. Daar wordt hij begroet door een grijsaard, de evangelist Johannes. Met andere ten hemel opgenomenen wacht hij daar op de bazuinen van de Laatste Dag. Hij spreekt de meest wijze woorden uit het gedicht, zeker in zijn visie op de oorzaak van Orlando's waanzin.

Samen reizen de twee naar de maan. En daar liggen alle verloren voorwerpen van de mensheid, van idealen, verlangens, rijkdommen, geestelijke vermogens en alles wat men heeft nagelaten of misbruikt tot de onvervulde wensen. Het is een schitterende gedachte: elders wordt wat wij misbruiken of niet gebruikten, bewaard.

De canto is een kleine wandeling door het hiernamaals van onze gebreken. In een kruik wordt 'Orlando's rede' gevonden. En die kruik neemt Astolfo mee terug naar de aarde en later zal hij de rede in Orlando terugbrengen. Hij wordt dan weer degelijk, maar ook wat saaier, de natuur wordt weer cultuur.

Orlando's laatste rol is die van 'getuige' bij het huwelijk van Bradamante, een van de meest fascinerende onder de zeer veel fascinerende vrouwen in het gedicht, en Ruggiero. Zij trouwen in de laatste canto. Het verhaal is uit, de toekomst wacht (of is er, buiten het gedicht al): de twee zullen de stamouders worden van het geslacht D'Este.

Zo is het hele gedicht naar en tot de glorie van dat geslacht geschreven. En de adel zal de verre nakomelingen verplichten. De hele scheppingsperiode was Ariosto in dienst van de kardinaal. Dat blijkt zeer dubbelzinnig.

Ike Cialona heeft nu voor het eerst de complete Orlando furioso in dichtvorm in het Nederlands vertaald. Ze heeft er zes jaar aan gewerkt en dat lijkt nog weinig. Haar wendbaarheid is even groot als die van de stanza. Haar rijmvermogen - alleen al die twee laatste regels in vrouwelijk rijm, daar heeft de Italiaanse taal het veel makkelijker mee (Nijhoff heeft daar uitstekend over geschreven) - moet een ongewone prestatie worden geacht.

Het lijkt erop dat de vertaalster in de beste stukken ook op haar best is; met name een aantal lyrische strofen is heel mooi. Ariosto's taal heet 'spreektaalachtig'; de vertaalster heeft daarnaar gedicht: er komt geen dichterlijk woord in haar vertaling voor.

Ik citeer nog een strofe uit de achtste canto, ook om de herinnering aan Vergilius, Petrarca en Bredero (de Orlando moet een dorado voor comparatisten zijn, grote verzamelplaats van gemeenplaatsen als het gedicht ook is):

Reeds vonden alle schepsels hun sere ne

En welverdiende rust en zoete droom

In zachte veren of op harde stenen,

Op gras of in een mirt of beukenboom.

Jouw zorg, Orlando, is nog niet ver dwenen,

Nog immer wervelt je gedachtestroom,

Nog steeds wordt jou geen ware rust geschonken,

Hoewel je in een sluimer bent verzon ken.

In de Nederlandse uitgave, in twee delen, samen ruim 1750 pagina's, zijn alle illustraties van Gustave Doré opgenomen. En die zijn bijna stuk voor stuk verbluffend. Hij blijft een van de allergrootste tekenaars van alle tijden. En wie even van de soms vermoeiende woordenstroom van Ariosto wil bijkomen, kan kijken en in het zilveren licht de stilte zien.

Kees Fens

Ludovico Ariosto: Orlando furioso / De razende Roeland.

Met alle prenten van Gustave Doré en een inleiding van Italo Calvino.

Vertaald uit het Italiaans door Ike Cialona.

Athenaeum-Polak & Van Gennep; 1784 pagina's; tot 15 augustus * 125,-, daarna * 150,-.

ISBN 90 253 0213 0.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden