COLUMNJoost Zaat

Veel beloftes over nieuwe kankermedicijnen zijn vals

Haar kanker is allang niet klein meer en zit niet meer op één plek. Stoïcijns ondergaat ze haar chemokuren. Het zal wel helpen denkt ze, ‘want als ik niks doe ga ik dood en de tumor lijkt op de scan ook iets kleiner’. Tegenwoordig kots je je maag niet meer binnenstebuiten, maar levenskwaliteitsverhogend zijn de meeste chemokuren nu ook weer niet. Moe, kaal, zere vingers en tenen van de zenuwontstekingen, het rijtje bijwerkingen is lang. Je struikelt van het ene in het andere controlebezoek en bij het lab en de röntgen ben je kind aan huis. De grootte van de tumor, de hoeveelheid bloedcellen of de tumormarkers, hoe draaglijk de bijwerkingen zijn, dat zijn meetpunten. 

Bij al die bezoeken gaat het – als je geluk hebt – over de waarde die je aan het leven hecht. Natuurlijk, aan het slot van een consult vragen dokters ook nog of het nog gaat en of je je kleinkinderen nog ziet en zo. Je leest in het laatste interview met een overleden BN’er in de krant dat hij het nog even uit wil zingen tot het nieuwe wondermiddel volgend jaar komt. Dat biedt hoop.

Kankeronderzoekers hebben het tegenwoordig graag over personalized medicine. Een rare term, want goede dokters houden al jaren rekening met persoonlijke omstandigheden. Die onderzoekers en farmaceutische industrie bedoelen eigenlijk iets anders, namelijk: precisie-geneesmiddelen. Middeltjes die, nadat je eerst het hele dna van kankercellen hebt ontrafeld, precies inspelen op de eiwitproductie in tumorcellen. Maar ook die term ‘precisie-oncologie’ is al weer aan het vervagen. Het idee dat er supermiddelen zijn en nog betere komen, houdt de mens op de been en onderzoekers van de straat. Probleem is: veel recente kankermiddelen werken vaak niet: slechts bij 1 op de 5 neemt de algemene overleving een beetje toe

Logisch zou zijn als onderzoekers zouden kijken of patiënten langer leven en hoe goed dat leven is. Dat is alleen duur: je moet lang kijken. Als alternatief gebruiken onderzoekers  meestal een ‘afgeleid eindpunt’: bijvoorbeeld de afname van de grootte van de tumor (respons) of de tijd tussen de start van de behandeling en het weer toenemen van de tumor (progressievrije overleving).

Die afname van tumorgrootte is nogal subjectief. Als een middel een gemiddelde respons heeft van 30 procent vinden onderzoekers dat al goed en kan – kort door de bocht – je geneesmiddel geregistreerd worden. In een ontnuchterend boek van Vinay Prasad (Malignant: how bad policy and bad evidence harm people with cancer) las ik dat die keuze oorspronkelijk stamt uit de jaren ’70: 16 ervaren oncologen konden dat zogenaamde grootteverschil nog net voelen bij schuimrubberballetjes. Lekker belangrijk. Ook is de progressievrije overleving vaak niet gekoppeld met ‘echte’ overleving, laat staan met kwaliteit van leven.

Patiënten zouden hun oncoloog moeten vragen hoe goed de kuur is: leef ik er echt langer én beter door dan bij ‘niets’ doen? Laten ze vooral beginnen met de vraag of hun dokter het boek van Prasad gelezen heeft.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden