Vanzelfsprekende plekken SUBTIELE AUTOBIOGRAFISCHE EXERCITIE VAN PEREC

ER IS een portret van George Perec waarop hij precies lijkt op een tovenaar, met een lange baard en een zwarte kat op de schouder....

Samen met Raymond Queneau en Italo Calvino maakte hij deel uit van Oulipo, een afkorting van 'Ouvroir de littérature potentielle'. Deze groep schrijvers en wiskundigen hield zich bezig met allerlei uitzonderlijke literaire experimenten. Het ging hun om veel meer dan alleen het uithalen van talige trucjes: uit deze in 1960 opgerichte 'workshop van literaire mogelijkheden' moest een geheel nieuwe esthetica voortkomen.

Kernwoord in de beweging was 'contrainte', dwang. Net als dichters, meenden de leden van Oulipo, zouden ook romanschrijvers hun werk moeten schrijven volgens een aantal vastliggende formules. De achterliggende gedachte was dat alleen onder strenge beperking de verbeelding een vrije vlucht kan nemen en de grenzen van de literatuur kunnen worden verlegd. Door nieuwe literaire structuren te ontwikkelen zou men niet alleen een andere manier van schrijven, maar ook van lezen teweegbrengen.

Zo maakten ze zogenoemde 'S+7 gedichten', waarbij een bekend werk uit de wereldliteratuur werd herschreven door ieder woord te vervangen met het zevende woord opeenvolgende in het woordenboek ('Denkend aan Holland zie ik brede rivieren' zou dan worden: 'Dennepijlstaart aanbelanden holligheid ziesel illegaal breekhamer rob'). Onverwachte poëtische vergezichten openen zich zo, stelden de leden van Oulipo.

Georges Perec (1936-1982) was een meester in dit soort spelletjes. Zo wist hij een zin van vijfduizend letters samen te stellen die ook van achter naar voren kan worden gelezen (palindroom) en schreef hij een hele roman, La disparation, waarin de letter e niet werd gebruikt.

Ook aan het onlangs vertaalde Ruimten rondom uit 1974 ligt een vaste structuur ten grondslag. In dit buitengewone boekje, dat de ruimte zelf tot onderwerp heeft, gaat Perec volgens de systematische Oulipo-principes te werk. Hij begint bij de kleinste ruimte, de witte pagina waar hij op schrijft, en vervolgt dan met het bed, het appartement, de straat, de stad, almaar uitdijend tot hij eindigt bij de ruimte zelf. Bij voorkeur behandelt Perec hier alledaagse, vanzelfsprekende plekken, niet de 'interplanetaire, interstellaire of intergalactische ruimten, maar ruimten die, in beginsel althans, veel dichterbij zijn: steden bijvoorbeeld, of het platteland, of de gangen van de metro, of een park'.

Deze alledaagsheid neemt niet weg dat ook imaginaire en literaire ruimten aan de orde kunnen komen, het bed van Klein Duimpje bijvoorbeeld of de bibliotheek van Borges. Perecs verbeelding laat zich niet aan banden leggen en zo kan het hoofdstuk 'het appartement' net zo goed over vliegvelden gaan, of 'de straat' over de Sahara. Persoonlijke herinneringen worden afgewisseld met vermaningen ('We denken niet genoeg aan trappen') of filosofische beschouwingen ('Hoe kunnen we de volstrekt functieloze ruimte denken?').

Perecs invallen zijn als kiemcellen die stuk voor stuk zouden kunnen uitgroeien tot hele romans. De schrijver noemt een aantal 'lopende projecten', waaronder zijn plan voor een uitputtende opsomming van alle plekken waar hij ooit geslapen heeft. Hij stelt een ordening voor op basis van soorten slaapplaatsen, variërend van hotelkamers en buitenhuisjes tot slaapzalen en soldatenkamers. Slechts een van die plaatsen werkt Perec hier nader uit, en dan wordt ook duidelijk wat hij bedoelt met zijn 'fenomenaal geheugen'.

Hoewel de overnachting twintig jaar geleden plaatsvond, weet Perec zich niet alleen de kamer tot in de details te herinneren, maar ook hoe die hele zomer verliep. Zo zou uit zijn opsomming een lijvige autobiografie voort kunnen komen.

Een ander plan heeft hij gerealiseerd in de vorm van zijn meesterwerk Het leven een gebruiksaanwijzing uit 1978. 'Ik stel me een Parijs pand voor waarvan de gevel is weggenomen (. . .) zodat alle kamers aan de voorkant van het huis, van de begane grond tot de vlieringkamertjes, in één oogopslag en gelijktijdig zichtbaar zijn', stelt hij zich de roman voor, 'een beschrijving van alle aldus onthulde kamers en van de activiteiten die er zich afspelen.' Uiteraard lag ook aan dit project een wiskundig principe ten grondslag, 'een Latijns orthogonaal bikwadraat van de tiende orde'.

Deze roman is een duidelijke illustratie van waar het Perec in al zijn werk, ook in Ruimten rondom, om te doen is: orde aanbrengen in de chaotische en onoverzichtelijke materie die het leven nu eenmaal is. Zorgvuldig wordt een doorsnee van het bestaan in kaart gebracht, tot in de nietigste details. Alleen door deze aandacht voor het infra-ordinaire, zoals Perec het noemde, krijgt men vat op het leven zelf.

Niet alleen de schrijver moet oog hebben voor het schijnbaar onbelangrijke, ook de lezer moet beter naar de wereld kijken. Perec voorziet ons van opdrachten en 'dingen die je zo nu en dan systematisch zou moeten doen'. Hij geeft de formules, en de lezer moet er zelf mee aan het werk: 'Ontcijfer een stuk stad', of: 'Probeer de straat te beschrijven, waar hij uit bestaat, waar hij voor dient'; 'Concentreer je. Neem de tijd.' Door middel van dergelijke praktische oefeningen moeten we onze doorgaans achteloze blik corrigeren.

Hoe speels deze experimenten ook overkomen, vrijblijvend zijn ze allerminst. Perec, van huis uit socioloog en niet geheel gespeend van moralisme, wil bereiken dat we bewuster in de wereld staan: 'Je zou je moeten afvragen waar je bent: bestek maken.' Hij wijst regelmatig op de maatschappelijke dimensies van ruimte, op het verschil tussen privé- en openbare ruimte, op de onleefbaarheid van sommige plaatsen, op het feit dat miljoenen mensen 'hebben gevochten om piepkleine stukjes ruimte, om halve heuvels, om een paar meter strand, om rotspunten, om een straathoek'.

Behalve deze maatschappelijke lading dienen Perecs kijkopdrachten vooral een existentieel doel. Het zo intens mogelijk beschouwen van de meest onbenullige details heeft grote gevolgen voor onze ervaring van de werkelijkheid, 'de wereld, niet meer als een almaar opnieuw af te leggen parcours, niet als een wedren zonder eind, een almaar opnieuw aan te nemen uitdaging, niet als louter voorwendsel voor een troosteloze vergaring, ook niet als illusie van een verovering, maar als het hervinden van een betekenis, het waarnemen van een aards handschrift, van een geografie die we, al weten we dat niet meer, zelf hebben geschreven'.

Het is deze persoonlijke geografie die Perec probeert in kaart te brengen en de ruimtelijke beschouwingen spitsen zich toe op zijn eigen geschiedenis. Het verleden wordt hier echter niet, zoals doorgaans, in termen van tijd, maar in termen van ruimte gevat. Waar Proust zocht naar de verloren tijd, gaat Perec op zoek naar de verloren plaatsen van zijn jeugd, 'omdat een kamer bij mij net zo functioneert als een madeleine bij Proust'.

Veel houvast heeft hij niet. Aangezien hij al op zijn vierde jaar wees werd, tijdens de Tweede Wereldoorlog, moet hij zijn vroegste verleden zelf reconstrueren. In het autobiografische W of de jeugdherinnering deed hij verslag van zijn pogingen zich uit een paar losse flarden een herinnering te vormen aan zijn moeder, die in Auschwitz stierf. Het schrijven behelst voor hem een voortdurende poging de gebroken wereld van zijn jeugd te lijmen, 'een paar scherp omlijnde brokstukken aan de gloeiende leegte te ontrukken, ergens een vore, een spoor, een afdruk of een paar tekens achterlatend'.

Dat verlangen naar een eigen geschiedenis ligt ook ten grondslag aan de exploraties in Ruimten rondom. Vergeefs zoekt Perec naar de oorspronkelijke plaats die zou kunnen dienen als vertrekpunt - 'de schoot van mijn familie, het huis waar ik geboren was, de boom die ik had zien groeien (die door mijn vader op de dag van de geboorte was geplant), de zolder uit mijn jeugd vol ongeschonden souvenirs'.

Door deze zijdelingse benadering van de ruimte van het verleden is Ruimten rondom behalve een filosofische verhandeling ook een subtiele autobiografische exercitie geworden. En tegelijk is het een open invitatie aan de lezer om zijn eigen geografie in ogenschouw te nemen.

Yra van Dijk

Georges Perec: Ruimten rondom.

Vertaald uit het Frans door Rokus Hofstede.

De Arbeiderspers; 117 pagina's; * 29,90.

ISBN 90 295 3503 2.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden