Van Lawicks menselijke dieren

'Ethologen werden aanvankelijk uitgelachen'..

ZIJN slechte gezondheid dwingt Hugo van Lawick (62) te stoppen met werken. De wereldberoemde natuurfilmer kan door rugklachten de zware 35 millimeter-camera's niet meer tillen en de Oost-Afrikaanse stofwolken (en sigaretten) hebben zijn longen beschadigd. Camp Ndutu, het tentenkamp in het Tanzaniaanse natuurpark Serengeti dat dertig jaar lang zijn basis en zijn huis was, heeft hij vorig jaar afgebroken.

Een deel van het jaar zal Van Lawick zich vestigen in de stad Arusha, het andere deel bij zijn zoon en kleinkinderen in Dar es Salaam. In Camp Ndutu zaaide Van Lawick gras om de plek precies zo achter te laten als hij hem dertig jaar eerder had aangetroffen. Alleen zijn films, veertig, en boeken, zeven, getuigen nog van zijn decennialange aanwezigheid op de short grass plains van Serengeti.

Hij filmde er zo ongeveer alle zoogdieren die er rondlopen, en werd voor zijn werk bekroond met acht Emmy Awards ('televisie-Oscars'). Van Lawick - en niet, bijvoorbeeld, Paul Verhoeven - is Nederlands meest gelauwerde filmer. Zijn laatste twee films, The leopard son en Serengeti symphony, gefilmd op 35 millimeter, draaiden in de bioscoop. Maar behalve roem oogstte hij ook kritiek - van wetenschappers - omdat hij van dieren een soort mensen zou maken.

Deze week was Van Lawick in Amsterdam voor een kort verblijf. Zijn leven als filmer, fotograaf en producer in Tanzania beschouwt hij als 'een droom die werkelijkheid is geworden'. 'Maar ik heb ook wel hard gewerkt', zegt hij. 'Films maken is enorm hard werken. In al die jaren heb ik misschien vier, vijf keer kort vakantie genomen. Ik was altijd aan het werk.'

In zijn boek Among predators and prey, met veel mooie foto's, vertelt Van Lawick hoe hij in 1959 op 22-jarige leeftijd naar Tanzania reisde met als doel natuurfilms te maken. Hij had in Amsterdam anderhalf jaar als assistent-cameraman gewerkt en kon met die ervaring aan de slag bij het echtpaar Armand en Michaela Denis, dat voor de toen populaire serie Luipaard op schoot assistentie nodig had. Twee jaar later kreeg hij opdrachten van de National Geographic Society. Daar kwam een film uit voort over de groep chimpansees die primatologe Jane Goodall (later zijn vrouw) bestudeerde. In 1967 vestigde hij zich in Camp Ndutu, als onafhankelijk filmmaker. Op het hoogtepunt beschikte Van Lawick in Camp Ndutu over vijftien filmmakers die (meestal) door hemzelf waren of werden opgeleid, en dertig man personeel: koks, chauffeurs, monteurs.

Fotograferen deed Van Lawick vooral als hij moe was van het filmen. 'Fotograferen was veel rustiger, dan kon ik even op adem komen. Ik leerde er ook veel van. Vroeger was ik goed in het filmen van diergedrag, maar slecht in landschappen. Ik begreep niet goed waarom.

'Ik wist dat als ik 35 millimeter ging filmen, wat ik wilde, dat landschappen dan belangrijk waren. Toen heb ik besloten het boek Among predators and prey te maken, waarvoor ik me twee jaar heb geconcentreerd op dieren in landschappen. Zo heb ik ontdekt hoe je licht en schaduw moet gebruiken om ook op foto en film een mooi landschap te krijgen.' De manier waarop in zijn films landschappen, en dieren in een landschap, worden uitgelicht, is volgens Van Lawick een belangrijk element van zijn stijl.

Een tweede belangrijk stijlkenmerk leverde hem kritiek op: zijn nadruk op het individuele dier. Van Jane Goodall, aldus Van Lawick zelf, leerde hij dieren bestuderen, goed te kijken naar hun gedrag, en daarmee stimuleerde zij iets waar hij toch al toe geneigd was: dieren te zien als individuen.

Die individuen had hij nodig om spannende films te maken - in droge, educatieve films was hij niet geïnteresseerd. 'Voor een spannende film heb je een verhaal nodig, en voor een verhaal zijn individuen onontbeerlijk.'

Het risico van het maken van dat soort films is dat ze nooit af komen. 'Ik heb enorm geluk gehad. Je kunt geen script schrijven. Je kiest de dieren die je wilt filmen, de individuen waarvan je denkt dat ze interessant zullen zijn. Dan ga je filmen en moet je maar hopen dat je hoofdrolspeler niet gedood wordt.

'Soms was ik echt in paniek daarover. Bij mijn eerste film over wilde honden bleef van een nest jongen maar één exemplaar over. Iedere ochtend dat ik daarnaar terugging, dacht ik: als-ie vannacht gedood is, wat doe ik dan? Godzijdank is dat niet gebeurd. Het is mij alleen een keer overkomen met jakhalzen. We kwamen 's ochtends aan en zagen een hyena net het laatste jong opeten. Gelukkig hadden we nog maar vijf dagen gefilmd.'

Vanwege zijn nadruk op de individualiteit, het karakter van beesten, is Van Lawick verweten dieren te 'vermenselijken'. Het verwijt doet hem weinig. 'Vroeger werd gezegd: je kunt dieren niet vergelijken met de mens. Dieren hebben geen menselijke gevoelens. Maar als je in de evolutie gelooft, moet je concluderen dat die gevoelens ergens vandaan komen. De basis ervan moet al in het dier zitten.'

Met andere woorden: de olifant of de giraffe die zijn jong verliest, rouwt, of voelt zich in ieder geval niet prettig? 'Bij chimpansees zou ik zeer zeker zeggen: die voelen verdriet. Wat mij betreft zijn chimps ook geen dieren. Ze staan dichter bij de mens dan bij de dieren. Ze zijn genetisch ook voor 98,6 procent identiek aan de mens.

'Veel meer dan bijvoorbeeld bavianen lijken chimps in hun sociale gedrag op mensen. Hun begroetingen zijn hetzelfde als die bij de mens. Op school leerde ik dat handenschudden afkomstig is van: laten zien dat je geen wapen in je hand hebt. Nou, dat is waanzin, de chimps doen het ook, om heel andere redenen. Elkaar aanraken is geruststellend, kalmerend. Het kan op verschillende manieren. Gewoon aanraken, kloppen, zoals je bij een baby doet, of elkaars hand vasthouden. Als je dat combineert, het kloppen en de hand vasthouden, dan heb je handen schudden.'

En bij andere dieren? 'Daar begint bijvoorbeeld verdriet, rouwen, al een beetje minder te worden. Maar niemand heeft mij ooit uitgelegd waarom bijvoorbeeld een olifant drie dagen bij een dood jong blijft. Ik denk dat we er wel achter zullen komen dat dieren ook ''menselijke'' emoties kennen. Men kan tegenwoordig meten in welk deel van de hersenen er activiteit is bij een bepaalde emotie - en dan blijken er bij mens en dier flinke overeenkomsten te bestaan.'

Volgens Van Lawick is de houding van de wetenschap ten opzichte van diergedrag nu minder streng dan vroeger. 'Konrad Lorenz heeft het manuscript gelezen van mijn eerste boek Innocent killers, dat ik samen met Jane Goodall heb geschreven. Toen hij het uit had, schreef hij naar de uitgever: godzijdank, hier zijn eindelijk twee mensen die niet bang zijn om antropomorfisch te zijn. Dat was in 1969.

'Toen diergedrag pas een vak werd op universiteiten, werden ethologen uitgelachen door andere wetenschappers die zeiden: dat is geen wetenschap. Om te bewijzen dat het wel een wetenschap was, hebben ze zichzelf heel strenge regels opgelegd. Je mocht een dier bijvoorbeeld geen naam geven, alleen een nummer. Want als je het een naam gaf, zeg, van je broer, dan zou je het karakter van je broer op het dier projecteren. Wat een waanzin.

'Er werd ook gezegd dat als je één troep leeuwen kende, je ze allemaal kende. Neem maar van mij aan dat iedere troep leeuwen weer verschillend is. Inmiddels is de houding van de wetenschap veel ontspannener geworden. Het taboe op antropomorfisme is aan het verdwijnen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden