Uw boeken liefhebben als u zelf

GEBONDEN GEEST, - dat is het boek. En die geest verheft de boekencollectioneur boven andere verzamelaars. De Londense antiquaar en oud-hoofdredacteur van The Times, William Rees-Mogg, onderscheidt al meteen op de eerste pagina van zijn How to Buy Rare Books de gewone verzamelaar - die van postzegels bijvoorbeeld - van...

Ik geloof het, ook wanneer eraan wordt toegevoegd dat een eerste druk de lezer dichter bij de schrijver brengt. En toch krijg ik de neiging de postzegelverzamelaar - de zondige jeugdige gestalte van de collectioneur - de geest te geven. Waarom is de bibliofiel een vertegenwoordiger van de hogere cultuur? Ik verlang er zelf naar cultuurloos te zijn als ik bij een Nederlandse antiquaar lees: 'Cultuur is de manier waarop in een land, bijvoorbeeld Nederland, geleefd wordt. Tegenwoordig kennen we Ikea, Endemol-producties, pseudo-replica's in zwoele kleuren en op tafel de volle agenda en kalender voor de toekomst. Een literair geïnteresseerde is al iemand geworden die een boek uit de toptien koopt, in de kast zet, geen tijd heeft om het te lezen en zich daar niet voor schaamt.' De auteur voegt eraan toe, dat hij chargeert, maar dat zegt iedereen die wil laten zien dat hij niet overdrijft. En dat alles om de teruggang in het kopen van antiquarische boeken te verklaren. Bij een antiquaar met een dergelijke hoogmoed als uithangbord zou ik niet eens in de etalage kijken. En ik ben meteen bereid een eerste druk van een catalogus van Ikea te gaan kopen.

Het oude als onderscheidingsteken, - ik kan er moeilijk tegen. De echte verzamelaars zullen het met André Swertz, zo heet de antiquaar, niet eens zijn. Ze mogen elkaar allemaal kennen, hun voornaamheid is dat ze zich niet laten kennen. In dit land is een verzamelaar anoniem. De grote boekhistoricus, Bert van Selm, heeft eens - met spijt - opgemerkt: 'Boekenverzamelaars leiden in ons land meestal een onzichtbaar bestaan.' En dat geldt ook voor het verleden. Een dergelijke traditie van onbekendheid is een cultuurgegeven zonder weerga. De verzamelaars zullen de historici nooit tegemoet moeten komen. Na hun dood spreken hun boeken wel. En hun geest verraadt zich in hun laatste beschikking erover: veilen en dus verspreiden of bijeenhouden en dus schenken aan een bibliotheek of instelling. De huiver voor hun heden: ik meen die te begrijpen. Want verzamelen is een op de toekomst gerichte activiteit. Het is in geen van de betekenissen een uiting van behoudzucht, hoeveel de grote verzamelaars achteraf ook blijken te hebben gered. Misschien is dit het voor de toekomst hoogst bereikbare: door een tot nu toe verwaarloosd aandachtsveld een nieuwe cultuurgebied te hebben ontsloten.

Maar dan dient er wel vanuit de collectie te worden gepubliceerd, door de bezitter of door anderen. Het persoonlijke wordt algemeen erfgoed. Het werk van de verzamelaar en wetenschapper op het gebied van de Nederlandse achttiende eeuw, P. J. Buijnsters, is een mooi voorbeeld. Wie meent dat hij zich dan prijsgeeft en Van der Selm tegemoet komt, vergist zich. Naarmate je meer wordt genoemd, wordt je meer anoniem.

DE VERSPREIDING VIA de veiling, - het is een daad van rechtvaardigheid. De bezitter dankt zijn verzameling aan de verspreiding, postuum geeft hij andere verzamelaars een kans. Mr. C. F. van Veen, een van de grote verzamelaars van kinderboeken die Nederland heeft gekend, wilde zijn bezit naar alle windstreken verspreid hebben. Het is gebeurd. Maar wie zijn levensverhaal - en dat is ook het verhaal van zijn verzamelingen - leest, kan de daad van de verspreiding moeilijk als een uiting van naastenliefde tegenover de andere verzamelaars zien. In het onlangs verschenen Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis (daarin ook de opmerkingen van Swertz) staat zijn verhaal, met veel sympathie geschreven door P. J. Buijnsters (die ook alles van oude kinderboeken weet).

Van Veen was een dilettant en wilde dat ook zijn. Maar de geestelijke loyaliteit de dilettant meestal eigen, was hem vreemd: hij had een afkeer van bijna iedereen die zich op officiële wijze met zijn aandachtsgebieden bezig hield. En was altijd bereid hen in toespraken te beledigen, - de bibliothecarissen, de museumdirecteuren. Buijnsters, die in eerdere publicaties altijd een grote voorkeur voor excentrieken en non-conformisten uit de bibliofiele wereld heeft getoond - misschien komt in die wereld ook wel geen normaal mens voor, de geschriften van De la Fontaine Verwey kunnen het ook bewijzen - kon bij Van Veen zijn hart hoog ophalen. Van Veens verdiensten zijn zeer groot, juist in de cultivering van verwaarloosde aandachtsgebieden, maar zijn eigenzinnigheid was te nadrukkelijk om niet irritant te zijn. En de testamentaire eis tot verspreiding kan moeilijk anders dan als een daad van wraak worden uitgelegd: hij gunde zijn collectie aan geen enkele officiële instantie, bibliotheek of instituut. Veiling als een laatste poging tot vernedering.

Over de psychologie van de verzamelaar is veel geschreven. Hij zou moederliefde en -aandacht tekort zijn gekomen, bijvoorbeeld. Maar er zijn natuurlijk ook weer beroemde verzamelaars met een allesgevende moeder. Hoe dan ook, verzamelen lijkt mij toch niet helemaal gezond, want er is altijd een leegte die moet worden gevuld. Een ongeduld dat zich niet laat beheersen. Een klein heelal waarin anderen niet worden toegelaten. En daar volgt angst voor grensoverschrijding uit. Maar ik denk dat de mogelijkheid tot overschatting van het verzamelde en ook van het verzamelen zelf het ergste is. Maar misschien kan men wel zeggen dat elk specialisme ongezond is.

Natuurlijk moeten we Bert Selm gelijk geven. In het diepst van ons hart. Want er is haast geen mooiere lectuur dan die over verzamelaars en hun blibliotheken. Want zo excentriek als ze mogen zijn, hun persoon en hun collectie zegt zeer veel over hun tijd. Dat bewijst de bijdrage over Gerard Meerman - de mede-naamgever van het museum Meermanno-Westreenianum in Den Haag - de achttiende-eeuwse verzamelaar, geleerde en maecenas. Jos van Heel is de auteur. De intellectuele wereld van Meermans wordt zichtbaar, de samenstelling van zijn veelzijdige bibliotheek, het openbare functioneren ervan: voor geleerden was een dergelijke particuliere bibliotheek een mogelijkheid boeken te kunnen bestuderen, te lenen zelfs. De verzamelaar collectioneerde niet voor zich alleen.

In het midden van de jaren zestig sloeg Meerman de slag van zijn leven, schrijft Van Heel, als Meerman de handschriftencollectie van een Parijs' jezuïeten-college kan kopen (de orde werd opgeheven). Ik vind dat een mooie, want voor alle verhalen over bibliofielen karakteristieke zin. Een keer wordt de toekomst in één bod werkelijkheid. Hoewel: een verzamelaar zei mij eens: elk boek is de slag van mijn leven. Maar hij bedoelde ook: door elk nieuw boek weet ik wat ik niet heb. Verzamelen is het gat vergroten.

Meerman was gemeenschapsbewust. Zijn zoon en erfgenaam, die de verzameling uitbreidde, niet minder; hij wilde de collectie schenken aan de Nederlandse Staat. Die weigerde. En de bibliotheek werd geveild. Wat al publiek was en het nog meer kon worden, werd eigendom van vele individuen. En zo ging een Nederlands erfgoed voor Nederland verloren. (Ik heb de indruk dat er altijd meer particuliere bibliotheken voor Nederland verloren zijn gegaan dan behouden gebleven). De onterfden, en dat zijn ook de volgende generaties, treuren. Wanneer de Bibliotheca Philosophica Hermetica geveild zal worden, gaat weer zo'n erfgoed verloren. Nooit zal een dergelijke collectie meer bijeen kunnen worden gebracht. Het treuren zal tot ver in de volgende eeuw duren. Terecht. (Het gerinkel van het geld zal maar enkele seconden hoorbaar zijn).

Het is haast tragikomisch dat in dit jaarboek, dat gewijd is aan het Nederlandse culturele erfgoed, zoals zich dat in verzamelingen en bibliotheken heeft gerealiseerd, stukken staan over Van Veen en Meerman. Want hun erfenis ging verloren. Er zijn natuurlijk ook vele particuliere collecties gered. Zij vormden vaak het fundament van grote nationale bibliotheken. Een heel mooi stuk in het jaarboek gaat over 'Barbarisme of beschaving'; de auteur ervan is N.C.F. van Sas. Onderwerp is de ontstaansgeschiedenis van de Nationale Bibliotheek in 1798, nu de Koninklijke Bibliotheek (overigens koninklijk gemaakt door koning Lodewijk Napoleon).

H ET MOOIE IS dat in de vernietiging van het oudere en 'hogere', van de gelijkschakeling door de Franse Revolutie het gevolg, in Frankrijk, maar ook in Nederland, de tegenkrachten opkomen. Zij verzetten zich tegen het vandalisme, een toen in Frankrijk ontstaan woord, ook vanuit nationalisme. Dat heeft heel veel ouds gered, want nationalisme is altijd op het verleden (en op de toekomst) georiënteerd. Het nationalisme verzamelt!

En zo ontstond in Nederland de Nationale Bibliotheek, met als eerste bibliothecaris een Franse abbé en als koninklijke naamgever ook een Fransman. Dat in 1797 ook de eerste hoogleraar 'vaderlandse taal en welsprekendheid' werd benoemd, Mathijs Siegenbeek in Leiden, is natuurlijk ook niet toevallig. De stichting van de Nationale Kunstgalerij in het Huis ten Bosch - de voorloper van het Amsterdamse Rijksmuseum - valt in dezelfde tijd (1800). Van de gevolgen van dat nationalisme zijn wij nog altijd de gelukkige erfgenamen.

Erfgoed raakt verspreid. Boeken en handschriften worden zo eerder onzichtbaar dan werken van beeldende kunst.

Otto S. Lankhorst geeft een gedetailleerd verslag van wat er tot nu toe in Oost-Europese bibliotheken ontdekt is. Over enkele eeuwen; de wetenschap werkt traag. Wat gevonden is, is niet weinig, hoewel, althans voor niet-specialisten, niet spectaculair. Maar er zal nog zeer veel meer moeten worden gezocht; het meeste leidt een verborgen leven. Over twee eeuwen zullen we meer weten.

Het zal een slechte trek in mij zijn, maar de ondergang van bibliotheken vind ik even boeiend als de opkomst ervan. Alexandrië en Pergamum kunnen op mijn blijvende warme aandacht rekenen. Ik heb dan ook bijna ademloos de bijdrage 'Boek en ramp' gelezen. Hans van der Hoeven schrijft over schade aan bibliotheken en collecties in Nederland en België in de twintigste eeuw. Zijn eerste zin doet het ergste vrezen: 'Boeken en collecties worden op velerlei manieren bedreigd.' Ja, mensen kunnen aan verschillende ziekten sterven. Maar dan begint vrijwel meteen de grootste ramp: de totale vernietiging van de universiteitsbibliotheek van Leuven op 25 en 26 augustus 1914. Driehonderdduizend boeken gingen verloren. Nadat ik diep had getreurd, moest ik echter lezen dat de bibliotheek, de universiteit zelf trouwens ook, niet belangrijk was en dat maar twee onvervangbare handschriften verloren gingen!

Na wat kleiner werk, volgt de tweede Leuvense vernietiging in de laatste oorlog. Weer ging alles verloren. De tweede opbouw kon beginnen. En toen volgde de derde ramp: de verdeling van de bibliotheek tussen het Nederlandse en het net gestichte Franse Leuven. Even nummers naar Leuven, oneven naar Louvaine-la Neuve. Over vandalisme gesproken. Het allermooiste korte verhaal in het artikel gaat over de in de oorlog verwoeste bibliotheek van de Vondel-professor Molkenboer. Kleinere en blijvende rampen - zoals diefstal en, ook een ramp, het uitlenen van de boeken - worden aan het slot van dat schitterend ontmoedigende stuk beschreven.

Het mooiste stuk uit dit zeer rijke jaarboek is van Willem Heijting. Het gaat over 'Boeken en lectuur in het Behouden Huys'. Wat lazen Willem Barentz en de zijnen in de duisternis van Nova Zembla? Bij hun vertrek lieten zij de boeken op het eiland achter. Niet om de beschrijving, maar vooral om de plaatsing van wat werd bewaard, is dit stuk, waarin de boekwetenschap haar archeologische kant op haar best toont, van belang. De boeken krijgen hun plaats in de toenmalige geestesgeschiedenis en lectuur. In dat kleine bibliotheekje spiegelt zich als in een scherf het licht van een tijd.

Vier vrij uitgebreide artikelen over de grote zegeningen en mogelijkheden van het gebruik van de computer in de boekwetenschap sluiten het boek af. Ik acht me niet competent over die stukken te oordelen. Ik begrijp dat er nog veel moet en kan gebeuren. Maar dat is in de wetenschap gewoon. Alles moet nog gebeuren of opnieuw worden gedaan. En dat is hetzelfde.

'Book collecting is first and foremost an expression of love', is de eerste zin van Rees-Moggs boek. Er moet zeer veel liefde in de wereld zijn. En de boeken hebben het beter dan de naasten. Ook dit jaarboek is een liefdevol boek. En wie zich slecht voelt - door veronachtzaming van zijn boeken bijvoorbeeld - neemt zich na lezing voor een beter mens te worden.

Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis 4/1997. Nederlandse Boekhistorische Vereniging, Leiden, prijs ¿ 60,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden