'Us Verlosser' als mens; ONTWAPENDE INKIJKJES IN HET FAMILIELEVEN VAN DOMELA NIEUWENHUIS

VERGELEKEN MET landen als Amerika en Engeland gaan wij preuts om met het persoonlijk leven van de politicus. Wij hoeven blijkbaar niet zo nodig te weten wie het met wie doet in politiek Den Haag of hoe de minister zondags zijn bejaarde moeder bezoekt....

Gaat het bij politici om kinderzorg, relaties of huishoudelijke taken, dan wordt dat al gauw afgedaan als flauwekul voor de roddelpers. De politicus wil wel mens zijn als het hem of haar publicitair uitkomt, maar bovenal een mythe van gezag en opoffering instandhouden.

Gêne over het privé-leven is dan ook zeker een van de voornaamste karakteristieken van de Nederlandse politieke cultuur, maar het gekke is dat dat eigenlijk pas gaat opvallen als de politicus het tijdelijke voor het eeuwige heeft verwisseld. Op zo'n moment komt veelal archiefmateriaal vrij dat licht werpt op iemands handel en wandel, ook in huiselijke kring.

Historici hebben eveneens generaties lang het persoonlijk leven veronachtzaamd, misschien wel uit eenzelfde soort gêne. De politiek-historische biografie is lange tijd een overwegend politieke biografie gebleven. Wat Drees, Romme, Beel, Colijn, Troelstra of Kuyper thuis uitspookten, hoe ze met geld omgingen, hoe ze hun familie ervoeren of waar of hoe ze hun vakantie doorbrachten, is slechts in bijzinnen of foto-onderschriften terug te vinden.

Alleen daarom al is 'En al beschouwen alle broeders mij als den verloren broeder', de uitgave van de persoonlijke correspondentie van en over Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919), opmerkelijk. De statuur van deze voorman van het socialisme en anarchisme in Nederland - oprichter van de Sociaal-Democratische Bond en hoofdredacteur van het onvolprezen blad Recht voor Allen - was immers gebaseerd op een zwaar geïdealiseerd beeld, dat vooral door zijn aanhang na zijn dood is gevormd. 'Us Verlosser' noemde ze hem op het straatarme Friese platteland en in tal van publicaties over zijn politieke activiteit wordt hij gekenschetst als een apostel van het socialisme, als de visionaire voorman die bereid was zijn rijke afkomst en zijn bestaan als dominee op te offeren om zijn lot te verbinden aan dat van de revolutionaire arbeidersklasse die de klassenstrijd moest voeren.

Zijn standbeeld in Amsterdam laat dan ook een eenvoudig gekleed man zien met een apostolische baard en vurige blik in de ogen, de hand tot opwekking van actie geheven. Domela's broer Adriaan schreef in 1932 aan zijn nichtje Johanna dat het beeld van haar vader naar zijn smaak nog te weinig 'het dramatische' en 'het epische' accentueerde. Het was te weinig 'de leider, geroepen het door hem aangevoeld volksgevoel tot een grootschen organisatorischen vorm der revolutionnaire ondervinding te verheffen'.

Zo herinnerde de aanhang zich Domela graag en, wie weet, Johanna ook wel, maar de correspondentie lezend kan men zich toch niet aan de indruk onttrekken dat Johanna zich haar vader vooral herinnerd zal hebben als de man die zijn hart kwam uitstorten over de moeilijkheden met zijn vierde, en psychotische, vrouw Bertha. Misschien herinnerde zij zich ook wel de vaderlijke vermaningen, omdat ze van haar toelage dure treinkaartjes tweede klasse kocht, want ook de onvermoeibare strijder tegen het grootkapitaal moest soms ten strijde trekken tegen kleine verkwisting. 'Och, als ik zoveel had, dan zou ik het je geven', schreef 'uw liefhebbende vader' in 1893 aan de

18-jarige Johanna die mooie kleren wenste te kopen, 'ofschoon het toch niet goed is dat men alles kan krijgen, want dan leert men nooit zuinig zijn, maar ik kan niet zoveel missen'.

Dergelijke ontwapenende inkijkjes in het familieleven van een negentiende-eeuws gezin maken deze briefuitgave buitengewoon boeiend. In zijn openbare gedrag, zijn pamfletten, zijn redevoeringen en zijn brieven aan andere socialisten is Nieuwenhuis een voorman met grote idealen; in de familiebrieven schuilt een mens met kleine sores. De door hem geschapen beeldvorming dat zijn breuk met het geloof een breuk met zijn familie betekende, blijkt bijvoorbeeld retoriek voor zijn nieuwe aanhang te zijn geweest. De correspondentie, die onderstreept hoezeer de brief in het leven van de negentiende-eeuwse bourgeoisfamilies het communicatiemiddel bij uitstek was, toont een blijvende interesse, ook in tijden dat de verhoudingen ernstig onder druk kwamen te staan door zijn radicaal andere opvattingen en levenspatroon.

Vervelend vonden broers, zusters, ooms en tantes het om op de beursvloer, bij kennissen, in de kerk of in de wandelgangen op het werk te worden geconfronteerd met vragen over gedragingen van 'die andere Domela Nieuwenhuis'. En ook zijn geheelonthouding vonden de meeste familieleden 'onaangenaam en ongezellig', net als zijn 'rampzaligen socialistischen vegetarischen hocus pocus'. Zijn nonchalance met geld was een voortdurende bron van zorg en ergernis. Hij speculeerde (wat voor een socialist opmerkelijk was) en was te goed van vertrouwen bij het verstrekken van leningen aan geestverwanten

Maar zelfs in 1887, toen hij de naam van de familie ernstig te grabbel had gegooid door in de gevangenis te belanden wegens majesteitsschennis in Recht voor Allen, bleef er contact, zij het op afstand en veelal indirect. Zijn orthodoxe zuster Fanny onterfde hem terstond, maar ook zij bleef zich in al haar ijzigheid op de hoogte houden van zijn gezondheid. De familie pleitte bij de gevangenisdirectie en de minister voor eerbiediging van zijn vegetarische dieet en zij toonde zich tevreden toen hij niet langer verpakkingen voor de Duyvis-fabrieken hoefde te plakken, maar vertaalwerk van uitgever Brill kreeg, dat meer bij zijn intellectuele capaciteiten paste.

Zelfs met broer Co bleef hij in contact, hoewel deze hoogleraar strafrecht in Groningen een van de pleitbezorgers was geweest van het nieuwe gevangenisregime, waarvan Ferdinand als een van de eersten in Nederland mocht genieten. In de veronderstelling dat Co graag wilde weten hoe het nieuwe 'cellulaire stelsel' in de praktijk beviel, schreef hij niet zonder ironie: 'Ik geloof dat menschen, die voorstanders zijn van iets door theoretische beschouwingen en kamerbespiegelingen, goed zouden doen te raadplegen met dezulken, die door ervaring zoo'n stelsel hebben leren kennen.'

De sobere, degelijke, maar daardoor ook fraaie briefuitgave toont een van de grootste figuren uit de Nederlandse geschiedenis in alle eenvoud en in al zijn sociale onhandigheid; met geldzorgen, met verdriet om het verlies van drie vrouwen en vier kinderen, als tobbende opvoeder, als respectvolle broer, kortom als mens.

Huub Wijfjes

'En al beschouwen alle broeders mij als den verloren broeder' - De familiecorrespondentie van en over Ferdinand Domela Nieuwenhuis. 1846-1932.

Bezorgd door Bert Altena, met medewerking van Rudolf de Jong.

Stichting Beheer IISG/Stichting F. Domela Nieuwenhuis-Fonds; 715 pagina's; ¿ 89,90.

ISBN 90 6861 134 8.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden