Ugandese bomen compenseren Nederlandse kooldioxide

In Uganda worden grote stukken land bebost om de uitstoot van kooldioxide in Nederland te compenseren. Met dit project willen de elektriciteitsproducenten goede sier maken op de klimaatconferentie in Japan....

PIET VAN SEETERS

ZE VALLEN OP in het groene landschap, de tientallen mannen in blauwe overalls en de vrouwen in dito schorten. Ze werken in een grote boomkwekerij aan de rand van het nationaal park Mount Elgon in het oosten van Uganda. De een houdt piepjonge boomscheuten uit de zon door er varens over te leggen. Een ander geeft de bakken met zaailingen van tropische bomen twee keer per dag water. Een derde in het blauw geklede medewerker laat zaailingen van twee jaar oud juist aan de zon wennen.

De mannen en vrouwen in het blauw horen bij een groep van enkele honderden werknemers van een Ugandees-Nederlands project om sterk aangetast tropisch regenwoud te herstellen. UWA-FACE Project staat er op de overalls. UWA staat voor Uganda Wildlife Authority en FACE is de Nederlandse stichting met de Engelse naam (Forests Absorbing Carbon Dioxide Emissions) die in Nederland maar vooral in de Derde Wereld bossen aanlegt. FACE doet dat sinds 1990 op verzoek van de in de SEP samenwerkende Nederlandse elektriciteitsproducenten.

Voor vijftien miljoen gulden per jaar (omgerekend twee kwartjes per gezin) compenseert de SEP de kooldioxide-uitstoot van een kolencentrale van 600 Megawatt door in 25 jaar tijd 150 duizend hectare bos aan te planten. Dat is bijna de helft van de Nederlandse bosoppervlakte. De bomen, zo luidt de redenering, halen kooldioxide uit de lucht om te groeien.

Het is voor de SEP aantrekkelijk om dat vooral in het buitenland te doen. Niet alleen omdat er in Nederland niet genoeg ruimte is, maar vooral omdat bosaanleg elders veel goedkoper is. Een ton kooldioxide vastleggen in een bos kost in Nederland elf gulden, in Oost-Europa vijf gulden, in Maleisië en Ecuador één gulden en in Uganda vijftig cent.

De SEP doet hiermee aan wat in het internationale jargon joint implementation heet. Dat wil zeggen dat een industrieland niet in eigen land investeert om broeikasgassen of verzuring terug te dringen, maar in Oost-Europa of de Derde Wereld omdat een investering daar meer rendement heeft.

De SEP heeft er belang bij dat joint implementation op de klimaatconferentie in Japan in december aanstaande als beleidsinstrument wordt erkend. Dan kan de kooldioxide die in het Ugandese bos wordt vastgelegd, formeel worden weggestreept tegen eenzelfde hoeveelheid die in Nederland wordt uitgestoten. Daardoor haalt Nederland eerder zijn doelstelling om de kooldioxide-uitstoot te verminderen.

Om meer bekendheid te kweken voor haar werk nodigde FACE eind vorige maand een groep Nederlandse journalisten uit om in Uganda te bekijken hoe op twee plaatsen bos wordt hersteld.

Vanuit de boomkwekerij en een educatief centrum, op tweeduizend meter hoogte, leiden enkele paden naar een vijfhonderd meter hogere bergtop in het westen van het nationaal park. Het is een steile klim maar het uitzicht is de beloning voor de inspanning. In het oosten ligt in de verte, op de grens met Kenya, Mount Elgon, de grootste uitgebluste vulkaan ter wereld.

Dichterbij strekt zich zover het oog reikt het regenwoud uit. Maar het is geen mooi gesloten kronendak, geen canopy. Er zitten veel gaten in het dak van het woud, afkomstig van open plekken in het bos. Die zijn hier voornamelijk door de mens veroorzaakt.

Uganda (negentien miljoen inwoners en zeven keer groter dan Nederland) heeft niet veel onaangetast bos meer. Welgeteld 3,8 procent van de oppervlakte bestaat uit tropisch oerwoud (en ook dat is nog maar ten dele ongerept). Een eeuw geleden was dat nog 30 procent. Het merendeel van het verdwenen bos is door menselijk ingrijpen omgezet in het voor Uganda typerende landschap, boomsavanne of woodland, of in kleinschalige landbouwgrond. Net als overal elders ter wereld heeft de mens hier via de methode van slash and burn oerbossen platgebrand.

Dat is voor de flora en fauna rond het nationaal park Mount Elgon niet voordelig geweest. Langs de weg van Kampala naar Mbale, dicht bij Mount Elgon Park, is nauwelijks natuur te zien en apen bijvoorbeeld helemaal niet. Dat kunnen de mensen zich hier niet permitteren, zegt dr. H. Rijksen, ecoloog en bestuurslid van FACE. In Uganda is banaan het hoofdvoedsel en bananenbomen zijn overal langs de wegen en in steden en dorpen te vinden. 'Als de mensen hier apen toelaten, vreten die de bananen en de maïs op. Dus worden de apen doodgemaakt.'

MOUNT ELGON is met een oppervlakte van 114 duizend hectare een van de grootste nationale parken van Uganda. Het heeft die status al sinds 1948. Maar de controle heeft te wensen overgelaten en bovendien had het land in de periode 1971-1986 tijdens het schrikbewind van eerst Idi Amin en later Milton Obote wel wat anders aan het hoofd.

Zodoende zijn de mensen op grote schaal vanuit het omliggende landbouwgebied het nationale park gaan gebruiken. Er wonen ruim vijftigduizend personen dicht tegen de grenzen aan van het nationale park. Want tot in de verre omgeving van de reusachtige vulkaan staan de hellingen hier als vruchtbare landbouwgrond bekend.

Op de meeste plaatsen is het aangetaste bos omgezet in grasland. Dat zijn de eerste plaatsen waar het UWA-FACE-project het bos herstelt door er bomen te planten. Op de kwekerij bij Mbale zijn de afgelopen drie jaar achthonderdduizend zaailingen opgekweekt waarvan een klein deel al is geplant. Er worden slechts tien soorten bomen gekweekt, allemaal inheemse. Sommige behoren tot ook in Europa bekende geslachten, zoals prunus en olijf.

Enkele van de tien soorten zijn pioniers. Die moeten de bodem rijp maken voordat later de andere soorten kunnen groeien die uiteindelijk als woudreuzen in de eindfase van het bos, de climaxvegeatie, de aanblik zullen bepalen. Pionierbomen hebben licht nodig, climaxbomen groeien bij voorkeur op in de schaduw.

Terwijl tientallen blauwe mannen en vrouwen bij de kwekerij bomen planten (vierhonderd per hectare, elke bomen krijgt 25 vierkante meter ruimte) legt FACE-voorzitter E. Nijpels uit dat hij met hart en ziel achter dit project staat. Want het levert driemaal winst op, zegt hij. Ten eerste wordt er kooldioxide vastgelegd. Ten tweede wordt het Ugandese bos hersteld.

Dat is hier in Mount Elgon niet alleen van belang voor de biodiversiteit (in het park zelf is flora en fauna nog rijkelijk aanwezig) maar ook voor de wijde omgeving. Want de berg levert met zijn beboste hellingen water voor meer dan een miljoen mensen in Uganda en Kenya. En ten derde, zegt Nijpels, verdienen enkele honderden mensen dankzij FACE een fatsoenlijke boterham. In dit nog steeds straatarme land staan de mensen daarvoor in de rij.

Het UWA-bestuur en de dagelijkse leiding van het project willen niet verbergen dat er ook problemen zijn. Zoals overal ter wereld is ook hier een spanning tussen landbouw en natuur aanwezig. De Ugandezen in de omgeving kunnen maar moeilijk aanvaarden dat ze hun koeien niet meer in het bos mogen laten grazen. Daar zijn de beesten goed verborgen voor veedieven uit Kenya die de buurt regelmatig onveilig maken. Het is ook niet meer de bedoeling dat de bevolking ongecontroleerd brandhout uit het nationale park weghaalt.

0D AT VEREIST veel voorlichting en overleg met de dorpsgemeenschappen. Het project kan op den duur alleen slagen met de medewerking van de bevolking, vindt de projectleiding, die daarom veel tijd steekt in voorlichting over andere landbouwmethoden, die minder ruimte vragen, en andere manieren van stoken waarvoor minder brandhout nodig is. En in het educatief centrum aan de rand van het park zijn elke week enkele tientallen kinderen voor een paar dagen te gast.

In de stad Jinja, waar de Nijl uit het Victoriameer te voorschijn komt, zitten enkele grote rafelige vogels, maraboes, in een boom. Die zitten daar al meer dan elf jaar elke dag, legt een Ugandees uit. Onder Amin en Obote was deze boom een executieplaats. Omdat maraboes dol zijn op bloed, zijn ze sinds 1986 blijven komen. Uganda is die vijftien jaren van terreur nog lang niet te boven. Het nationaal inkomen is in 1997 nog steeds 25 procent lager dan in 1970, het jaar voordat Amin aan de macht kwam.

Nu het economisch herstel sinds 1986 op gang gekomen is, lijkt Uganda alle buitenlandse hulp te willen gebruiken, die het kan krijgen. De Ugandese regering heeft er dan ook geen enkel probleem mee dat het FACE-project bij het klimaatverdrag is aangemeld als proefproject voor joint implementation.

Sommige ontwikkelingslanden zijn tegen dit systeem omdat ze vinden dat de rijke landen hun eigen problemen moeten oplossen en niet de Derde Wereld daarvoor moeten gebruiken. Ecokolonialisme wordt dat wel genoemd. Maar de Ugandese regering heeft er geen probleem mee.

Piet van Seeters

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden