Te jong voor ex-president

JIMMY CARTER was 56 toen hij in 1980 het veld moest ruimen voor de dertien jaar oudere Ronald Reagan. In de politiek ben je dan nog jong....

De ex-president speelt op z'n mooist nog een ceremoniële rol in de Amerikaanse samenleving. Hij bekleedt her of der een leerstoel. Hij schrijft z'n memoires. Hij wordt door zijn opvolger(s) nog wel eens geraadpleegd of zelfs in de een of andere commissie gevraagd. En overigens wordt hij geacht op zijn lauweren te rusten.

Aangenomen dat er lauweren zijn.

Het presidentschap van de Democraat Carter beklijfde in eerste instantie niet als erg briljant. Als betrekkelijk onbekende gouverneur van Georgia had hij in 1976 z'n verkiezing vooral te danken gehad aan de politieke en deels ook morele crisis waarin Nixon (en de brave Gerald Ford) het land hadden achtergelaten. Hij beloofde een regering die 'even goed, even eerlijk, even fatsoenlijk en even vervuld van compassie en liefde' zou zijn als het Amerikaanse volk, en bovenaan z'n agenda stonden Milieu, Ontwapening en Mensenrechten. Iets minder bevlogen waarnemers in Washington vroegen, als ze zijn naam hoorden: Jimmy Wie?

Het zat de vrome olienotenkweker uit Plains niet mee in het Witte Huis. Eén moment van glorie: de wijze waarop hij Begin en Sadat na moeizame onderhandelingen tot het Israëlisch-Egyptische Camp David-akkoord wist te kneden - met veel Baptistische zondagschoolzalving die, naar later zou blijken, meer aan Sadat dan aan Begin was besteed.

Maar z'n cruciale laatste jaar was er een van louter beproevingen, te beginnen met de val van de sjah en de revolutie van Khomeini, en culminerend in de gijzeling van 52 Amerikanen uit de ambassade in Teheran. In dat hele proces is ongeveer alles mis gegaan wat er maar mis kon gaan; van de foute taxatie van wat er in Iran werkelijk aan de hand was, via de welbewuste menslievendheid jegens de gevluchte sjah tot en met de amateuristische poging om de gijzelaars te bevrijden - een hele keten van vernederingen die tot niet anders konden leiden dan tot Carters danige nederlaag in de strijd om een tweede termijn.

Zesenvijftig jaar dus, door vrijwel niemand betreurd, naar het oordeel ook van zijn politieke vrienden een onverbeterlijke padvinder die alles had mogen worden als het maar geen president was geweest, en terug in Plains waar de pinda's er ook niet meer florissant bij bleken te staan: een ander zou regelrecht naar de psychiater zijn doorgelopen.

Maar Carter had zijn eigen therapie - en zijn eigen Rosalynn, die hij volgens een beroemde uitspraak slechts één keer, en dan alleen nog maar in gedachte, ontrouw was geweest - en begon vanuit een door hem zelf ingericht Carter Centre aan een tweede openbare leven dat het vorige, van alweer achttien jaar geleden, al helemaal heeft overschaduwd.

Missies naar de voormalige Sovjet-Unie, naar China, naar Ethiopië, Eritrea en Nigeria, naar het Midden-Oosten, naar Noord-Korea, Haïti en Bosnië hebben hem intussen beroemder gemaakt dan hij ooit in het Witte Huis had gedroomd te kunnen worden - en er hoeft maar ergens op aarde een gevaarlijk conflict te dreigen, of in Plains, Georgia, begint de adrenaline op te spelen bij de inmiddels 74 jaar oude ex-president die in z'n vrije tijd graag een christelijk gedicht schrijft, of een eikenhouten kast timmert of naar een zalm hengelt, maar die zich verder nog geen dag ambtsrust heeft gegund.

In The Unfinished Presidency schetst de jonge historicus Douglas Brinkley tot in de kleinste details de wonderbaarlijke wederopstanding van een in feite al afgeschreven staatsman die er in Georgia een particuliere Verenigde Naties op na lijkt te houden, compleet met een reusachtige staf en een even reusachtig internationaal netwerk dat hij soms ter beschikking stelt van de zittende president, maar waarmee hij een andere keer - zoals in de dagen die voorafgingen aan de Golfoorlog - ook dwars tegen de belangen van Washington in roeit.

Wat drijft hem?

Dat is natuurlijk de (psychologisch) interessante vraag, waaraan Brinkley zich helaas niet al te veel gelegen laat liggen. Zendelingenijver is uiteraard een factor - die verklaart ook Carters onmiskenbare hang naar notoire 'zondaren' in de politiek: Kim Il Sung in Noord-Korea, Cedras in Haïti, Arafat (maar eigenlijk ook Begin, die tenslotte ook terrorist was geweest) in het Midden-Oosten, Karadzic in Bosnië; met de bekering van slechteriken haalt de geboren missionaris de meeste eer van z'n werk.

Terwijl Bush omzichtig bezig was een grote coalitie tegen Irak te smeden, richtte Carter zich in november 1990 per brief tot onder anderen Mitterrand, Gorbatsjov, Thatcher en Li Peng met een oproep om toch vooral te blijven onderhandelen - een demarche die dicht in de buurt kwam van wat zeker in Amerika al gauw als een onvaderlandslievende activiteit kon worden aangemerkt. De bekering van Saddam Hussein moet in Plains als een super-ideaal zijn gezien.

Brinkley oppert ook de mogelijkheid dat Carter nog altijd een oogje heeft op de Nobelprijs voor de vrede, waarop hij als architect van Camp David vermoedelijk al in 1978 had gehoopt - maar toen ging de prijs naar Begin en Sadat.

Wat is er meer, ter verklaring van het raadsel?

Brinkley blijft het antwoord schuldig. Erg kritisch is hij niet tegenover de man over wiens presidentschap hij trouwens nog een (driedelige!) studie in de pen heeft. Het beeld van de weldoener die met zijn wijd opengesperde blauwe ogen ook de boosaardigste dictators aan het bidden wist te krijgen - van Realpolitik had Carter nooit kaas gegeten - begint op den duur wat te vervelen; je gaat als lezer naar het moment verlangen dat er ook eens een rotstreek aan de orde is. Maar dat komt niet. Dat wil zeggen: het komt er alleen maar in de interpretatie van anderen, de regerende presidenten en hun ministers van Buitenlandse Zaken, vooral, die in de afgelopen achttien jaar wel eens krankzinnig moeten zijn geworden van die blikken dominee met die eeuwige olijftak tussen z'n tanden. Duiven zijn ook hinderlijke vogels.

Zonder daar verder een punt van te maken laat Brinkley één ding duidelijk zien: Carter was noch is als het erop aankomt een wereldvreemde luchtfietser. Het is de vraag of zijn diverse missies veel hebben opgeleverd, maar het is zeker dat hij er telkens opnieuw de maximale publiciteit uit gehaald heeft. En dat doe je niet als je alleen maar aan Onze-Lieve-Heer denkt.

Jan Blokker

Douglas Brinkley: The Unfinished Presidency - Jimmy Carter's Journey beyond the White House.

Viking, import Penguin Nederland; 586 pagina's; omstreeks * 70,-.

ISBN 0 670 88006 X.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden