Superslim maar niet gelukkig

HOOGBEGAAFDE kinderen kunnen alles bereiken wat ze willen, zonder hulp. Ze zijn arrogant en sociaal onhandig, dus zijn ze net zo lief alleen....

In De begeleiding van hoogbegaafde kinderen van de Amerikaanse auteurs J.T. Webb, A.A. Meckstroth en S. Tolan wordt dit soort vooroordelen opgesomd. Dat ze nog springlevend zijn bewijst Liesbeth Wytzes in haar column in het juninummer van J/M. Daarin ventileert zij haar ergernis over deze kinderen en hun ouders. Het was haar opgevallen dat veel hoogbegaafden hun talenten wel erg goed verborgen houden, behalve dan voor hun ouders. Wytzes vond het beter als kinderen niet het idee werd gegeven dat ze een speciaal talent hadden. 'Laat ze het zelf maar uitzoeken, daar worden ze zelfstandig van.'

De auteurs van dit boek stellen het anders: 'Hoogbegaafde kinderen worden misschien in het algemeen verwaarloosd door de maatschappij. Toch worden ze zelden genegeerd als individu. Hun enthousiasme, intensiteit en spitsvondig gedrag roepen vaak sterke emotionele reacties van derden op, die het kind op z'n plaats willen zetten of beperken. De onderliggende boodschap is duidelijk: 'Ze kunnen beter maar direct leren dat ze niets meer zijn dan de anderen!' '

Wat is het toch dat bijna iedereen de kriebels krijgt bij het horen van het woord 'hoogbegaafd'? Ouders merken dat, zodra het H-woord valt, er afstand ontstaat. De auteurs van dit boek adviseren andere termen te kiezen, ook in gesprekken met het kind. Beter vallen kwalificaties als vlot, slim, getalenteerd, of 'ons kind kan goed leren'.

Kinderen worden als hoogbegaafd aangemerkt als zij de intellectuele capaciteiten tonen die de bovenste 3 procent van de bevolking heeft. Dit komt overeen met een intelligentiequotiënt (IQ) van 130 of hoger. In Nederland zou dat om ruim 360 duizend mensen gaan; zestigduizend daarvan zijn extreem begaafd.

De aantallen worden kleiner wanneer we boven een IQ van 140 komen. De groep slimmeriken is divers: tussen een IQ van 130 en 200 zit een spreiding van 70 punten, terwijl tussen de zwakbegaafden (IQ van minder dan 85) en de zeer getalenteerdem maar 45 punten zit. Tweederde van alle mensen heeft een IQ tussen de 90 en de 110. De verschillen tussen de slimmerds zijn dus enorm; over één kam scheren is niet reëel.

Dat slimme kinderen hun talenten goed verborgen weten te houden is een observatie van Wytzes die wél toevallig klopt. Onderzoek wijst uit dat leerkrachten de helft van de kinderen die op basis van intelligentietests als hoogbegaafd kunnen worden aangemerkt, niet als zodanig herkennen. Uit recent Amerikaans onderzoek blijkt dat 57 procent van de schoolhoofden denkt geen hoogbegaafde leerlingen in huis te hebben.

De intelligentie blijkt niet altijd uit schoolprestaties, en deze kinderen kunnen hun vermogens niet altijd tonen op de manier die de test verwacht.

In tegenstelling tot wat veel mensen geloven, is een getalenteerd kind niet altijd in staat zijn eigen weg te vinden. Ze hebben problemen die andere mensen niet hebben, en verdienen steun bij de oplossing daarvan. Die problemen worden voor een deel veroorzaakt door de afwijzende of ambivalente houding van de omgeving. Een kind kan wat verstandelijke vermogens betreft functioneren alsof het veel ouder is, maar emotioneel is het gewoon een gevoelig kind van 8 of 10 of 12 jaar. Volwassenen begrijpen dat vaak niet en zeggen dingen als: 'Als je dan zo slim bent, waarom moet je je dan gedragen als een baby?' Anderen reageren onvriendelijk uit rancune of jaloezie. Of uit oprechte onwetendheid.

In De begeleiding van hoogbegaafde kinderen worden de problemen die de kinderen en hun ouders tegenkomen stuk voor stuk behandeld. Het is nogal wat: problemen met motivatie, discipline, stress, relaties, rivaliteit, tradities, tot aan neerslachtigheid en depressie.

Als het superslimme kind voor het eerst naar school gaat, merkt het vaak pas dat het anders is dan anderen. Het gebruikt een andere taal, andere woorden, heeft minder oefening nodig om een werkwijze te begrijpen, pakt bijna alles op een andere manier aan en is in de helft of een kwart van de tijd klaar. In de overblijvende tijd mag het andere kinderen helpen, planten water geven, lezen of tekenen. Hun schooltijd besteden ze voor een groot deel aan wachten tot de anderen klaar zijn.

In 1996 wordt in een rapport van het ministerie van Onderwijs geconstateerd: 'Het onderwijs is niet of onvoldoende in staat om bepaalde kinderen aan de bovenkant van het begaafdheidsspectrum adequaat op te vangen. Scholen missen basale kennis hoe adaptief onderwijs te organiseren en ze missen basiskennis over ontwikkelingsproblemen die zich bij hoogbegaafden voordoen. Ze lijken de problemen zelfs te ontkennen.'

De auteurs adviseren: stel je eens voor dat je moet leven in een land van zwakbegaafden, die alles op hun beperkte manier doen en daar tevreden mee zijn. Slimme kinderen concluderen al snel dat zíj niet deugen, dat ze niet aardig zijn; ze passen zich aan om er een beetje bij te horen.

De vertalers zijn dicht bij de oorspronkelijke tekst gebleven. Het gevolg is dat het boek zeer Amerikaans blijft en veel Amerikaanse voorbeelden geeft. De auteurs hebben in de VS oudergroepen opgezet, waarin ouders problemen inventariseren en over oplossingen praten. Maar het boek is wel bewerkt voor de Nederlandse situatie, en de bewerkers hebben ook hier oudergroepen georganiseerd. Alles wat ouders en kinderen kan helpen eventuele problemen aan te pakken, is uit de kast getrokken. Relevante literatuur, ook over de mogelijkheden voor aanvullend onderwijs, is bijeengebracht. Zo ontstond een min of meer compleet boek over de omgang met hoogbegaafde kinderen, dat zeker in een behoefte zal voorzien.

Op een enkel punt gaan de auteurs de mist in. Een ouder vraagt: 'Zelf heb ik het idee dat mijn kind hoogbegaafd is, maar op school haalt het alleen zessen en zevens. Wat nu?' De Nederlandse bewerkers antwoorden: 'Het is zeer wel mogelijk dat het kind hoogbegaafd is, maar dat dit nog niet is herkend. U kunt uw zoon laten onderzoeken buiten de school door een testpsycholoog, en ga afhankelijk van het resultaat praten met zijn leerkrachten met het verzoek hem met andere ogen te bekijken.'

Dat is wel heel makkelijk gezegd. Uit het tijdschrift Talent (van oudervereniging Pharos) blijkt dat het contact tussen ouders en school vaak moeizaam verloopt. Als ouders zonder overleg een kind laten testen, lopen zij grote kans dat de leerkrachten zich gepasseerd voelen, de testresultaten wantrouwen, en verder overleg weigeren. Dan ben je een stuk verder van huis. Veel getalenteerde kinderen lopen daardoor vast in het basis- of voortgezet onderwijs. Een hoofdstuk over de communicatie tussen ouders, leerkrachten en schoolleiding was nuttig geweest.

Dit ene minpunt maakt het boek niet minder waardevol. Het is duidelijk, beknopt, gericht op praktische oplossingen en verwijst naar literatuur op deelgebieden. Ondersteunend voor ouders van slimmeriken, hun docenten en eigenlijk ook voor de andere ouders. Om meer begrip te kweken voor deze kinderen die ook recht hebben op een fijne kindertijd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden