Strenge poëzie vol landschap en verlangen

Het monumentale dichterschap van de donderdagnacht overleden Ida Gerhardt is laat erkend. Beschamend laat, vond ook de vrouw die het droevig lot van de eenzame en voor anderen onbereikbare keer op keer heeft bezongen....

DE regels om haar mee te gedenken zijn talrijk, binnen haar oeuvre, want zij was een sombere dichteres, die telkens opnieuw dichtte over de dood, de uitzichtloosheid van dit leven en de godverlatenheid van al ons beredderen. Maar misschien moeten het deze regels zijn die haar voor vandaag het helderst mogen karakteriseren. Ze komen uit dat gruwelijke en gruwelijk mooie 'Sonnet voor mijn moeder': 'Wij horen bij dit stormbevochten land/ van kavels, tussen dijk en stroom geslagen.'

Want Ida Gerhardt was een Hollandse dichteres bij uitstek; zij en haar werk, ze horen bij dit land en deze luchten. Zo veel aan de klassieke Griekse literatuur ontleende beeldentaal kan er niet in haar verzen staan, of ze is ingebed in het idioom van het calvinisme en het door wolken beschaduwde landschap van rivieren en weilanden dat zo karakteristiek is voor de Lage Landen. De natuur mag dan in sommige van haar gedichten een bron van vertroosting zijn, het is diezelfde natuur die er veel vaker nog in aanwezig is als een dreiging, als een tegenstrever met wie een gevecht moet worden geleverd.

'Dolle kervel, bitterzoet/ overgroei van Hollands Lethe', heet het in 'Klein Grafmonument'. In de 'sombere olmenlaan' wrokt 'een achterdochtig onverstaan'; de bewoners van die polders, akkers en uiterwaarden hebben hun plaats moeten bevechten, en zij weten het. Ze zijn de hoeders van een boosaardig geheim. Ze soebatten erover met hun God, ze dragen het over op hun kinderen - achterdochtig en op hun hoede. 'Den vreemdeling behoede God -/ De heemhond vliegt hem naar de strot', en, navranter nog, in een gedicht dat zij aan haar grootouders opdroeg: 'De vader heeft het mes geslepen,/ de kinderen wachten, wit en stil./ De moeder houdt haar bord omgrepen/ alsof zij het vergruizelen wil.'

Dat het hier niet pluis is, op aarde niet en in dat ogenschijnlijk lieflijke rivierenland bij uitstek niet, dat heeft zij altijd geweten, Ida Gerhardt. Zij heeft het droevige lot van de eenzame, van degene die zichzelf en de anderen onbereikbaar weet, keer op keer bezongen, in strenge, vormelijke verzen, die bij eerste lezing soms een weinig ouderwets aandoen. Bezweringen zijn het, formules gevat in de taal van eeuwen, verrijkt met eeuwige beelden, geschreven in de kennelijke hoop dat taal en traditie nog enig houvast bieden.

'Ik heb dit donkere boek geschreven,/ want God heeft het mij opgelegd': zo begint het eerste gedicht uit wat haar, naar mijn oordeel, mooiste en indrukwekkendste bundel is, Het levend momogram, uit 1955. 'Geen uur ben ik alleen gebleven/ dat het mij nièt werd aangezegd'. Dat dat boek, al met al, nog heel omvangrijk geworden is - twee monumentale delen in een cassette, in de laatste uitgave van haar verzamelde gedichten -, dat had niemand kunnen voorzien. Ook zijzelf niet.

Ze debuteerde immers pas in 1940, met de bundel Kosmos, toen ze al vijfendertig was, een leeftijd waarop de meeste dichters zichzelf gaan herhalen of er de brui aan geven. Een klein bundeltje, nauwelijks opgemerkt indertijd, verzwolgen door het oorlogsgeweld. Na de bevrijding zou het deel uitmaken van de omvangrijker bundel Het veerhuis.

De auteur van die twee in elkaar opgegane eerste bundels was vooralsnog veeleer geleerde en lerares oude talen dan dichteres. Het zou lang duren voor er erkenning voor haar monumentale dichterschap kwam, en toen die kwam was het te laat.

De dichteres zelf heeft niet nagelaten daarop te wijzen bij de bekroning van haar werken - in 1979, toen ze binnen een jaar zowel de Prijs voor Meesterschap van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde kreeg als de P.C. Hooftprijs.

Dat was beschamend laat. Ze was toen al vierenzeventig, en de auteur van, behalve de al genoemde bundels, inmiddels klassieke titels als De slechtvalk, De ravenveer, De hovenier en de Sonnetten van een leraar. Later zijn daar nog, onder meer, Het sterreschip, De adelaarsvarens en De zomen van het licht bijgekomen.

Het werk dat uit haar vak was voortgevloeid - ze was classica, en promoveerde in 1942 op een Lucretius-vertaling - was in 1968 al bekroond, toen ze de Nijhoffprijs kreeg voor haar vertaalwerk. Behalve Lucretius had ze ook de Georgica van Vergilius vertaald, dat tractaat over het boerenbedrijf en -leven dat, net als het werk van Lucretius, zo goed aansloot bij haar eigen poëtische idioom. In 1972 zou daar nog een veelgeprezen vertaling van de Psalmen bijkomen, die zij samen met haar levensgezellin Marie van der Zeijde had gemaakt.

Soms kondigt een dichterlijk oeuvre zich al aan in een eerste regel. In die eerste regels van Kosmos staat haar oeuvre in een kiemcel bijeen; het zegt iets over de consistentie van haar dichterschap en haar wereldbeeld. Dit zijn ze: 'Het landschap had ons opgenomen,/ de dag heeft helder ons behoord;/ de open hemel, 't gras, de bomen,/ een levend water - en volkomen/ de vreugde van woord en wederwoord.'

Het is nog een beetje stuntelig, een beetje houterig, maar het is er allemaal: het landschap, het verlangen erin op te gaan, de verslaafdheid aan de taal. In de dramatische verwerking van haar jeugd in Het levend monogram komt dat allemaal terug. Marie van der Zeyde heeft in haar boekje De hand van de dichter geprobeerd dat alles een plaats te geven in Gerhardts biografie.

Ze werd in 1905 in Gorinchem geboren, midden in het rivierenland, en verhuisde als kind naar de 'zwarte brandersstad' Rotterdam. Haar jeugd is gevat in duistere beelden, die vooral haar moeder betreffen. 'Wat staat gij naast mijn bed, Moeder van gene zijde... Ik wìl niet wakker worden, als gij naast mij staat.'

Wat er gebeurde tussen het kind en haar moeder is onachterhaalbaar, maar het heeft Gerhardts wereldbeeld en de toon van haar poëzie bepaald. 'Opeens voelde ik, dat gij mij naar het water trok.' Die liefdeloosheid is uitgemond in dramatisch mooie gedichten, als 'Radiobericht': 'Te Grave beneden de sluis/ voorbij de zware deuren/ mag mij het water sleuren/ en kantelen met geruis.'

In Rotterdam kreeg Gerhardt, op het Erasmiaans Gymnasium, les van Leopold, dichter en classicus ineen. Hij heeft haar de liefde voor de taal van de poëzie en de klassieken bijgebracht, die elders in haar werk zo dikwijls een bron van troost is. Het is een liefde die het hebben moet van disciplinering, van een streng vormbewustzijn en een groot respect voor de literaire traditie.

Misschien zegt ze het nergens duidelijker dan in 'Archaïsche grafsteen'. Het is het bericht van een teruggevonden vroeg-Griekse zerk, een stèlè. Een man gedenkt zijn vrouw. 'Zij heeft het brood gebakken,/ zij heeft de wol gesponnen/ het huis in stand gehouden.' Daar was het haar om begonnen, het huis van de literatuur in stand houden.

Michaël Zeeman

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden