ColumnJoost Zaat

Stiekem een medicijn in de koffie: wanneer slaat medische noodzaak om in dwang?

Jarenlang kreeg mijnheer Koudekerke via een collega-huisarts een paar druppels haldol in zijn koffie. Hij wist dat zelf niet, maar in overleg met de familie leek het toch de enige manier om zijn agressie en seksuele ontremming tegen te gaan. Met die druppels was het een aardige stokoude man, zonder een onhanteerbare bullebak. Daar leed hij zelf ook onder, maar vanwege zijn ‘ziekte’ wilde hij van medicijnen niks weten. 

Zo’n ‘behandeling’ zit dus op de grens tussen dwang en medische noodzaak. Ethisch is dat op de rand, maar daarop balanceren huisartsen noodgedwongen vaker. Dwangmaatregelen zoals de deur op slot of cameratoezicht waren tot voor kort alleen in een verpleeghuis of binnen de muren van een psychiatrische instelling mogelijk. 

Vanaf 1 januari 2020 zijn er twee wetten om die dwang ‘beter’ te regelen: eentje voor de ggz (Wvggz) en eentje voor mensen met psychogeriatrische aandoeningen en verstandelijke handicaps (Wzd). Omdat demente ouderen met gedragsproblemen noodgedwongen heel lang thuis moeten wonen kan dwang nu ook thuis. Hun rechten moesten volgens patiëntenorganisaties en het ministerie van VWS beter gewaarborgd worden en daar valt veel voor te zeggen. Zorgverleners zijn niet tegen dat idee maar wel tegen de bureaucratische rompslomp. VWS wilde de wet niet uitstellen. Psychiaters rolden in het gebouw van de Tweede Kamer dus kortgeleden de 25 meter papier (75 A4-tjes) uit, die ze per patiënt moeten invullen voordat ze zo’n maatregel kunnen uitvoeren. 

Met die ggz-wet heb ik niet veel te maken, maar wel met die wet voor thuiswonende mensen met dementie en daar is het niet veel beter. Als er zonder ‘vrijwillige’ zorg schade kan ontstaan én behandeling die schade kan voorkomen, zijn dwangmaatregelen mogelijk. Het gaat dan bijvoorbeeld om toezicht (webcam), een slot op de deur, een beperkte telefoon zodat mijnheer Koudekerke niet meer vijftig keer daags zijn dochter kan bellen en medicatie die gedrag beïnvloedt. 

Een zorgverantwoordelijke moet die maatregel in het zorgplan opnemen en dat plan met minimaal één andere deskundige bespreken. De door de organisatie aangestelde aparte functionaris Wzd let erop of alles goed gaat en de maatregel moet bij iedereen om de paar maanden geëvalueerd worden. De zorgverantwoordelijke wijst de patiënt verplicht op het bestaan van een cliëntvertrouwenspersoon, die voor zijn rechten op moet komen. Snapt u het nog?

Ik vraag me dus af hoe ik aan al die functionarissen moet komen. Mijn beroepsorganisatie zegt dat die hele wet niet voor de huisarts is; de ouderendokters vinden dat ze hun vingers niet moeten branden aan het toepassen van de wet buiten de muren van hun verpleeghuis en er blijken maar vier landelijke werkende organisaties van vertrouwenspersonen te zijn. Geruststellend: dat ‘nieuwe beroep’ heeft al wel een kwaliteitskader en ook de IGJ (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd) heeft alvast vastgelegd hoe ze toezicht gaat houden.

Gelukkig is mijnheer Koudekerke net voor 1 januari verhuisd, anders zat mijn collega mooi fout met de illegale onvrijwillige druppels door zijn koffie. Ik ben niet de enige die van mening is dat het huwelijk tussen patiëntvertegenwoordigers en een halsstarrig VWS twee draken heeft gebaard.

Meer column van huisarts Joost Zaat

Na twee maanden hadden we een nieuw probleem: ze ging niet dood.

Ik koester de mogelijkheid om onder de cholesterolmaffia uit te komen.

De patiënt moet niet de dupe zijn van mijn drukte

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden