Sprookjes uit over-over-overgrootmoeders tijd

Antropologie letteren

Waar komen onze sprookjes vandaan? Volgens nieuwe inzichten zijn bekende sprookjes véél ouder dan gedacht. Misschien zong Repelsteeltje al toen het schrift nog niet eens was uitgevonden.

Beeld Martyn F Overweel

Aan het eind van het bos stond een huisje op een hoge berg. En voor dat huisje brandde een vuur, waar een gek mannetje omheen danste en zong:

Wat een geluk dat niemand weet

Dat ik Repelsteeltje heet

Vrijwel iedereen kent dit rijmpje uit het verhaal van Repelsteeltje, de listige dwerg die nietsvermoedend zijn naam aan een stiekeme toehoorder verklapt.

Zestiende eeuw

Tot voor kort werd aangenomen dat dit klassieke sprookje van Grimm uit de zestiende eeuw stamt. De naam Repelsteeltje vinden we in de bronnen voor het eerst in een Duitse satirische verhalenbundel uit 1575.

Maar dat beeld werd onlangs onderuit gehaald door twee onderzoekers, die ontdekten dat het sprookje zeker 2.500 jaar oud moet zijn. Minstens vijf keer zo oud als werd gedacht! En dat geldt niet alleen voor Repelsteeltje. In het tijdschrift Royal Society Open Science concluderen de Britse antropoloog Jamie Tehrani en de Portugese literatuurwetenschapper Sara Graça da Silva dat ook bekende sprookjes als Belle en het beest en Sjaak en de bonenstaak uit de diepe prehistorie moeten stammen.

Stel je het fluisterspelletje voor, waarbij je een verhaal moet doorvertellen aan iemand die het weer aan een ander doorvertelt. Bij elke stap in het spelletje kan er een woord veranderen of iets verloren gaan, omdat mensen elkaar niet goed begrijpen of details vergeten. Aan het eind komt er een heel ander verhaal uit.

De Indo-Europese stamboom

Het Perzische woord voor dochter is dokhtar, voor moeder is madar en voor kaal is kal. De gelijkenissen zijn geen toeval, want het Nederlands en Perzisch zijn familie van elkaar. Ze stammen beide af van de Indo-Europese oertaal die zo'n 6.000 jaar geleden gesproken werd. Die taal vormt de basis van inmiddels zo'n vierhonderd talen over de wereld, waaronder ook Engels, Spaans, Russisch, Grieks en Hindi.

Bewijs

Je zou denken dat een verhaal onmogelijk duizenden jaren lang in een herkenbare vorm kan worden doorverteld. Toch denken Tehrani en Da Silva dat ze daarvoor overtuigend bewijs hebben gevonden, ook al reiken de geschreven bronnen lang niet zo ver terug.

De twee onderzoekers maakten gebruik van een grote wetenschappelijke index van volksverhalen uit Europa en West-Azië, waarop ze evolutionaire computertechnieken loslieten. Met deze statistische rekenprogramma's worden in de biologie de genetische verwantschap en afstamming van soorten gereconstrueerd. Als resultaat komt een evolutiestamboom tevoorschijn, met een gemeenschappelijke voorouder.

'Sprookjes zijn bij uitstek geschikt voor deze methodes, omdat ze in de loop der tijd opeenstapelende veranderingen hebben ondergaan', zegt literatuurwetenschapper Da Silva van de Nieuwe Universiteit van Lissabon. 'Sprookjes evolueren en kunnen verdwijnen, net als biologische soorten.'

Beeld Martyn F Overweel

Verspreiding

Da Silva en haar collega selecteerden voor hun onderzoek 275 magische verhaaltypen die bekend zijn in Europa en West-Azië om te testen hoe de verhalen zich van India tot Scandinavië hebben verbreid. Die verbreiding vergeleken zij met hoe de Indo-Europese talen - waartoe onder meer Nederlands, Russisch, Grieks en Perzisch behoren - zich over het continent hebben verspreid.

Volgens hun analyses wordt de herkomst van 76 verhaaltypen vooral verklaard door een lange lijn van mondelinge overleveringen. Bijvoorbeeld het sprookje van Belle en het beest, waarin een meisje met haar innige liefde een vreselijk beest in een prins doet veranderen. We kennen het als Disney-klassieker, maar de vroegst geschreven versies van het verhaal duiken al op in de eerste eeuwen van onze jaartelling bij de Berbers-Romeinse schrijver Lucius Apuleius, en ook als Indiase dierenfabel.

Met de Indo-Europese taalstamboom als tijdlijn berekenden de onderzoekers hoe diep in de geschiedenis deze verhalen terugreiken. Veruit het oudste sprookje moet dat van de smid zijn die een pact sluit met de duivel. Een gewiekste smid verkoopt zijn ziel in ruil voor bovennatuurlijke krachten, die hij gebruikt om de duivel uiteindelijk te slim af te zijn. Dit verhaal werd volgens Tehrani en Da Silva waarschijnlijk al in de bronstijd - zo'n 6.000 jaar geleden - verteld door de gemeenschappelijke voorouders van alle Indo-Europees sprekende culturen.

Het sprookje van Vrouw Holle

Het sprookje van Vrouw Holle behoort tot de klassieke sprookjesverzameling van de gebroeders Grimm die voor het eerst in 1812 verscheen. Het volksverhaal over een vlijtige en een luie zuster die karweitjes moeten doen voor Vrouw Holle en hiervoor beloond dan wel gestraft worden, is in heel Europa bekend. Met computerberekeningen van 700 versies ontwaarde onderzoeker Robert Ross vijf culturele invloedssferen in Europa die sterk door taalverwantschap, maar nog meer door geografische nabijheid lijken te zijn bepaald. Zo is er een variant waarin Vrouw Holle is vervangen door een religieus figuur, zoals de maagd Maria, die het brave kind naar de hemel zendt en het stoute kind naar de hel. Die variant is opgetekend in Nederland en Vlaanderen, maar ook bij Franstaligen in Wallonië en Noord-Frankrijk.

Beeld Martyn F Overweel

Oude oorsprong

Het is de postume bevestiging van wat de gebroeders Grimm altijd al hebben gezegd: dat sprookjes een heel oude oorsprong hebben. Tehrani en Da Silva wilden laten zien dat de gebroeders er met hun negentiende-eeuwse overtuiging niet naast zaten.

Hun conclusies gingen als ronkend wetenschapsnieuws de wereld over, maar worden door critici koeler ontvangen. Dat sprookjes uit de bronstijd stammen is pure speculatie, vindt de aan het Meertens Instituut verbonden historisch antropoloog Willem de Blécourt. Het onderzoek heeft volgens hem meer weg van een cirkelredenering. 'Het lijkt erop dat de vooronderstellingen die je in een computerprogramma stopt er net zo hard weer uitkomen.'

Volgens De Blécourt stammen veruit de meeste sprookjes die we kennen van gedrukte teksten uit de zestiende eeuw of later. En dat is met de smid en de duivel niet anders. 'Dat is een katholiek verhaal dat door jezuïeten werd verspreid.' Hij blijft liever op tekstbronnen vertrouwen dan op gereken met computers.

Een kosmische jachtpartij

Waar komt het sterrenbeeld Grote Beer vandaan? In veel culturen op het noordelijk halfrond tref je hetzelfde mythologische motief aan van een kosmische jachtpartij waaruit het hemellichaam is ontstaan. Zo plaatste de Griekse god Zeus de jagende koning Arcas en zijn moeder beer Callisto aan de hemel als Kleine en Grote Beer. Bij de Noord-Amerikaanse Irokezen verwonden drie jagers een beer, die vanaf een bergtop de hemel inspringt en met de jagers in het sterrenbeeld versmelt. Volgens antropoloog Julien d’Huy van de Parijse universiteit Panthéon-Sorbonne dateert de kosmische jachtpartij uit de steentijd. Hij verwerkte 47varianten van het motief in een evolutionaire stamboom, die volgens hem overeenkomt met onze kennis over grote bevolkingsmigraties, zoals die van de eerste indianen in Amerika.

DNA

De studie van Tehrani en Da Silva is pas de eerste die de ouderdom van volksverhalen met evolutionaire rekenmethodes probeert te achterhalen. Die methodes zijn betrouwbaar gebleken in DNA-onderzoek, bijvoorbeeld om de verspreiding van ziektekiemen te voorspellen op basis van hun DNA.

De laatste jaren worden ze meer en meer aangewend door onderzoekers die het ontstaan van talen en cultuuruitingen proberen te doorgronden. Cultural phylogenetics is het buzzwoord onder archeologen en antropologen. Ondanks de kritiek waagt een groeiend aantal wetenschappers zich aan deze nieuwe methodes.

Neem cognitief wetenschapper Robert Ross van de Londense Royal Holloway University. Wie wil begrijpen hoe verhalen over vele generaties mondeling worden doorgegeven, moet volgens Ross kijken naar culturen die geen schriftelijke tradities kennen. Hij onderzocht met evolutionaire methodes de verspreiding en onderlinge verwantschap van volksverhalen onder de arctische jagersvolken van Siberië en Noord-Amerika. Ook al zijn deze groepen door enorme afstanden van elkaar geschieden, ze delen vaak dezelfde verhalen.

Beeld Martyn F Overweel

Geografische nabijheid

'We vonden aanwijzingen dat de aanwezigheid van een volksverhaal bij een groep kon worden voorspeld door taalverwantschap en door geografische nabijheid. Dat bewijst dat verhalen worden doorgegeven door intensieve sociale contacten met buurvolken, maar ook langs vele generaties. En dat laatste ondersteunt het punt van Tehrani en Da Silva dat sommige Europese sprookjes een voorgeschiedenis hebben die verder teruggaat dan de uitvinding van het schrift.'

Een soortgelijke conclusie trekken drie Australische wetenschappers over de verhalen die Aboriginals vertellen over zeespiegelstijgingen. Zij hadden hiervoor geen ingewikkelde rekenmethodes nodig, maar hielden 21 lokale overleveringen tegen het licht van nieuwe inzichten uit zeeonderzoek. Zo verhalen de bewoners van Fitzroy Island aan de noordkust van Queensland dat de oude kustlijn ter hoogte van het Great Barrier Reef lag, totdat een watervloed het land overspoelde.

Steppevolk of landbouwers?

De oorsprong van de Indo-Europese taalfamilie is voor onderzoekers van taalevolutie een geliefd onderwerp. Maar ook al hanteren onderzoeksteams dezelfde methodes, ze leidden niet altijd tot dezelfde resultaten. Een team van de Nieuw-Zeelandse evolutiebioloog Quentin Atkinson stelde in 2012 dat de voorouders van alle Indo-Europese culturen landbouwers waren die 8.000 à 9.500 jaar geleden in Anatolië leefden. Hun conclusie was gebaseerd op een analyse van woorden uit 103 uitgestorven en hedendaagse Indo-Europese talen. Vorig jaar deed een groep taalkundigen van de University of California in Berkeley soortgelijk rekenwerk met woorden uit 150Indo-Europese talen.Maar zij kwamen tot een ander inzicht, namelijk dat de Indo-Europese oertaal gesproken werd door een nomadisch volk dat zo’n 6.000 jaar geleden op de Russische steppen leefde.

Omstreden

Volgens de onderzoekers vormen de verhalen herinneringen aan de zeespiegelstijging die na de laatste ijstijd, meer dan 7.000 jaar geleden, plaatsvond. 'Allicht is onze conclusie tamelijk omstreden', erkent taalkundige Nicholas Reid van de Australische universiteit van New England. 'Het wordt immers betwijfeld of een verhaal over een periode van achthonderd jaar of langer kan worden doorverteld.'

Maar Reid en zijn collega's wijzen erop dat aan deze overleveringen nog andere Aboriginalverhalen kunnen worden toegevoegd die melding maken van dateerbare gebeurtenissen uit de prehistorie. Zoals van een vulkaanuitbarsting van de berg Mount Gambier, die volgens aardwetenschappers voor het laatst zo'n 5.000 jaar geleden plaatsvond.

'Dat in sommige culturen verhalen over een onvoorstelbaar lange periode zijn doorgegeven, kun je niet op voorhand als een onmogelijkheid afwijzen. De Aboriginalverhalen dwingen ons om zorgvuldiger naar deze tradities te kijken.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.