Soms loopt de literatuur vooruit op de geschiedenis

In augustus van dit jaar, nog juist voor het begin van de befaamde rentrée, de terugkeer van vakantie van de werkende bevolking van Parijs en de hervatting van de reguliere bezigheden, verscheen er een nieuwe roman van de nog jonge auteur Florian Zeller, La Fascination du pire ('De fascinatie door...

In zijn nieuwste boek verhaalt hij van twee Franse schrijvers die, afgelopen voorjaar, worden uitgenodigd voor een aantal optredens in Egypte. Eén van die schrijvers is hijzelf, de ander een wat groezelige collega. Er wordt wat afgereisd, door hedendaagse schrijvers. Veel hebben zij dikwijls niet te vertellen, maar wereldwijd zijn organisaties in de weer het reizend circus van de literatuur te fêteren. Dat is voor Franse schrijvers blijkbaar al niet anders dan voor Nederlandse.

Overeenkomsten en verschillen vallen ogenblikkelijk op. Anderhalve eeuw terug trokken er immers ook al eens twee Franse schrijvers naar Egypte, zij het ook zonder steun van staatsinstellingen en cultureel attachés. Gustave Flaubert en zijn vriend Maxime Du Camp hadden, in de zomer van 1851, besloten zich eens in de beschaving van het Nabije Oosten te verdiepen en ondertussen de bloemetjes buiten te zetten. Hun verslagen van en brieven over die reis zijn beroemd geworden. Florian Zeller kent ze vanzelfsprekend en maakt van de optredende spiegelingen vruchtbaar gebruik.

Daarmee is al een verschil gegeven: een Nederlandse auteur zou dat nooit doen. Een Nederlandse auteur maakt trouwens ook geen reis naar de landen van de Maghreb of het Midden Oosten om zich eens te verdiepen in de oorsprong van de cultuur en de godsdienst die hem en zijn landgenoten zoveel narigheid berokkenen en daar dan een roman over te schrijven.

Nee, die zet zijn handtekening onder een in Utrecht geconcipieerde even kinderachtige als kokette 'Open brief' aan een minister van Justitie die in zijn wanhoop een onhandig voorstel deed. Van veel van de ondertekenaars daarvan had ik trouwens nog nooit een boek gezien; van enkele anderen beschouw ik het gehele oeuvre als smadelijke godslastering: Zijn beeld en Zijn gelijkenis, immers.

Florian Zeller laat zijn twee reizende schrijvers in discussie gaan met hun publiek en hun gastheren. Die discussie gaat over de islam, de fundamentalistische en politieke islam die ze in Egypte ontmoeten en die een van hen woedend maakt. Bij Flaubert had hij immers sappige verslagen gelezen van diens bordeelbezoek, maar erotische avonturen zitten er, anderhalve eeuw later, in Egypte niet meer in. Ook de drank is er op rantsoen, dus is de lol gauw van het uitstapje af.

Dat komt, zegt die schrijver, allemaal door de islam, en die malle abstinentie is de oorzaak van het moslim-terrorisme. De hitsige jongens daar kunnen geen kant uit met hun potentie en hun zin in vertier. Offeren ze hun leven op, dan krijgen ze aan gene zijde met busladingen vol de meiden beschikbaar gesteld die ze in Cairo niet eens mogen aankijken.

Thuis in Parijs schrijft hij er meteen een roman over, La Fascination du pire; dezelfde titel als het boek waarin we over die roman lezen. Die denkbeeldige roman wordt, september 2004, meteen het onderwerp van een felle discussie in de kranten en op de televisie, want 'de mediatisering functioneert altijd als een valstrik voor de literatuur.' Het weekblad Le Point brengt een special uit over 'De nieuwe islamofobie', de Nouvel Obs. vraagt zich af of we 'de nieuwe intolerantie moeten tolereren', in Le Monde van 3 oktober wordt de auteur rechtstreeks van 'racisme' beticht en de imam van de Grote Moskee van Parijs 'vergeet volledig dat het hier om een roman gaat.'

De auteur beklemtoont dat wat hem betreft 'de islam leren moet om goedschiks of kwaadschiks bekritiseerd te worden als iedere andere religie.' In een artikel in het linkse Libération wordt tegen 'het onaanvaardbare gedrag van Westerlingen in arme landen' gefulmineerd.

Florian Zeller schrijft het hele debat in de media uit, in hoofdpunten en snelle weergaven van de onderscheiden standpunten, een debat zoals het in zijn verbeelding, najaar 2004, in de Franse kranten en praatprogramma's zou plaats vinden, geheel en al door hem verzonnen in het voorjaar van datzelfde jaar. En de hele tijd heb je als Nederlandse lezer de schokkende gewaarwording dat je al die artikelen en al die argumenten de afgelopen maand hebt zitten lezen!

Op een van de laatste bladzijden van het boek wordt de boze schrijver vermoord. 'De eerste kogel zal voor mij zijn', had hij zijn collega al gezegd. 'Het is verbazend om vast te stellen dat Europa zoveel moeite heeft om zijn eigen cultuur te verdedigen. Men stelt zich tevreden met een kleine petitie en keert naar huis terug. De lafheid van de aalmoes: men doet een duit in het zakje en vervolgt zijn weg. Dan rest de angst.'

Daar is geen woord Frans bij.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden