Schotland schrijft

HET IS tegelijkertijd een geboorte en een begrafenis, zei de spreekstalmeesteres van het Edinburgh Book Festival, toen ze eind augustus de presentatie van de bundel Ahead of its Time aankondigde....

McLean en zijn vriend James Meek waren het zat telkens maanden te moeten wachten op reacties van de literaire tijdschriften die ze met hun verhalen hadden bestookt. Zelfs als die reacties positief waren, bleek het wel twee jaar te kunnen duren alvorens publicatie volgde. Dus richtte McLean zijn eigen uitgeverijtje op, genoemd naar de klokkentoren van het gemeentehuis waar hij als portier werkte. Hij benaderde vrienden en kennissen om bijdragen, en drukte deze af in zeer eenvoudig uitgevoerde booklets, met een oplage van driehonderd exemplaren. Hoewel zelfs de in Schotland zeer befaamde James Kelman bijdragen leverde, waren de verkoopresultaten van de 'Clocktower booklets' mager. De slechtst lopende aflevering was wel 'Past Tense: Four Stories from a Novel', geschreven door ene Irvine Welsh. Ten slotte ging de Clocktower Press aan geldgebrek ten onder en bleef McLean zitten met stapels onverkochte exemplaren.

Inmiddels is de hele oplage uitverkocht en wordt voor sommige exemplaren meer dan honderd pond betaald. Want McLean en zijn uitgeverijtje bleken hun tijd inderdaad vooruit. Met de roman waarvan Clocktower fragmenten had gepubliceerd, How Late it Was, How Late, won James Kelman in 1994 de Booker Prize, terwijl Irvine Welsh met Trainspotting de meest succesvolle Schotse roman van de laatste decennia schreef. Andere Clocktower-auteurs bleven niet achter. Janice Galloway's Foreign Parts won de McVitie's Prize en Alan Warner werd na het uitkomen van Morvern Callar jubelend binnengehaald als een van de grootste literaire talenten van de jaren negentig.

Het gaat goed met de Schotse letteren. James Kelman wordt hardop genoemd als kandidaat voor de Nobelprijs, zijn generatiegenoot Alasdair Gray geldt als een belangrijk vernieuwer, Whitbread Prize-winnaar Jeff Torrington heet 'dé chroniqueur van de industriële ervaring', Irvine Welsh heeft na Engeland en Europa nu ook de Verenigde Staten veroverd, en in literair Londen kijkt men jaloers naar de plotselinge uitbarsting van veelal jeugdig talent, waarvan A.L. Kennedy, Duncan McLean, Alan Warner, James Meek, Janice Galloway, Ajay Close en Gordon Legge slechts enkele voorbeelden zijn.

Dat de Schotse letteren floreren blijkt niet alleen uit de positieve kritieken in de toonaangevende Britse media en de goede verkoopresultaten in binnen- en buitenland, maar ook uit het feit dat er recentelijk liefst vier verzamelbundels van Schotse literatuur zijn verschenen, waarvan drie bij Londense uitgeverijen. In het voorjaar kwam Harry Ritchie met New Scottish Writing (Bloomsbury) en presenteerde Kevin Williams jong talent in Children of Albion Rovers (Rebel Inc.). De afgelopen weken voegden zich daar Peter Kravitz' The Picador Book of Contemporary Scottish Fiction en het voornoemde Ahead of its Time (Cape) bij.

'Er zijn altijd schrijvers geweest in Schotland', zegt James Kelman, 'maar ik geloof dat er momenteel meer mensen in de literatuur actief zijn dan vroeger. Literatuur wordt in Schotland als kunstvorm herontdekt. Door heel verschillende mensen. Tot voor kort meende men dat literatuur alleen toegankelijk was voor degenen die een hogere opleiding hadden genoten. Maar dat is sterk veranderd. De hedendaagse schrijvers hebben ook veel zelfvertrouwen. Ze trekken zich bijvoorbeeld niet langer iets aan van wat critici, Engelse critici, aan te merken hebben op hun taalgebruik. Schotse schrijvers maken tegenwoordig zelf wel uit wat goed is. Ze leggen hun oor niet langer te luisteren bij het Londense literaire establishment.'

Wie in deze woorden een scheut nationalisme meent te proeven, vergist zich niet. Kelman maakt zich al sinds jaar en dag sterk voor de Schotse zaak, zowel binnen als buiten de letteren. Hij choqueerde de natie (althans het Engelse deel ervan), toen hij drie jaar geleden in zijn dankwoord voor de Booker-prijs uithaalde naar de gevestigde orde die hem zojuist aan haar boezem had gedrukt. Schots nationalisme, of beter: Schots zelfbewustzijn, ligt dan ook ten grondslag aan de literaire opleving die het land doormaakt.

Als oorsprong van dit nieuwe zelfbewustzijn wordt doorgaans 'het referendum van 1979' genoemd. In dat jaar kregen de Schotten de vraag voorgelegd of ze hun eigen parlement wilden. Een meerderheid zei ja, maar op het laatste moment voegde de regering de voorwaarde toe dat minimaal 40 procent van het electoraat een positieve stem diende uit te brengen. Doordat een substantieel deel van de Schotse bevolking zo teleurgesteld was in de politiek dat men er helemaal niet meer over dacht te gaan stemmen - of dit, zoals Kelman, uit principe niet deed - werd die 40 procent niet gehaald.

Na de desillusie van 1979 zochten de Schotten andere wegen om hun identiteit uit te dragen, niet via de politiek, maar met hun cultuur. 'Het werd bijna een politieke daad', zegt Peter Kravitz, 'om Schotse literatuur te gaan lezen. Je zag een parallel met het toenmalige Oost-Europa, waar lezers dissidente auteurs omarmden. Het gaf mensen het gevoel dat hun land, hun cultuur, nog een beetje van hen was.' De schrijfster A.L. Kennedy: 'Als je naar de Schotse geschiedenis kijkt, zie je een vreselijke traditie van gelaten toezien en alles maar over je heen laten komen. In 1979 was iedereen doodziek van het referendum, omdat we ons opnieuw een oor hadden laten aannaaien. We hadden ja gestemd, maar niets gekregen.'

Dat zelfs een jonge auteur als Kennedy, die in 1979 14 jaar oud was, het referendum als keerpunt noemt, mag veelbetekenend heten. Bewust of onbewust besloten de Schotten toen dat het maar eens afgelopen moest zijn met die Engelse betutteling. Uiteraard was dat niet van de ene dag op de andere zichtbaar in de literatuur. Kravitz, een niet-Schot die in 1980 in Edinburgh ging studeren en betrokken raakte bij de studentenuitgeverij Polygon: 'Begin jaren tachtig definieerden de Schotten zich nog altijd in termen van wat ze niet waren of konden. Polygon gaf boeken uit over de mislukking van een nieuw op te richten Schotse krant, de mislukte afscheiding van de Scottish Labour Party, het voor Schotland mislukte WK-voetbaltoernooi in Argentinië en uiteraard het mislukte referendum.'

KRAVITZ besloot dat het anders moest en toen Alasdair Gray in 1981 zijn roman Lanark publiceerde, wist hij hoe: door het uitgeven van Schotse literatuur. Hij stuitte op het werk van James Kelman, een fabrieksarbeider-busconducteur-buschauffeur die al sinds 1971 schreef, maar niet verder was gekomen dan wat tijdschriften, obscure verzamelbundels en een dun, niet-verkopend boekje bij een kleine Amerikaanse uitgeverij. Het kostte Kravitz moeite materiaal los te praten bij de door alle afwijzingen cynisch geworden Kelman, maar toen hij daarin slaagde, leverde dat Short Tales from the Nightshift op, een boek dat in Schotland fantastische recensies kreeg. Maar Kravitz slaagde er niet in de paperbackrechten aan een Londense uitgeverij te verkopen: 'Het was veel te working class voor het establishment, maar weer niet pamfletachtig genoeg voor links. Er was nog geen typisch Kelman-publiek.'

Maar dat zou komen, al duurde het nog een paar jaar, en was er de overstap naar een Londense uitgeverij voor nodig. Want ironisch genoeg stonden de Schotse boekhandels bepaald niet te dringen om Schotse uitgaven tot hun schappen toe te laten. Als een boek werkelijk goed was, werd het wel in Londen uitgegeven, luidde de redenering. Bovendien waren de distributie en marketing van Schotse uitgeverijen notoir onprofessioneel. Voor schrijvers was er nog een extra reden naar Londense uitgevers te gaan: die betaalden hogere voorschotten.

In 1984 was 'Londen' voor Kelman nog niet haalbaar. Tijdens het jaarlijkse circus rond de Booker-prijs merkte juryvoorzitter Richard Cobb geschokt op dat 'een van de romans geheel in het Glaswegian leek geschreven'. En dat werd ingezonden voor een literaire prijs! Hij had het over The Busconductor Hines van, inderdaad, James Kelman.

In Schotland was Kelman inmiddels een literaire reus geworden. Hij was immers de eerste die in zijn werk consequent een lokaal Schots had gebruikt, dat zich niets aantrok van de door Londen voorgeschreven regels. Dat getuigde van een moed en zelfvertrouwen die tot dan toe vrijwel ongekend waren in de Schotse letteren. Duncan McLean: 'Ik ging in Edinburgh Engelse taal- en letterkunde studeren, maar naarmate mijn studie vorderde, kreeg ik een steeds grotere afkeer van literatuur. Totdat ik Kelman las. Het was de taal, de stem, die me imponeerde. Voor het eerst las ik een boek over de wereld waarin ik leefde. Ik wist niet dat literatuur dat kon. Ik betwijfel of ik zonder Kelman ooit zelf was gaan schrijven.'

In 1987 verscheen eindelijk Kelmans eerste Londense boek: Greyhound for Breakfast. Bij zijn nieuwe uitgeverij, Secker & Warburg, was een jonge redacteur komen werken, Robin Robertson, die anders dan de meeste van zijn collega's niet schrok van typisch Schots taalgebruik. Geen wonder, want Robertson was zelf Schot. Hij maakte zich sterk voor zijn weerbarstige landgenoot, en zag zijn volharding twee jaar later beloond, toen Kelman werd genomineerd voor de Booker-prijs met A Disaffection.

In de jaren tachtig en vroege jaren negentig was de spraakmakende Schotse literatuur goeddeels een Glasgowse aangelegenheid. Naast het gedreven, dikwijls ronduit woedende proza van Kelman en Tom Leonard waren ook Agnes Owens en dichteres Liz Lochard prominent op de voorgrond getreden. In 1992 debuteerde, op 57-jarige leeftijd, de werkloze fabrieksarbeider Jeff Torrington met de roman Swing Hammer Swing. En verder was er uiteraard het speelse, naar magisch-realisme tenderende werk van Alasdair Gray, wiens Lanark de status had gekregen van eerste (en volgens velen beste) moderne Schotse roman, en die met 1982 Janine, Something Leather en Poor Things voortging zijn reputatie te vergroten. Men sprak van 'The Glasgow School', een benaming die meer recht deed aan het feit dat veel van deze auteurs elkaar al jaren kenden en regelmatig met elkaar optraden of in dezelfde bundels en tijdschriften stonden, dan dat hun werk zoveel overeenkomsten vertoonde, al hadden ze allemaal uitgesproken of tussen de regels die politieke ondertoon.

Eind jaren tachtig was tot lezers in heel Schotland doorgedrongen wat deze Glasgowse schrijvers voorstonden en wat het belang ervan was. Sommige lezers waren (aankomende) schrijvers en zagen in het streven naar een eigen stem en taal van Kelman en de zijnen een aanmoediging de tongval van hun eigen streek trouw te blijven. Duncan McLean zocht naar een geschreven variant van het Schots uit Aberdeenshire, Irvine Welsh deed hetzelfde met het dialect van Leith en Alan Warner vond zijn toon als schrijver in de taalklanken van zijn geboorteplaats Oban.

0 EEL VAN deze jongere auteurs leerden elkaar kennen in Edinburgh, waar ze om uiteenlopende redenen (studie, muziek, de rave scene) naartoe waren getrokken. Met name de schrijflessen die Duncan McLean in 1991 gaf in de openbare bibliotheek van de wijk Muirhouse in noord-Edinburgh, waren voor hen een trefpunt, waar ideeën konden worden uitgewisseld. Een van McLeans discipelen was Kevin Williamson, een gedreven man, die in 1992 het tijdschrift Rebel Inc. oprichtte. Het begon aanvankelijk als een aardigheidje, een soort fanzine, maar al snel werd het de belangrijkste spreekbuis van een nieuwe generatie Schotse schrijvers.

Williamson: 'Rebel Inc. was niet zomaar weer een nieuw tijdschrift. Het verscheen op een moment dat nogal wat schrijvers afstand probeerden te nemen van de literatuur die de Glasgowse schrijvers maakten, hoezeer ze hun werk ook bewonderden. Ze wilden minder realistisch schrijven dan Kelman: surrealistischer, grappiger, scherper, meer streetwise. Humor van de straat, en van de jeugd. Gordon Legge, James Meek, Duncan McLean en Irvine Welsh hadden allemaal al een boek uit op dat moment. Je kunt bijna zeggen dat er een beweging was aan de Schotse oostkust, al zal iedereen dat ontkennen en zeggen: we waren geen beweging, we waren gewoon bevriend.'

Net als Kelman en de zijnen voor hen, wilden deze jonge schrijvers een stem geven aan de degenen die zij kenden, en die gewoonlijk niet aan bod kwamen in de literatuur. Kelman wierp zich, net als Janice Galloway en Duncan McLean, op tot begeleider, redacteur en raadsman. Maar de meest uitgesproken 'enabler' (gangmaker), zoals hij zichzelf bij voorkeur noemt, was Kevin Williamson. Gaandeweg nam Rebel Inc. de taak over van de Clocktower Press, totdat Williamson in 1995 het gevoel had dat het blad zijn taak had volbracht en het werd opgeheven.

De Schotse Literaire Renaissance was inmiddels allang een begrip geworden. Irvine Welsh had de voorbeeldfunctie van James Kelman overgenomen. Hij slaagde er bovendien in een geheel nieuw lezerspubliek aan zich te binden: mensen die tot dan toe nauwelijks lazen, maar voor wie de boeken van Welsh en Warner dezelfde aantrekkingskracht hadden als de bij hen populaire muziek. Redacteur Robin Robertson, inmiddels verhuisd naar uitgeverij Jonathan Cape, vond nu geen Kelman-imitaties meer bij de post, maar dappere pogingen van Welsh-klonen.

Vorig jaar beleefde Rebel Inc. zijn wedergeboorte als imprint van uitgeverij Canongate. Net als voormalig Granta-redacteur Bill Buford is Kevin Williamson van luis in de pels een uitgever met invloed geworden.

Williamson: 'Schotse schrijvers hoeven nu niet meer naar Londen om te worden uitgegeven. Wij betalen even hoge voorschotten.' Dit najaar publiceert hij zijn laatste literaire ontdekking: Laura J. Hird. Zelf werkt Williamson aan een boek waarin hij de legalisering van drugs bepleit.

Ondertussen staan de Schotten opnieuw voor een referendum. Op 11 september mogen ze nogmaals beslissen of ze een eigen parlement willen, en bovendien of dat parlement belasting mag heffen. Een 'yes/yes vote' wordt algemeen gezien als een eerste stap naar algehele onafhankelijkheid, een onafhankelijkheid die vrijwel iedereen in de Schotse literaire wereld als onvermijdelijk en vanzelfsprekend beschouwt.

Maar hoe zal het de literatuur vergaan, als die eerste stap naar onafhankelijkheid is gezet? Robertson: 'Schotse literatuur heeft nu nieuwswaarde. Dat gaat natuurlijk een keer over. Ik had verwacht dat die zeepbel twee jaar geleden al uiteen zou spatten, maar dat is niet gebeurd. Men beseft dat het geen gratuit sensationeel geschrijf is, maar kwaliteitsliteratuur. Ik denk dat mét de onafhankelijkheid het Schotse zelfbewustzijn alleen maar zal toenemen. En dat is goed voor de literatuur.'

Hans Bouman

Op vrijdag 12 september treden op het Crossing Border Festival in Den Haag onder anderen de volgende Schotse auteurs op: A.L. Kennedy, James Meek, Gordon Legge, Laura J. Hird en Paul Reekie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden