De Grote Geschiedenis Quiz in 2009.
De Grote Geschiedenis Quiz in 2009. © Joost van den Broek / de Volkskrant

Rutger Bregman: 'Ik zoek slechts naar een remedie tegen de verlammende angst om fouten te maken'

Tot zijn genoegen maakte zijn betoog in de Volkskrant van zaterdag meteen discussie los, ziet Rutger Bregman. Maar hij pleit er niet voor om de strenge eisen van de geschiedwetenschap te laten varen, niet meer te specialiseren en hij zegt ook niet dat historici 'minder precies' moeten gaan werken. Bregman wil historici weer gaan beseffen dat ze een fundamenteel maatschappelijke wetenschap bedrijven.

De geschiedwetenschap zou weer maatschappelijk relevant moeten worden - dat was de kern van het betoog dat ik zaterdag in de Volkskrant hield. Tot mijn vreugde barstte de discussie meteen los. Hoogleraar Vroegmoderne Nederlandse letterkunde Els Stronks gaf zelfs te kennen dat ze mijn artikel als casus zou gebruiken in een cursus over wat de fatale gevolgen kunnen zijn van 'restjes NWO-taal'. Het hele misverstand over de 'maatschappelijke irrelevantie' van de geschiedwetenschap zou volgens haar berusten op enkele ongelukkige teksten op de website van de Universiteit Utrecht.

Gelukkig riep mijn pleidooi ook meer inhoudelijke reacties op, zo getuigde in ieder geval het stuk van archeoloog Miko Flohr. Hij betoogde dat historici ook boeiend en relevant onderzoek doen en gaf daar een paar goede voorbeelden van. Dat er heel wat Nederlandse historici zijn die 'brandstof' leveren 'voor allerlei maatschappelijke en politieke debatten' ben ik - zoals ik in mijn stuk ook aangaf - met hem eens.

Ongebruikte brandstof
Maar voor zover die brandstof er is, wordt die nu veel te weinig verbruikt. Laat ik een voorbeeld geven. Een tijdje geleden publiceerde de jurist Thierry Baudet de populaire versie van zijn proefschrift De aanval op de natiestaat - een polemisch boek dat bij uitstek tot historische discussie zou moeten leiden. Niet in de laatste plaats omdat er een reeks aan historische denkfouten aan ten grondslag liggen (tot de bizarre vergelijking van de Europese Unie met Hitlers Derde Rijk aan toe).

Toch mengen Nederlandse historici zich nauwelijks in het Europadebat. Een van de weinige reacties op Baudet kwam nota bene van Miko Flohr zelf. Stronks beweert nog wel dat het congres over vroegmoderne liedjes, dat ik aanhaal als voorbeeld van irrelevante geschiedwetenschap, eigenlijk over de 'formatie van Europa' ging. Daar zal Baudet vast van onder de indruk zijn. Maar wat wil het geval: als het subsidiegeld van NWO binnen is, wordt er vrijwel nooit meer wat vernomen van de maatschappelijke relevantie van het onderzoek.

Begrijpelijk is het wel. Niet-academische publicaties verschaffen immers nauwelijks aanzien binnen de universiteit. Onder geesteswetenschappers wordt steeds minder gelezen en steeds meer geschreven. Wie schrijft, die blijft - zo geldt aan de academie meer dan waar ook. Ook het genre van de recensie is op retour; deze levert immers te weinig academisch krediet op. Figuren als Baudet, Geert Mak en Maarten van Rossem, die de boer op gaan met hun vakgebied, worden binnen de muren van het instituut veelal met dedain bejegend. Op het maatschappelijk toneel krijgen ze ondertussen vrij spel.

Het is niet alleen een kwestie van onwil, of een gevolg van een naar binnen gericht universitair systeem. Het historisch argument is ook afwezig doordat het type 'brandstof' dat historici als Stronks produceren vrijwel onbruikbaar is. Zo beweert ze dat het onderzoek naar het katholieke prentenboek Pia desideria eigenlijk over 'de multiculturele samenleving' gaat. Ook ik heb een buitengewoon rijke fantasie en wil dat best geloven. Maar dan hoor ik wel graag hoe Pia desideria precies relevant is. En waarom ik er nooit eerder iets over heb gehoord in het integratiedebat.

De tirannie van NWO
Talloze historici ergeren zich dood aan de wens van NWO om met bizarre redeneringen de maatschappelijk relevantie van hun onderzoek te staven. Van tevoren moet nu zelfs worden verteld welke conclusies de subsidievragers willen gaan trekken - een wetenschappelijk gotspe natuurlijk. Historici moeten hun eigen keuzes kunnen maken, zonder daarbij onderhevig te zijn aan ijdele richtlijnen van overtollige bestuurders. NWO werkt op dit moment slechts de fantasie, zoals Stronks die ten toon spreidt, in de hand.

Dat neemt niet weg dat het de hoogste tijd is voor een stevig debat onder historici over wat ze nu eigenlijk met hun vakgebied willen. Geen theoretisch gesteggel - dat doen we al genoeg - maar juist een heel menselijke discussie. Waar doen we het eigenlijk voor?

Ik pleit er niet voor om de strenge eisen van de geschiedwetenschap te laten varen, niet meer te specialiseren en zeg ook niet dat historici 'minder precies' moeten gaan werken - woorden die Stronks mij ten onrechte in de mond legt. Ik zoek slechts naar een remedie tegen de heersende, verlammende angst om fouten te maken. Want als historici weigeren de geschiedenis in de strijd te gooien, dan doen anderen het wel. Voor de vaklui rest dan slechts het kniezen aan de zijlijn.

Academische vrijheid?
Flohr geeft een aantal voorbeelden van briljante wetenschappers die schijnbare trivialiteit met grote maatschappelijke relevantie wisten te verbinden: Michel Foucault, Edward Said en Clifford Geertz. Het zijn inderdaad rolmodellen die zich niet verloren in hun specialisme, maar hun expertise gebruikten als opstap naar een kritische maatschappijanalyse.

Die ambitie is nog niet helemaal uitgestorven, maar de norm is wel veranderd. Het levenslot van de historicus wordt vaak al tijdens de laatste jaren van de studie bepaald. De scriptie waar hij dan mee bezig is, wordt ook zijn promotieonderwerp, om vervolgens de rest van zijn academische carrière te bepalen. Ik betwijfel of Foucault, Said en Geertz het even goed hadden gedaan aan de moderne universiteit - of ze ooit subsidie hadden gekregen van NWO of in de gratie waren gevallen bij hun specialistische collega's. De kans is groot dat Geertz een leerstoel 'traditionele hanengevechten' zou hebben gekregen.

Ging het maar zoals Flohr stelt: dat een historicus specialistisch begint en zich later ontwikkelt tot een breed en maatschappelijk georiënteerde hoogleraar. De realiteit is anders. Juist postdocs en hoogleraren moeten alles op alles zetten om hun statuur binnen hun eigen minuscule wereldje te behouden. Ik heb het weleens eerder geschreven: de academische vrijheid is bovenal de vrijheid om academisch te zijn.

Dat er uitzonderingen zijn op het beeld zoals ik dat nu schets geef ik graag toe. Uiteindelijk is het zoeken naar het juiste midden - tussen wetenschap en maatschappij, tussen specialisme en generalisme, tussen vroeger en nu. Maar ik ben er van overtuigd dat we nu zijn doorgeslagen in de verkeerde richting. Tijd voor een stevig debat dus, als voorproefje op dat wat historici nog veel vaker moeten gaan doen. De academische geschiedvorsers zouden weer moeten beseffen dat zij niet zomaar een wetenschap bedrijven, maar een fundamenteel maatschappelijke wetenschap.

Om met Francis Bacon te spreken: er zijn te veel specialistische mieren en te weinig generalistische spinnen. Maar het ideaal is de historicus die zoemt als een bij. De bij haalt zijn materiaal uit de bloemen van de wetenschap en transformeert deze tot honing waar de maatschappij geen genoeg van kan krijgen.

Rutger Bregman is historicus, redacteur van de Volkskrant en schrijver van Met de kennis van toen - een poging om de geschiedwetenschap met de actualiteit te verbinden.