Ruim helft Europese mannen stamt af van drie oervaders

Liefst twee op de drie Europese mannen stamt uiteindelijk af van een groep van slechts drie mannen uit de Bronstijd. Van alle inheemse Friezen loopt de helft zelfs rond met de genen van maar één van de 'stamvaders'. Dat blijkt uit een analyse van het Y-chromosoom van 334 Europese mannen.

Het afnemen van DNA monsters. Foto anp

De uitkomst is verrassend, omdat de stamvaders relatief kort geleden leefden: zo'n 2.500 tot 2.200 jaar voor Christus, toen er al landbouw was en het Oude Egypte bloeide. Wetenschappers duiden de drie 'oer-Europeanen' aan met I1, R1a en R1b.

Zoals je aan achternamen kunt aflezen waar iemand vandaan komt, zo is met geavanceerde statistische technieken uit dna af te lezen hoe bevolkingen zich hebben verspreid. Dat betekent niet per se dat het hier ging om drie viriele veroveraars die overal waar ze kwamen kinderen verwekten. Eerder duidt het erop dat andere families gaandeweg uitgewist raakten. Genetici ontdekken zoiets wel vaker: zo stamt van alle Han-Chinezen zo'n 90 procent uiteindelijk af van maar één tamelijk recente voorouder.

Veel uit weinig

Dat zoveel Europeanen uit zo weinig mannen voortkomen, 'lijkt te suggereren' dat er destijds sprake was van een bevolkingsexplosie of een volksverhuizing, vertelt de Leidse hoogleraar evolutiegenetica Peter de Knijff met wetenschappelijke voorzichtigheid. 'Het kan duiden op een groepje mensen die iets konden waardoor ze heel succesvol werden. Het correleert in elk geval redelijk met de introductie van wat we de moderne landbouw noemen.'

Vanaf 3.000 voor Christus verspreidden zich allerlei nieuwe technieken over Europa, zoals paardrijkunst en bronzen wapens. 'Er was altijd discussie of die vernieuwing gepaard ging met nieuwe mensen of dat men het bij elkaar afkeek', zegt De Knijff. 'Nu zien we dat de genetische invloed van de jager-verzamelaars die oorspronkelijk in Europa woonden goeddeels is weggevaagd.'

Samen met onder meer Britse collega's onderzocht De Knijff de genen van honderden mannen uit 17 landen, plus het dna van 98 skeletten uit de oertijd. De experts denken dat de I1-mutatie, waarmee half Friesland rondloopt, ongeveer 4.200 jaar geleden voor het eerst ontstond, ergens in Noordoost-Europa. De R1-mutaties zijn wat ouder en vooral wijdverspreid in Frankrijk, Groot-Brittannië en Spanje - al is ook eenderde van de (oorspronkelijke) Friese mannen drager ervan.

Opvallend, schrijven de wetenschappers in Nature Communications, is dat de oerfamilies zich gaandeweg naar het noordwesten van Europa verspreidden: in Griekenland en Servië is de genetische verscheidenheid van mannen het grootst, in Scandinavië, Nederland en Engeland het kleinst.

Ruggengraat

Dat er bij vrouwen geen vergelijkbaar 'familiesignaal' zichtbaar is, is volgens De Knijff een teken dat mannelijke afstamming al in de prehistorie de ruggengraat van de maatschappij vormde. 'Dit patroon zien we ook in dorpen in Ghana. De mannen migreren niet veel en halen hun vrouwen van buiten de gemeenschap en geven hun land door van vader op zoon'. Dat vertaalt zich naar een genetisch signaal dat wél zichtbaar is in het Y-chromosoom dat van vader op zoon wordt doorgegeven, maar niet in het vrouwelijke 'mitochondriaal dna', dat alleen van moeder op dochter gaat.

Hoogleraar archeologie Daan Raemaekers signaleert 'een paradigmaverschuiving'. Na de Tweede Wereldoorlog werd het taboe om de prehistorie uit te leggen in termen van volkeren die elkaar verdringen. 'Verandering kwam door contacten, of door handel. Door de genetica zien we nu publicaties waarin migraties en veroveringen weer een rol spelen.'

Meer over