Rorty, filosoof van het pragmatisme

Richard Rorty (1931-2007)..

Wieteke van Zeil

Amsterdam Wat werkt, is waar. Een bijzonder eenvoudig motto, dat met evenveel gemak blijft hangen als vele andere van zijn uitspraken. De Amerikaan Richard Rorty, de populairste filosoof van het pragmatisme, overleed vrijdag in Palo Alto in Californië. Hij werd 75 jaar.

Volgens Rorty is er buiten datgene wat de mens gelooft en de taal die hij bezigt, geen autonome waarheid. Waarheid hangt niet aan de mate waarin het correspondeert met feiten, maar het ligt daar waar het werkzaam is voor de mens, waar het geloven erin leidt tot een oplossing. Het is een overeenkomst met de gemeenschap om je heen, en daarmee veranderlijk ‘zoals de menselijke duim is geëvolueerd’, zoals hij zelf zei.

Rorty’s filosofie wortelt in het pragmatisme van Amerikaanse filosofen als Charles Pierce, John Dewey en William James, die al ruim honderd jaar geleden verkoos zich te richten op ‘dat wat beter voor ons is te geloven’ boven ‘een accurate representatie van de realiteit’. Hij was schatplichtig aan Wittgenstein en Heidegger, ‘omdat zij ernaar streefden hun lezers, en de hele samenleving, te bevrijden van afgedragen vocabulaires en attitudes’.

Maar Rorty week met zijn doorbraak, het boek Philosophy and the Mirror of Nature (1979), van hen af waar zij nog geloofden in een extern bestaande waarheid. Dat proberen te begrijpen was volgens hem absurd, net zoals de platonische opvatting van een Waarheid absurd was. Daarmee verwierf Rorty een reputatie als peetvader van het postmodernisme.

Rorty brak radicaal met de epistemologie ofwel kennisleer, tot dan toe de basis van de moderne filosofie. Het onderzoeken van de oorsprong en reikwijdte van het weten moest in de filosofie plaatsmaken voor een praktische toepasbaarheid. Filosofie moest van zijn voetstuk. En dat betekende volgens Rorty ‘net zo min het einde van de filosofie als het impressionisme het einde van de schilderkunst betekende’.

Het betekende wel dat zijn filosofie radicaler en politieker werd. In Contingency, Irony and Solidarity (1989) openbaarde Rorty zich als een filosoof die betrokkenheid en ironie in zich wist te verenigen. Ironie in de zin dat de intellectueel zichzelf en de systemen om hem heen voortdurend in twijfel trekt, betrokken in zijn geloof in een publieke moraal. Die kenmerkt zich door een zoektocht naar solidariteit. Volgens Rorty is die solidariteit in een liberale democratie te vinden door een gemeenschappelijke gevoeligheid voor lijden en een afkeer van wreedheid. Bij het ontwikkelen van die gevoeligheid speelt de literatuur een belangrijke rol, omdat die het inlevingsvermogen vergroot.

Rorty keerde daarmee deels terug naar zijn jeugd. ‘Op mijn twaalfde wist ik dat de kern van het menszijn ligt in het levenslang vechten tegen sociale ongelijkheid’, schreef hij ooit. Hij groeide op in een links-intellectueel milieu, zijn ouders waren trotskisten. Op zijn vijftiende ging hij studeren aan de universiteit van Chicago. Hij gaf les aan verschillende universiteiten waaronder Princeton, Virginia en Stanford. In 1997 hield hij de Spinoza-leerstoel aan de Universiteit van Amsterdam.

Naast filosofie hield Rorty zich bezig met de studie van orchideeën en was hij bezield liefhebber van vlinders en vogels. In 2000 zei hij in het VPRO-programma Van de schoonheid en de troost: ‘Een wereld die die ene roos heeft gekend, die ene bijzondere vlinder, een wereld die Nabokov heeft voortgebracht, die wereld is beter af dan de wereld waarin dat alles niet opdook. Ik weet niet hoe ik dat alles moet beargumenteren. Met filosofie heeft het niets te maken.’

Wieteke van Zeil

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden