Reumer: het domme rekenonderwijs

Het is droevig gesteld met het Nederlandse rekenonderwijs, wanneer je de berichten daarover moet geloven. We kunnen het niet meer, rekenen, en het onderwijzen ervan evenmin. Terwijl ouwe knarren zoals ik nog leerden tafels stampen, worteltrekken en staartdelen, blijven we anno 2009 steken in competentiegericht gis- en schatwerk.

De zogenaamde zakjapanner kenden we in de jaren ’60 en ’70 niet, en de inmiddels vergeten rekenlineaal was een verboden voorwerp. Alles moest uit het hoofd, met een stuk kladpapier als enig hulpmiddel. Waar de teloorgang van dat mooie handwerk toe leidde hebben we onlangs weer gemerkt.

Wanneer een verbaal competente hypotheekcolporteur uit Wognum of de Zuidas u een hem toekomende provisie van 80% voorrekent, zet u meteen een handtekening. Tachtig procent: dat klinkt niet slecht, toch? Dat is toch hetzelfde als ‘iets’ in die lekkere rum uit Oostenrijk die zo goed op de boerenjongens in de Rumtopf past? Blijft altijd goed, jarenlang, als je er maar niet te veel van drinkt, want het is sterk spul.

Hoewel, niet-drinken is gevaarlijker. Daar kijkt u van op, maar het is wiskundig bewezen. Je kunt het zo uitrekenen. Bij 35% van onze verkeersdoden is sprake van alcoholgebruik. Dus is bij 65% sprake van nuchtere verkeersdeelnemers die verongelukken. Dat is veel meer, waaruit maar blijkt dat nuchter aan het verkeer deelnemen een stuk gevaarlijker is dan met een slok op. Kijk, dat is nou rekenen! Maatschappelijk relevante wiskunde.

Maar ondertussen gaat het dus mis. Er worden geen staartdelingen meer uitgevoerd sinds het couperen van staarten ook bij honden wettelijk is verboden; worteltrekken is gedegradeerd tot een oud ambacht dat op de jaarlijkse braderie tussen het piepersjassen en het aspergesteken wordt gedemonstreerd door werkwillige Polen; vermenigvuldigen gebeurt nog slechts in orthodoxe kringen van lieden die daarmee aan het bevel van hun Heer voldoen (“gaat heen en vermenigvuldigt!”); aftrekken was altijd al slecht voor je rug; en delen zullen we alles eerlijk - vooral suikergoed en marsepein.

Hoe krijgen we dat ooit nog goed? Om een probleem goed te kunnen analyseren moeten we het ontbinden in factoren - ook dat is wiskunde. Het probleem is de kwaliteit van het rekenonderwijs, dat dus aan het dalen is. Dat wil zeggen dat de kwaliteit op tijdstip t groter is dan op tijdstip t+1, en dat weer groter dan op tijdstip t+2. Op het imaginaire tijdstip t+... nadert de kwaliteit de nullijn, vermoedelijk asymptotisch - maar dat begrijpt u natuurlijk al niet meer.

Hoe dan ook, die daling is het probleem van het rekenonderwijs. Rekenonderwijs kan worden ontbonden in twee factoren: rekenen en onderwijzen. En het totale rekenonderwijs kan worden beschouwd als de optelsom van al het onderwijs aan alle individuele kinderen en scholieren. De individuele rekencapaciteiten zijn de weerslag van de aard en de omvang van de individuele rekenknobbels.

De rekenknobbel is een deel van de neocortex - het zit in de buurt van de talenknobbel en het muziekkwabje maar onderhoudt daar meestal weinig contacten mee. Net als bij de meeste andere biologische eigenschappen, zoals lichaamslengte, gewicht of aantal okselharen, kun je de rekenknobbel opmeten en de maten daarna in een grafiek zetten. Het resultaat is steevast een zogenaamde Gauss-kromme, een grafiek in de vorm van een kerstklok: weinig extremen en veel van het gemiddelde.

We kunnen in de verdere berekening uitgaan van dit gemiddelde en de ontwikkeling ervan in de tijd vervolgen. Wanneer de huidige rekenellende veroorzaakt zou worden door een afname van de gemiddelde omvang van de rekenknobbel moet dit eenvoudig aan te tonen zijn.

Het blijkt niet het geval. Kinderen worden niet gemiddeld dommer. Al op vijfjarige leeftijd kennen ze alle Pokémons bij naam en willen ze piloot worden, een jaar later weten ze de zestig belangrijkste dinosauriërs en is de paleontoloog het lokkende beroep, vanaf de leeftijd van twaalf snapt ieder kind de puntentelling in de voetbalcompetitie (die tegenwoordig nog lastiger is dan bij tennis) en willen ze profvoetballer worden, en de beginnende puber kan prima het zakgeldverschil uitrekenen tussen zichzelf en zijn of haar klasgenoten, en wil econoom worden.

We worden genetisch niet dommer, waarna er maar één conclusie overblijft: we worden dommer gemáákt.

Uit de opgesomde opeenvolgende beroepskeuzen blijkt bovendien een afnemende affiniteit met de bètavakken. De school atrofieert de rekenknobbel en stimuleert de contextgerelateerde synapsen die zich voornamelijk in de ruggenmerg bevinden. Ook de talenknobbel en aanpalende kwabben lijden ernstig. We schrijven ‘ik word’ het liefst met -dt; we kennen het kofschip niet anders dan als een wrak in het scheepvaartmuseum; en we laten Meneer Van Dam Wachten Op Antwoord tot hij een ons weegt, waarvan we ook niet meer weten dat dat precies honderd gram is ofwel ééntiende kilo. Sic transit gloria mundi.

Maar dankzij de goede kwaliteit van ons competentiebevorderend contextonderwijs komt het toch nog allemaal goed. Want: wie geen snars begrijpt van rekenen en wie zijn meetresultaten niet eens netjes in wiskundige kolommen kan plaatsen, kan altijd nog columnist worden.

Een Mickey Mouse-calculator. (Beeld internet) Beeld null
Een Mickey Mouse-calculator. (Beeld internet)
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden