Reportages over ellende in oude wijken vielen dood

Het verwijt dat de kwaliteitskranten vóór de moord op Fortuyn geen oog hadden voor de zorgen van de burgers op straat, is niet geheel terecht, laat Frank van Vree zien....

In de dagen en maanden na de moord op Pim Fortuyn werden de media met kritiek overstelpt. Vooral de kwaliteitskranten en de informatieve programma’s van de publieke omroepen moesten het ontgelden. Zij zouden deel uitmaken van het ‘intellectuele establishment’, beheerst door de geest van de jaren zestig, en zich gedragen als ‘de bewakers van de maatschappelijke en ideologische orde’ – in de woorden van de voormalige journalist Jan Greven, een paar weken na de moord, in een frontale aanval op de kranten waaraan hij, eerst als hoofdredacteur van Trouw en later als directielid van PCM, leiding had gegeven. Volgens Greven verhinderden de gevestigde media iedere ‘fundamentele discussie’ over religie, homoseksualiteit en de multiculturele samenleving, omdat het establishment waarvan zij deel uitmaken ‘nu eenmaal op demonise-rende wijze omgaat met iedereen die anders denkt over andere culturen en allochtonen dan als gangbaar en correct wordt beschouwd’.

De klap kwam hard aan. Vrijwel nergens in de samenleving galmden de schoten van Volkert van der G. zo lang en oorverdovend na, niet alleen in de kolommen van de kranten zelf, ook in het denken over de plaats van de media in de samenleving. Alleen in de Volkskrant al zijn honderden artikelen te vinden waarin het optreden van Fortuyn in verband met het functioneren van de media aan de orde komt.

De media, met name de dagbladen en de publieke omroepen, verkeerden al enkele jaren in een kwetsbare positie. De advertentie-inkomsten daalden, evenals het aantal abonnees, terwijl de publieke omroep veel terrein verloor. Over de belangrijkste oorzaken was men het wel eens: de opmars van het internet, de groei van het aantal commerciële omroepen en de gestage afkalving van het krantenlezend publiek. Toch rees de vraag of de media ook niet zélf schuldig waren aan hun achteruitgang. Stonden zij niet te ver van hun publiek en was het geen tijd voor een meer ‘publieksgerichte’ journalistiek?

De politieke crisis en de moord op Fortuyn zetten deze discussies op scherp, vooral omdat zij nu een ideologische lading kregen. De gedachte dat de kranten en de publieke omroep met hun ‘arrogante’, ‘elitaire’, ‘linksige’ en ‘naar binnen gekeerde’ houding de problemen over zichzelf hadden uitgeroepen, kreeg steeds meer bijval – en vrat het journalistieke zelfvertrouwen zichtbaar aan. Er volgden pijnlijke zelfbeschuldigingen en publieke getuigenissen van onzekerheid en zelfs schaamte – met als terugkerend thema: hoe was mogelijk dat we dit alles niet hebben zien aankomen, wat moet er veranderen?

Terugkijkend op de vaak heftige polemieken valt allereerst op hoe eenzijdig en ongenuanceerd deze eigenlijk waren. Want waarom richtten de verwijten zich vrijwel uitsluitend op de kwaliteitsjournalistiek en niet – bijvoorbeeld – op het christelijke Nederlands Dagblad, de regionale kranten of op Hart van Nederland en al die andere radio- en televisierubrieken die zo dicht bij ‘de gewone man’ heten te staan? Hadden die het dan zoveel beter gedaan? En wat moeten we met het paradoxale gegeven dat juist de krant die het meest onomwonden had geschreven over kwesties als veiligheid, wachtlijsten, criminaliteit en probleemjongeren, De Telegraaf, zich in de aanloop tot de verkiezingen ontpopte als de felste bestrijder van Fortuyn?

Naast deze ongerijmdheden bevat het beeld van de arrogante en vooringenomen journalistiek ook aanwijsbare onjuistheden. Zo blijkt uit een studie van Jan Kleinnijenhuis, hoogleraar communicatiewetenschap aan de Vrije Universiteit, dat Fortuyn in het voorjaar van 2002 niet alleen enorm veel aandacht kreeg, maar ook tamelijk welwillend werd bejegend in de media. De paarse coalitie en de PvdA in het bijzonder hadden het veel harder te verduren, vooral in SBS Nieuws, het NOS Journaal, de Volkskrant en Trouw. Kleinnijenhuis komt dan ook tot de conclusie dat ‘de media niet Fortuyn hebben gedemoniseerd, maar eerder de PvdA van Melkert en de VVD van Dijkstal’. Datzelfde vinden we terug in de intrigerende verzameling reportages van Jutta Chorus en Menno de Galan, In de ban van Fortuyn, waarin gedetailleerd wordt ingegaan op diens relaties met de media.

Blijft de vraag of de media in de jaren van Paars inderdaad stelselmatig te weinig oog hebben gehad voor knellende sociale problemen als veiligheid en criminaliteit, de scheefgroei in de zorg, de gevolgen van de privatisering voor de dienstverlening aan de burger en – uiteraard – het ‘drama van de multiculturele samenleving’. Juist deze aantijging blijkt er in journalistiek Nederland diep te hebben ingehakt, gelet op de felle discussies, ook binnen de redacties.

Wie gaat zoeken, komt er al snel achter dat de kwestie ingewikkelder ligt dan veel critici beweerden. Om te beginnen hebben de media wel degelijk aandacht besteed aan genoemde problemen. Zo publiceerde de Volkskrant al in de jaren negentig een groot aantal artikelen over het probleem van de criminaliteit onder Marokkanen, en in de jaren 1993-2000 verschenen er honderden stukken over de wachtlijsten in de zorg. Bij de term ‘criminaliteit’ gaat de zoekmachine op tilt, terwijl de frase ‘gevoel van onveiligheid’ ruim honderd artikelen oplevert. Om de problemen van de oude stadswijken heet van de naald en van binnenuit te kunnen beschrijven, stationeerde de Volkskrant midden jaren negentig een verslaggever in de Bijlmer, en later in Delfshaven, een grote en etnisch zeer gevarieerde wijk in Rotterdam waar werkloosheid, armoede en andere sociale problemen letterlijk op straat lagen. Kortom, de idee dat de krant in de jaren voor de publicatie van het befaamde essay van Paul Scheffer, Het multiculturele drama, eind januari 2000, de aanslag op het WTC in september 2001 of de opkomst van Pim Fortuyn de problemen zou hebben doodgezwegen, kan gemakkelijk worden weerlegd.

Toch was er wel degelijk iets aan de hand met de berichtgeving over deze maatschappelijke problemen: ze misten wat we zouden kunnen aanduiden als politieke urgentie, er werd niet de politieke betekenis aan toegekend die ze later, na 11/9 en de opkomst van de Leefbaar-beweging, kregen. Het gevolg hiervan was dat de verhalen ‘dood vielen’, zoals Volkskrant-verslaggever Janny Groen het treffend uitdrukt.

Dit verschijnsel beperkte zich niet tot de Volkskrant – of zelfs niet tot de media in algemene zin. Ook in de politiek werden de meeste problemen behandeld vanuit een perspectief dat achteraf als naïef, relativerend, afstandelijk, vergoelijkend en bagatelliserend is bestempeld, al waren er in de jaren negentig wel steeds dissidente geluiden te horen. Maar vrijwel niemand zag in deze bonte verzameling kwesties de basis van een programma waarop een volksbeweging kon worden gemobiliseerd. Dat inzicht kwam pas toen Fortuyn erin slaagde een onwaarschijnlijke coalitie te smeden van ‘politiek thuislozen’ in de oude wijken tot kleine ondernemers en ‘vrije jongens’ in het Gooi.

Twee conclusies. Ten eerste blijkt dat de macht en zelfstandigheid van de media veel minder groot zijn dan vaak wordt aangenomen. Die opvatting vindt steun in recent wetenschappelijk onderzoek. Zo heeft de eerder genoemde Kleinnijenhuis in een scherpzinnige beschouwing over de – veronderstelde – macht van de media laten zien dat in de verkiezingscampagnes tussen 1994 en 2002 niet de media, maar de politici en de partijen de politieke agenda bepaalden. De media, in het bijzonder de televisie, hebben weliswaar grote invloed op de manier waarop politiek wordt bedreven, maar wanneer het gaat om de urgentie van bepaalde kwesties, geven ze niet de toon aan.

De vaststelling dat de media niet de politieke agenda bepalen, leidt als vanzelf naar de tweede conclusie: de journalistiek is minder onafhankelijk en eigenzinnig dan vaak wordt aangenomen. Verwonderlijk is dat misschien niet. Het vak is de laatste decennia veel van zijn wilde haren kwijtgeraakt: journalist is een ‘normaal beroep’ geworden. In de dagelijkse praktijk is doorgaans weinig ruimte voor afwijkingen, mede vanwege het gebrek aan tijd en financiële middelen, waardoor de redactie als het ware gedwongen is terug te vallen op geijkte routines – bellen, googelen, een quote halen, dikwijls bij mensen uit het eigen netwerk of deskundigen met een zekere naamsbekendheid.

Wetenschappelijk onderzoek bevestigt dat beeld. De keuze van onderwerpen, perspectief en kaders waarbinnen gebeurtenissen worden geplaatst, wordt gestuurd door routines en algemeen geaccepteerde vaknormen, die maar langzaam veranderen, onder invloed van onderlinge concurrentie, bijvoorbeeld, of de introductie van nieuwe technieken.

De media worden beheerst door een sterk beroepsmatig conformisme, zo stelde de toenmalige hoofdredacteur van Elsevier, Hendrik-Jan Schoo, al in 1996 vast in een even puntig als scherpzinnig stuk in Socialisme & Democratie. Over themakeuze, bronnengebruik, benadering en stijl wordt weinig nagedacht, met als gevolg een ‘eeuwige wederkeer van hetzelfde in de media; dezelfde bronnen, dezelfde zegslieden, dezelfde ideeën, dezelfde invalshoeken, dezelfde master narratives’.

Volgens Schoo geven journalisten blijk van een ‘ambachtelijke voorkeur’ voor het gesproken woord. Het is immers makkelijker om wat citaten te verzamelen en te bewerken dan zelf op zoek te gaan naar externe bronnen met meer diepgang. Bovendien verlenen de woorden uit de mond van deskundigen en woordvoerders een artikel of radio-item een vanzelfsprekend gezag – alsof de journalistiek pas meetelt ‘als ze zich kleedt in een geleend gewaad’. De populariteit van het interview wijst er op dat journalisten ‘de ambitie hebben opgegeven zelf te denken en te formuleren, om voor eigen rekening en risico verslag te doen van hun naspeuringen en bevindingen’.

Onzekerheidsreductie

Journalisten laten zich te veel leiden door wat hun collega’s schrijven, aldus Schoo. Begrijpelijk is dat wel, want daarmee spelen ze op safe, bij wijze van ‘onzekerheidsreductie’, en kunnen ze ‘een complexe, in beginsel open-eindetaak enigszins overzichtelijk houden’. Op termijn heeft deze werkwijze echter desastreuze gevolgen: een overweldigend conformisme, een uniforme in plaats van pluriforme pers, een journalistiek die zich heeft overgeleverd aan de oordelen van steeds weer dezelfde deskundigen en woordvoerders.

De analyse van Schoo werpt een ander licht op het debat over het veronderstelde ‘journalistieke falen’ in de jaren onder Paars. Inderdaad, er wérd over de grote maatschappelijke problemen geschreven, júist ook in kwaliteitsbladen als de Volkskrant, maar het perspectief dat overheerste, was hetzelfde als dat van de politici, deskundigen en woordvoerders. Geen complot van linkse media en politici, geen elitair intellectualisme of bewuste strategie van politieke correctheid, maar gewone, al te gewone professionele journalistiek, die zich liet meevoeren in het dagelijkse nieuwscircus en sterk leunde op vertrouwde patronen en routines, die betrekkelijk weinig initiatieven nam en zich bij voorkeur verliet op woordvoerders, politici, academici en andere deskundigen.

Wat de media in deze jaren dan ook werkelijk kan worden verweten, is dat het hen ontbrak aan een uitgewerkte journalistieke visie, een eigen agenda, een eigen vizier, als basis voor een eigen geluid en een eigenwijze visie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden