Reis met onbekende bestemming

De vaste collectie is niet verdwenen, maar doet soms wel een stapje terug: in het museum van boekdrukkunst en typografie in Antwerpen wordt voor het eerst hedendaagse kunst getoond....

EEN VAST onderdeel van De Vakantieman, het tv-programma van Frits Bom, was de geografische test. Op de boulevard van Lloret de Mar, Benidorm of een andere massabestemming werd vakantiegangers een wereldkaart voorgehouden. Op die kaart moesten ze aanwijzen waar ze zich bevonden. Hun vinger ging dan heen en weer tussen Zuid-Amerika en Siberië, aarzelde boven Griekenland, en kwam uiteindelijk neer op Egypte. 'Hier ongeveer.' Nooit in de geschiedenis van het programma heeft iemand de juiste plek aangewezen.

Wat moet het heerlijk zijn om met zo'n onschuld de wereld te bekijken. Waar je bent, ben je nergens. Laat land en water als in de oertijd door elkaar lopen, laat afstanden hun betekenis verliezen. Meteen achter de eigen voordeur begint het grote onbekende, waar continenten tegen elkaar schuren en basji-boezoeks op de loer liggen. Katwijk of Kreta, Vaalserberg of Matterhorn, het is allemaal zand, zee en bergen en om er te komen moet je eerst een flink stukje bussen of vliegen. Hou het dan nog maar eens uit elkaar.

(En wat is het trouwens jammer om met zo'n onschuld uitgerekend naar Lloret of Benidorm te gaan, waar alles zo veel mogelijk op thuis lijkt. Want wie niet weet waar hij is, kan overal terecht, en dan zijn er wel leukere bestemmingen te bedenken.)

Nu de Vakantieman van tv is gehaald, wordt die ongerepte visie nog maar zelden aangetroffen. De tendens is juist in omgekeerde richting: de wereld is in kaart gebracht en ligt in onze schoot, klaar om opgepakt en rondgedraaid te worden. Jamaica, Senegal, de Brennerpas of de Patagonië Express, ze herbergen amper nog geheimen voor ons. Vanuit de luie stoel kunnen we een fijn hotel in Kingston uitzoeken, of een nette Raststätte met schone toiletten, ergens in de buurt van Karlsruhe.

In de begintijd van internet was een website populair die dag en nacht beelden uitzond van een drinkplaats in een Afrikaans wildpark. Met veel geluk kon je soms in de verte een wildebeest of gazelle ontwaren, kinderspel vergeleken bij de natuursoaps die elke dag op National Geographic Channel te zien zijn. Maar op een andere manier waren die beelden belangrijk. Ze leverden het onomstotelijke bewijs dat de andere kant van de wereld angstig dichtbij was. De tijd is niet ver meer dat we naar believen in direct cameracontact staan met grote delen van het aardoppervlak.

Toen de Mappa Mundi van Andreas Walsperger verscheen, zag de wereld er nog heel anders uit. Het was een platte schijf, met in het midden een bolwerk van beschaving, en daarachter Barbarije, dat omsloten werd door kolkende wateren. Zijn kaart uit 1448 heeft Jeruzalem als centrum. De vorm van de continenten is nog niet te herkennen, wel duikt hier en daar een buitensporig grote kathedraal op. Meteen achter de randen van de schijf beginnen de hemelsferen.

Ruim honderd jaar later, als de Antwerpse cartograaf Abraham Ortelius zijn Theatrum Orbis Terrarum (1570) uitbrengt, heeft de wereld al zo'n beetje de trekken die wij kennen. Japan is een bolletje in plaats van een sliert, Zuid-Amerika heeft nog geen puntzak en Nova Zembla maakt deel uit van een noordelijk continent. Maar de meeste contouren kloppen, en in de zeeën verschijnen amper nog zeegedrochten en monsterlijke slangen.

Deze 'Voorstelling van de wereld' was een baanbrekend werk. Ortelius bundelde de beste kaarten van zijn tijd in één boek, waarmee de eerste atlas een feit was. De Antwerpse drukker Christoffel Plantijn verzorgde de uitgave, en verdiende er goed aan. Hoe groot de belangstelling was, blijkt wel uit de pocketeditie die een paar jaar later verscheen: de Spieghel der Werelt, met verkleinde kaarten en begeleidende teksten in versvorm.

De atlas van Ortelius vormt het uitgangspunt voor de tentoonstelling die nu in Plantin-Moretus wordt gehouden, het museum dat is gevestigd in het monumentale pand van de voormalige drukkerij van Plantijn op de kop van de Vrijdagmarkt in Antwerpen.

Plantin-Moretus is het museum van de boekdrukkunst en de typografie. Aan de wanden van de statige kamers hangen prenten en grafiek, de kasten zijn gevuld met oude folianten. Letterkasten, persen en matrijzen houden de herinnering levend aan de drukkerij, centrum van kennis in de zestiende en zeventiende eeuw. De inrichting is overvloedig, met gobelins, stijlmeubels en eiken vloeren, die luid kraken onder de tred van de bezoekers.

Voor het eerst in de geschiedenis toont dat museum nu hedendaagse kunst. Het is alsof het daar zelf aan moet wennen. De vaste collectie is niet verdwenen, maar doet soms wel een stapje terug. De moderne kunstwerken hangen aan de wanden, en staan voor of tussen de antiquiteiten, met hen wed ijverend om de aandacht. Dat is een zwaar gevecht.

Het begint al bij de kassa, waar een gele bol hangt, ter grootte van een voetbal. Dat is de zon, zij het dat de diameter van 1.392.000 kilometer tot 33 centimeter is teruggebracht. Mercurius, evenredig verkleind, heeft een diameter van iets meer dan een millimeter, en hangt bij de trap. Venus vinden we in zaal 2 en in zaal 3 bevindt zich de aarde, een kogeltje met een diameter van drie millimeter. Dit schaalmodel van ons zonnestelsel, bedacht door de Amerikaan Chris Burden, strekt zich noodzakelijkerwijs uit tot ver buiten het museum. Jupiter hangt in modepaleis Dries van Noten, en het kruimeltje Pluto is anderhalve kilometer verderop terechtgekomen, in de etalage van Nicc aan de Pourbusstraat 5. Deze oefening in nederigheid maakt ons al bij binnenkomst bewust van onze plaats binnen de kosmos.

Van terra incognita tot global village - dat is in een notendop het motto van de tentoonstelling. Op de eerste verdieping is een wereldbibliotheek ingericht, waar de oude kaarten met hun gedetailleerde kusten en maagdelijke binnenlanden in vitrines rusten. Naast Ortelius is daar de de Atlas Maior (1662) van het Amsterdamse uitgevershuis Blaeu te zien, de kaarten (1613) van Gerard Mercator met zijn revolutionaire projectiewijze, en de Civitates Orbis Terrarum, de stedenatlas die Braun en Hogenberg in 1572 samenstelden. De Ligtende Zee-Fakkel (1709) van Johannes van Keulen bestaat uit kaarten van de havensteden, een kaart van Athanasius Kircher uit 1665 toont het binnenste van de planeet: een netwerk van gloeiende onderaardse stromen, die uitmonden in vulkanen. Van vier zijden blazen de winden met bolle wangen wat koelte toe.

Tussen die eerbiedwaardige boekwerken ligt een boekje ter grootte van een luciferdoosje. Het is het atlasje dat Marcel Broodthaers in 1975 maakte. Elke pagina bevat de contouren van een land, en al die landen zijn even groot. Australië en IJsland, Andorra en Ierland, ze zijn op slag niet meer uit elkaar te houden.

Intiemer van aard is het project I went van On Kawara. Van 1968 tot 1979 tekende hij elke dag op een plattegrond keurig zijn verplaatsingen, in New York, Brasilia, Mexico-City of waar ook ter wereld hij zich bevond. Die individuele topografie bewaarde hij in 23 ordners.

Veel van de kunstenaars zijn kennelijk net als Broodthaers en Kawara gekozen om de vormverwantschap van hun werk met cartografie. Mooiste voorbeeld daarvan is de kamer waarin Mona Hatoum haar Map uitspreidde. Los op de houten vloer liggen duizenden knikkers, die samen de wereldkaart vormen.

Naast kaarten zijn globes goed vertegenwoordigd. Op de vloer van een zijkamertje liggen de brokstukken van de gipsen bol die James Lee Byars in 1993 tot ontploffing bracht, Georg Herold knutselde een rudimentaire globe van schroothout, Jan Fabre beplakte - hoe kan het ook anders - een grote bol met glanskevers en vlijde die op een matras. Insectenwereld, slaap zacht.

Andere kunstenaars sloegen aan het meten en ordenen, met behulp van strikt persoonlijke coördinaten en tabellen. Een in al zijn subjectiviteit mooi staaltje van die pogingen tot ordening is van de hand van de Bosschenaar JCJ Vanderheyden, die in een drieluik aangenaam vrij associeert met de kennis die we hebben verworven. Een kaart met de lichtplekken van West-Europa - Londen, Randstad, Côte d'Azur, Milaan - doet hem denken aan de Melkweg, het door een vliegtuigraam vastgelegde avondrood roept de hoogtekaart van Afrika in herinnering.

Orbis Terrarum is een expositie van uitersten. Enerzijds zijn er de cartografen van vroeger, die informatie van wereldreizigers verzamelden om er kaarten mee te maken met een zo groot mogelijke betrouwbaarheid. Van de kwaliteit van hun werk waren levens en fortuinen afhankelijk, volgende generaties zouden de gegevens toetsen, om uiteindelijk het wereldraadsel te ontsluieren.

Anderzijds zijn er de kunstenaars van eeuwen later, levend in een wereld die tot in detail in kaart is gebracht. Mochten er nog geheimen zijn, dan gaan die uitsluitend nog in onszelf schuil. Manmoedig zijn ze daarnaar op zoek gegaan, al steken hun pogingen pover af bij de doelgerichtheid van Ortelius en consorten en zijn de resultaten noodzakelijkerwijs nogal particulier.

Een fractie van die resultaten is op Orbis Terrarum bij elkaar gebracht. Een veel breder overzicht biedt de catalogus. De structuur ervan is in eerste aanleg nogal weerbarstig, de meeste essays zijn geschreven in een stugge, dikke academische taal. Maar wie zich daar doorheen worstelt, wordt beloond met een veelheid aan encyclopedisch materiaal over de wisselwerking tussen kunstenaars en cartografie. De denkbeeldige steden van El Lissitsky en Rem Koolhaas, de kaarten uit Schateiland en In de ban van de ring, het Utopia van Thomas More, Charlie Chaplins wereldballon uit de film The Great Dictator en de 1 op 1 cartografie die Christo bedreef met zijn ingepakte eilanden of kuststroken - het is maar een greep uit de overvloed die de catalogus biedt. Na lange marsen door onbekend gebied aan te komen in een stad waaraan alles vreemd is: het stratenplan, de veelhoekige huizen, de prevelende bewoners, de kruidig-zoete geur. Tekens van een vreemd alfabet bieden geen hulp om de plaats te bepalen. Gewoonten en omgangsvormen vergroten de verwarring.

Nog steeds leidt de mooiste reis naar een streek die niet in kaart is gebracht. Helaas, zo'n tocht naar het onbekende is ons niet meer gegund. Daarvoor hebben we de afgelopen eeuwen onze wereld te veel van zijn geheimen ontfutseld.

Maar weten we echt zo goed hoe onze wereld er uitziet? De Britse Emma Kay tekende in 1998, ze was toen 37 jaar, The World from Memory. Engeland en Ierland liggen er op haar wereldkaart keurig bij, ook de rest van Europa heeft vertrouwde trekken. Maar van de landsgrenzen in Afrika klopt niets, Madagaskar is, net als Indonesië, van de kaart gevaagd, en Rusland dijde reusachtig uit.

Kay tekende die kaart uit haar hoofd, vertrouwend op niets dan haar geheugen. Het resultaat, de subjectieve weergave van haar wereld, is als een spiegelbeeld: persoonlijke geschiedenis, affiniteiten, politieke voorkeur, economische gegevens - dat alles laat zich uit haar kaart aflezen.

Het is een experiment dat erom smeekt op grote schaal herhaald te worden. Zo hoeft niemand meer op reis om zijn eigen terra incognita te ontdekken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden