Regelaar in sterren

HIJ HEEFT, frèle maar kwieke man van achterin de zeventig, iets met kwetsbare reuzen, in het heelal althans. Sterren die vijfhonderd keer zo groot zijn als onze zon, een miljoen keer helderder en die tegelijkertijd zo ijl en wijds zijn dat, bij wijze van spreken, een zuchtje wind genoeg is...

Wat houdt ze, zo groot en zo gevoelig, op de been? Die paradox fascineert nou een Cees de Jager, emeritus hoogleraar sterrenkunde te Utrecht, bewoner van de sterrenwacht Zonnenburg op één van de bolwerken van de oude stad. Ooit begon hier Buys Ballot zijn Meteorologisch Instituut, het latere KNMI. Tot 1963 woonde en werkte hier Minnaert, zijn legendarische leermeester, een mens, docent en onderzoeker naar zijn hart.

In de huidige keuken was de kaartenkamer, bij de salontafel, stonden de eerste bureaus. Hoge plafonds, enorme ramen waarachter honden dollen in het park beneden. Boven is de witte koepel, waarin de oude meridiaankijker van de sterrenwacht staat, nu het domein van amateurs en bezoekers, deels museum binnenkort.

Twee keer in de maand spreekt Professor de Jager, popularisator uit overtuiging, hier over een actueel onderwerp uit de astronomie. Aan stof voor zijn lezingen heeft hij geen moment gebrek. Aan belangstelling evenmin. Mensen willen weten, en de astronomie stelt de klassieke vragen. Naar het begin. Het einde. Het waarom.

Drie dagen in de week, op dinsdag, donderdag en vrijdag werkt hij nog steeds op het laboratorium in de Uithof aan publicaties over zijn eigen hyperreuzen. Drie sterren hebben ze nu aan het firmament gevonden die op de rand van de afgrond lijken te balanceren. Eén ervan, eens zien: HR 8759, het sterrenbeeld is hij even kwijt, Cassiopeia ja, is sinds ze hem bestuderen tienduizend graden heter geworden. Nog nooit vertoond, daar is iets gaande.

Geleerden, is zijn stelling, gaan niet met pensioen, maar ze moeten ook niet in de weg blijven zitten. Toen hij acht jaar geleden vertrok, mocht hij blijven, maar heeft hij wel geweigerd in de laboratoriumraad zitting te nemen. Oude mannen moeten niet steeds vertellen hoe zij het vroeger deden, die mogen blij zijn dat ze een bureau mogen houden om onderzoek te doen. Anders wordt het gezeur.

Bestuurd had hij immers al genoeg. In 1957 was de Russische Spoetnik aan de hemel verschenen en kwam de westerse ruimtevaart uit pure wanhoop in een adembenemende stroomversnelling. De Jager, tot dan vooral vooraanstaand onderzoeker van de zon, wist direct dat dit de kans was om verder te kijken dan wie ook. Röntgen, ultraviolet; daarvoor moest je boven de atmosfeer zijn. Daar kon je nu komen, op de rug van de ruimtevaart-wedloop.

De Jager regelde het. Bracht het Laboratorium voor Ruimteonderzoek, astronomisch onderzoek vanuit de ruimte, tot stand. Het latere SRON. Bouwde eind jaren zestig de eerste Nederlandse ruimte-instrumenten, wat een feest was, technici die je keihard op de vingers tikken, of juist op ideeën brengen. De eerste Nederlandse satelliet ANS vloog. De Solar Maximum Mission. Prachtige apparaten.

En De Jager steeg mee. Of hij secretaris wilde worden van de Internationale Astronomische Unie. Een eervolle baan. Hij is naar zijn oude meester Minnaert gegaan. Minnaert, zei hij - voornamen kwamen pas later, vlak voor Marcels dood - Minnaert, als je collega's je zoiets vragen, kun je dat dan weigeren? Minnaert dacht van niet.

Waarna de internationale organisatie voor ruimte-onderzoek kwam. De International Council of Sciences. En zelfs de Koninklijke Akademie in Amsterdam. Die hij beleefd weigerde, omdat onderzoeker Cees de Jager dan definitief nooit meer aan onderzoek zou toekomen, vermoedde hij.

Hij praat alsof het hem allemaal zómaar overkomen is. Maar hij was dan ook een dienaar, van de sterrenkunde, van het heelal ook een beetje. Meegesleurd door de spectaculaire hoogtij in zijn vak. Nederland, een klein en min of meer neutraal land, was de ideale voorzitter.

Dus zat de beminnelijke Cees de Jager middenin de Koude Oorlog in een bestuur waar een ijzige kloof liep tussen Oost en West, en werd hij overal onthaald als hoogwaardigheidsbekleder. Zat hij in Taiwan met broederlijke groeten uit de Volksrepubliek China aan de collega's. En bracht hij de huiverige wedergroet daarna weer over, pendelend tussen twee officiële aartsvijanden.

Begin jaren zeventig is hij na een congres in Australië even blijven hangen, gewoon, voor zichzelf. Teruggegaan naar Celebes is hij, naar het dorp van zijn jeugd, hoog in de bergen. De school van zijn vader was er nog, de onderwijzerswoning. Er kwam een vrouwtje uit het huis aan de overkant, dat hem ogenblikkelijk herkende. Nee maar, Cees jongen!

Daar kwam het weer boven. De reis, toen hij vijf was, van zijn geboorteplaats Texel, vier weken op een stampend schip naar de Oost. De aankomst in Indië, de ree, de bootjes, Bandung. De plaatsing op Celebes, als enig blank gezin in kampong. De overweldigende natuur daar, het nachtelijk zwerk. En zijn moeder, die hem gezegd had dat hij in het vervolg Nederlands praten moest en geen Texels. 'Kijk' in plaats van 'kiek', 'uit' in plaats van 'uut'. Zodat zijn oom Jan in 'Uitrecht' woonde, een tijdlang.

Op Celebes had hij een boek, De Wonderen des Hemels, van zijn vader gekregen. Een kloek, groen gebonden boek. Het staat hier nog in de kast. Vader De Jager nam hem op een avond mee naar buiten en wees. Die ster is roder dan die ernaast, zie je jongen, die is dus kouder. Een openbaring: aan sterren kon je iets zien.

Het boek heeft hij uitgebeden, uit zijn hoofd geleerd, vol aantekeningen in potlood gezet. Op momenten dat hij niet uit rennen was, of anderszins uit sporten. De vijf kilometer, die heeft hij nog geïntroduceerd op de Nederlands-Indische Spelen. Sportleraar Dobbinga was er toevallig secretaris. Had niemand ooit aan gedacht.

En hij loopt nog. Tien kilometer, twintig soms. Zijn laatste marathon was die van New York, in 1998. Zijn vrouw verklaarde hem voor gek, besloot toen hem te trainen en coachen. Het is een verslaving, net als wetenschap eigenlijk: vechten tegen je beperkingen en winnen. Het is een voorrecht op deze manier oud te mogen wezen.

Terug. Hij werd 18. Stapte op de boot naar Holland om daar te gaan studeren, in oom Jans Uitrecht. Onderweg viel Hitler Polen binnen. Zijn vader telegrafeerde dat hij terug moest komen, hij is toch verder gegaan. Meldde uit Utrecht dat hij sterrenkunde wilde gaan doen. Kreeg weer een telegram dat daar geen droog brood in te verdienen was, en seinde terug dat hij in dat geval nog altijd leraar zou kunnen worden.

De Jager dook gedurende de oorlog anderhalf jaar onder in een achterafkamertje van de sterrenwacht op Zonnenburg, studeerde overdag, glipte nu en dan weg om tentamens te doen, deed er 's nacht waarnemingen met de kijkers op het dak.

Bij de bevrijding was hij klaar, kreeg een onbezoldigd baantje bij Minnaert, werd assistent, ging promoveren. Cees de Jager verdiende wel degelijk brood in de sterrenkunde.

Toen hij begon, vlak na de oorlog, kon een promovendus nog ongeveer alles lezen wat er in de bibliotheek binnenkwam. Gerekend werd er nog met de hand. Ergens in de jaren zestig - de eerste computer besloeg nog steeds twee vertrekken maar rekende wel degelijk zijn eerste zonnemodellen door - hield dat op. Hij hield het zijn gehoor al voor in zijn intreerede, 1961 was dat: als de huidige groei zich voortzet, hebben we binnen een eeuw een astronoom in elk Nederlands gezin.

Dat is niet uitgekomen, en dat is maar goed ook, maar de sterrenkunde is niet meer bij te houden. Er is enorm veel onderzoek, prachtige instrumenten en ruimtevaartuigen, uitstekende onderzoekers, de resultaten stromen binnen. Dat zijn niet steeds enorme doorbraken, al zouden de media dat wel willen.

Vergeet echter niet: toen hij als student begon, was de uitdijing van het heelal nieuws, feitelijk heeft hij de hele moderne kosmologie geboren zien worden. De ster-evolutie. Vreemde objecten als quasars, neutronensterren, zwarte gaten. Tussen toen en nu, dat is een wereld van verschil.

Achteraf spreekt altijd alles vanzelf. Dus heeft ook Cees de Jager zich nadien wel eens verwijten gemaakt, belangrijke dingen niet te hebben opgepakt, ook al gebeurden ze onder zijn neus. Een wetenschapper moet het ook maar steeds kunnen opbrengen, die openheid van geest, die kritische nieuwsgierigheid, dat permanente ongeloof, elke gril opnieuw schatten op zijn werkelijke waarde.

En de twijfel: hoeveel had hij niet kunnen verrichten als hij niet aan alle kanten was ingegaan op de uitnodigingen om te regelen, te organiseren, voor te zitten. Als hij gewoon lekker had doorgewerkt?

Vorig jaar nog kroop de emeritus, net voorzitter-af ook van sceptici-vereniging Skepsis, met een lineaaltje door zijn dienstwoning Zonnenburg, speurend naar afstandsverhoudingen tussen deurposten, drempels, bobbeltjes in het tapijt, tafelpoten. De hele wereldgeschiedenis sinds de oerknal was in de gevonden getallen aan te wijzen, schreef hij in het periodiek Skepter van de vereniging. Precies zoals getallenwichelaars bij hoog en bij laag beweren over de piramides. Kul, natuurlijk.

Alleen die schemerlamp daarginds in de voorkamer, die heeft hij iets verzet. Om de Tweede Wereldoorlog op z'n plek te krijgen. Soms moet je wat schipperen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden