Redt de mus

De ordinairste aller vogels, de huismus, wordt minder gewoon. Bijna overal gaat hij in aantal achteruit. Eksters, verstedelijking, nieuwe dakpannen: theorieën genoeg over de oorzaak....

HET HART van vogelbeschermers gaat harder kloppen bij de ortolaan, de smient en de tureluur, maar zij halen hun neus op voor de huismus. Ten onrechte. Bijna overal gaat het relatief slecht met de gewoonste aller Euraziatische vogels, die sinds de oudheid opduikt op alle plaatsen waar mensen wonen en in de vorige eeuw met de Europeanen meeverhuisde naar de Nieuwe Wereld. Alleen in Midden-Afrika, de tropische zone van Zuid-Amerika en in West-Australië, Noord-Canada en Siberië komt de huismus niet voor. Ondanks de afnemende stand is het de meest verbreide zangvogel ter wereld.

De eerste vermoedens over de terugval van de huismus ontstonden ruim tien jaar geleden en sinds enkele jaren wordt er onder ornithologen niet meer getwijfeld: het aantal mussen is de afgelopen twintig jaar inderdaad afgenomen met een kwart tot 40 procent. Behalve in Nederland is dat vastgesteld in Amerika en Canada (waar de tellingen sinds 1966 een gestage afname laten zien) en in Groot-Brittanië, België, Duitsland, Zweden en Denemarken. Elders is vermoedelijk hetzelfde aan de hand, maar is de belangstelling voor de ordinaire mus nog niet ontwaakt.

De vraag die vogelkenners bezighoudt, is het waarom. Aan theorieën is er geen gebrek, maar de speculaties spreken elkaar ronduit tegen. Zelfs de vraag of een afname met 40 procent nog gezien kan worden als een natuurlijke schommeling in de populatie, ligt vooralsnog open. En omdat de mus geen ortolaan is, blijft het voorlopig bij speculeren. Naar de teruggang wordt geen serieus onderzoek gedaan en wetenschappelijke publicaties ontbreken.

Weliswaar barst het in Nederland van de vogelaars, maar echte mussenspecialisten zijn onder hen nauwelijks te vinden. De huismus geldt als een 'niet beleidsrelevante vogel', zegt woordvoerder Fred Hustings van SOVON Vogelonderzoek Nederland, die zelf ook niet zo'n mussenfan is. 'In vergelijking met wat er allemaal méér te vertellen is, vind ik de aandacht voor de huismus wat overtrokken', laat hij zuinigjes weten.

Wel haalt de SOVON op verzoek de laatste telgegevens uit de computer. En daaruit blijkt dat het inderdaad niet best gesteld is met de huismus. Gemiddeld bedroeg de afname in Nederland tussen 1980 en 1997 30 à 40 procent - afhankelijk van de telmethode. Op sommige plekken komt de vogel in het geheel niet meer voor. Twintig jaar geleden werd het aantal Nederlandse broedparen geschat op anderhalf tot twee miljoen. Tegenwoordig zijn er dat vermoedelijk rond de achthonderdduizend.

Al in het Nieuwe Testament werd de mus het meest algemene en onaanzienlijkste schepsel genoemd ('maar er zal er niet één ter aarde vallen zonder dat de Heer het wil'; Mattheus 10-29), en tot voor kort was die bijbelse status nog volledig terecht.

Sinds kort is de huismus in Nederland echter niet meer de meest voorkomende vogel. Dat is de merel, met ongeveer één miljoen broedparen. De huismus verloor ergens de afgelopen twee à drie jaar zijn koppositie, schat voorlichter Hans Peeters van Vogelbescherming Nederland.

Maar dat gegeven dringt maar langzaam door. Tot voor kort gold zelfs een verbod om mussen te ringen. Het Vogeltrekstation in Arnhem, dat de gegevens van geringde vogels bijhoudt, was bang overstroomd te worden met gegevens. En pas dit jaar werd de huismus voor de wet een volledig beschermde vogel, net als andere algemene soorten als de spreeuw en de kokmeeuw.

Tot 1997 kon er grote delen van het jaar nog zonder gewetensproblemen op de huismus worden gejaagd: een oude traditie uit de tijd dat het diertje door de mens werd beschouwd als een schadelijke vogel. Huismussen aten het graan op en zouden ziekten overbrengen, luidde de theorie. Dat laatste is niet bewezen, maar het eerste wel: in landbouwgebieden kan één onaanzienlijke mus per jaar tussen de 2,5 en 4,6 kilo graan verorberen.

Bioloog en etholoog (gedragsdeskundige) dr. Guus van der Poel is op vogelgebied eigenlijk een futen-expert, zegt hij, maar raakte drie jaar geleden geïntrigeerd door de tamelijk chaotische mussendiscussie. In zijn vogelwerkgroep in Het Gooi deden de meest uiteenlopende theorieën de ronde over de afname. Er zijn geen paardenvijgen meer, zei de één, want vroeger aten mussen de onverteerde haver uit de paardenvijg. Er waren te veel wegen geasfalteerd en stoepen bestraat, meende de ander, want vroeger aten de mussen de zaden uit de wegberm.

Of het kwam door de moderne dakpannen, die het nestelen verhinderen. Dan wel door de toename van de eksters, die jonge mussen opeten. Of door de katten, die volgens een onderzoek in het Britse Bedfordshire voor 30 procent van de dode mussen verantwoordelijk waren. Samen met de veranderende landbouwmethoden en toegenomen verstedelijking waren daarmee alle mogelijke oorzaken wel genoemd.

Een forse afname van de huismus zou een verontrustend teken kunnen zijn, vindt Van der Poel. 'De vogel leeft immers in de directe nabijheid van de mens. Als er iets is waardoor ze verdwijnen, kan dat ook gevolgen hebben voor de mens zelf. Maar het het gekke was dat ik persoonlijk nog bendes mussen zag.'

Van der Poel woont in een jaren zeventig-nieuwbouwwijk in Weesp. Mussen zitten er in groten getale onder de dakgoot. Door regelmatig in zijn voortuintje voer te strooien, stelde hij vast dat het relatief eenvoudig was het precieze aantal te tellen. Mussen zijn standvogels met een beperkte actieradius van enkele honderden meters. Ze zijn slim genoeg om het voederpatroon snel dóór te hebben. Wie op vaste tijden strooit, heeft binnen veertien dagen de complete mussenpopulatie in de directe woonomgeving op de stoep, en kan gaan turven.

Met dat gegeven ging hij aan de slag. Na een oproep in de lokale krant ontstond een netwerk van vrijwiligers die bereid waren de mussen in hun eigen tuin te tellen. De uitslagen bevestigden dat er inderdaad hele woonwijken bestaan die het zonder huismussen moeten stellen, hoewel de situatie minder dramatisch bleek dan was verondersteld.

In ongeveer de helft van 38 reacties uit de grotere stedelijke gebieden in Het Gooi werd vooraf de veronderstelling geuit dat er geen enkele mus meer voorkwam in de tuin. Maar bij feitelijke telling bleek de helft van de nul-schatters ongelijk te hebben: de huismussen zaten er wel, en soms waren het er zelfs meer dan tien. De andere helft van de secptici kreeg echter gelijk: regelmatig voer strooien trok slechts Turkse tortels, merels en vinkachtigen. Geen mus.

Zeer mussenrijke tuinen hebben meer dan veertig huismussen in de omgeving en het gemiddeld aantal mussen schommelt rond de twintig. De grote verrassing ontstond bij het verwerken van de enquêteformulieren waarop de deelnemers ook informatie over hun tuin en woonhuis hadden ingevuld. Met de leeftijd van het huis leek iets bijzonders aan de hand. En vooral iets onverwachts: naarmate de huizen ouder werden, kwamen er minder mussen voor. Oude huizen van vóór 1953 waren bij de mussenarme en mussenloze tuinen zeer sterk oververtegewoordigd.

Bij de eerste telproef door 18 deelnemers leek het verband onmiskenbaar. Een tweede telling met 24 nieuwe deelnemers leverde hetzelfde beeld op. De relatie tussen de leeftijd van het huis en de verschijning van de huismus is statistisch overweldigend. Van der Poel: 'En dat gaat regelrecht in tegen de theorie dat huizen met nieuwe dakpannen, betere isolatie en jongere tuinen minder nestgelegenheid bieden. Elke expert vermoedde juist dat de huismus het in de omgeving van oude huizen beter zou doen.' Dat zou ook logisch zijn, ware het niet dat oude huizen meestal in het oude deel staan van verstedelijkte gebieden. Daaromheen zijn de afgelopen dertig jaar steeds meer nieuwe huizen gebouwd. 'Mijn veronderstelling is dan ook dat huismussen zich beter thuisvoelen in die stedelijke schil van nieuwbouw. Waarschijnlijk vanwege het voedsel dat ze nodig hebben. Vooral in de periode dat ze jongen hebben, voeden mussen zich met insecten. Die zijn nog wel te vinden in het landelijk gebied dat grenst aan de stad. Voor mussen uit het centrum is dat te ver.'

Het blijft een beredeneerd vermoeden, benadrukt de bioloog. Het 'plotten' van de meetgegevens op een kaart van Het Gooi bevestigt weliswaar zijn algemene beeld, maar levert ook ook voldoende uitzonderingen om te blijven twijfelen. 'In de wetenschap zeggen we dan: er is reden voor nader onderzoek.'

Met een andere veronderstelling over de bedreiging van de huismus heeft Van der Poel wel korte metten gemaakt, meent hij. De theorie dat eksters voor de afname verantwoordelijk zijn, kan op grond van het Gooise tuinvogelonderzoek worden bestreden. Een vergelijking van musrijke en musarme tuinen met het aantal daar waargenomen eksters, vertoont slechts een saaie statistiek. In alle soorten tuinen bedroeg het aantal eksters tussen de nul en de twee. Een verband met veel of weinig mussen is niet te leggen.

De verklaring voor de algemene afname van de huismus zit waarschijnlijk minder in de gelegenheid tot nestelen dan in de beschikbaarheid van voedsel, is de conclusie van Van der Poel. Huismussen zijn niet zo kritisch over hun behuizing. Nesten zijn op de meest bizarre plekken aangetroffen. Op een pomp in een olieveld in Texas bijvoorbeeld, waar nest en broedsel eens per vier seconden op en neer werd bewogen.

Maar het menu van de huismus is de afgelopen dertig jaar flink verschraald. 'Ondanks het bijvoeren in de stad en het laten slingeren van eetbare waren, is de voedselsituatie van de vogels waarschijnlijk onvoldoende. Met name voor de nestjongen en de pas uitgevlogen dieren', veronderstelt Van der Poel.

Bovendien hebben op het platteland graan- en roggevelden plaats gemaakt voor bijvoorbeeld maïsakkers, waar de vogel niets mee kan. Het meest mussenonvriendelijke scenario omvat derhalve een groot verstedelijkt gebied, omgeven door eindeloze maïsvelden. Een gebied, kortom, dat heel erg lijkt op het twintigste-eeuwse Nederland.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.