Recht en macht of: hoe filosofen de wereld kunnen veranderen

Ooit was het eenvoudig: een filosoof nam stelling tegen onrecht. Sartre protesteerde vaak, maar sloeg de plank geregeld mis. Dus hoe verder met het filosofisch engagement?...

Hoe moeten filosofen – de zelfbenoemde voorhoede van de intellectuelen – zich opstellen met betrekking tot actuele politieke en maatschappelijke vraagstukken? Rond de jaren zestig van de vorige eeuw was dat nog duidelijk. Jean Paul Sartre was het grote voorbeeld. Hij was de incarnatie van de universele intellectueel. Overal waar onrecht plaats vond, klaagde hij aan, overal waar verzet zich manifesteerde, verklaarde hij zich solidair. Bij protestmarsen liep hij met Simone de Beauvoir aan zijn zijde voorop en als er een petitie ondertekend moest worden, zette hij zijn naam eronder.

Langzamerhand werd het duidelijk dat Sartre met dit universalisme vaak de verkeerde politieke keuzes maakte. De vrijheid in de Sovjet-Unie van Stalin was volgens hem groter dan in het kapitalistische Westen, in het China van Mao werd, zo verklaarde hij na een kort bezoek, een ‘nieuwe mens’ geboren die intellectueel en arbeider tegelijk was. In het Cuba van Castro werden schrijvers die het bewind bekritiseerden, zo vond hij, terecht opgesloten.

Mede door de veelheid aan, vaak ook nog verkeerde, stellingnames ging met Sartre de universele intellectueel ten onder. Het bleek onmogelijk en riskant om je als filosoof zonder veel kennis van zaken voor de wereldwijde strijd tegen het onrecht in te zetten. De universele intellectueel maakte plaats voor de specifieke intellectueel. De filosoof Michel Foucault werd hiervan zowel de pleitbezorger als het maatschappelijke voorbeeld.

Pas wanneer een filosoof zich grondig in een bepaald maatschappelijk probleem had verdiept, kon hij zich volgens Foucault erover uitspreken. Zelf schreef Foucault grote studies over de waanzin en de gevangenis, waarna hij betrokken was bij actiegroepen van psychiatrische patiënten en van ex-gedetineerden.

Het activisme à la Foucault is ondertussen langzamerhand uit de mode geraakt. Wat betekent dat voor de filosoof die zich op de actualiteit wil richten? Deze vraag staat centraal in een debat tussen Alain Badiou en Slavoj Zizek, twee dwarse denkers die zich steeds vaker publiekelijk manifesteren. De Fransman Badiou houdt vast aan de universele pretenties van de filosofische waarheid. Vanuit deze universeel geachte positie spreekt hij zich regelmatig uit over controversiële maatschappelijke kwesties als de rechten van illegalen en de hoofddoekjes.

Zizek is een Sloveen die het oude communistische Joegoslavië nog intensief heeft meegemaakt. Hij heeft zich vooral als een mediafilosoof ontwikkeld, die niet aarzelt om gedurfde uitspraken over wereldproblemen te doen. Voor een nieuwe communistische revolutie blijkt hij bijvoorbeeld zijn hand niet om te draaien. Een debat tussen deze beide radicale denkers leek op grond van hun positie waardevol en spannend.

Dat is het maar ten dele geworden. Het begin is zeker de moeite waard. Badiou bestrijdt fel de opvatting dat de filosoof over van alles zijn zegje zou moeten doen. Dat is de opvatting van ‘de televisiefilosoof’, waar Badiou een grondige hekel aan blijkt te hebben. Toch wil hij zelf als universalistisch denker zich ook over sommige belangrijke maatschappelijke problemen uitspreken. Over welke? Om deze vraag te kunnen beantwoorden, ontwikkelt Badiou de interessante theorie van ‘de filosofische situatie’. Alleen wanneer deze zich voordoet, zou de filosoof stelling moeten nemen.

In een filosofische situatie, die hij met de nodige voorbeelden toelicht, moet er volgens Badiou aan drie voorwaarden zijn voldaan. Het moet om een fundamentele keuzemogelijkheid in het denken gaan, er moet sprake zijn van een afstand tussen het denken en de macht en tenslotte moet worden onderkend dat het om een uitzondering, een beslissende gebeurtenis gaat. Zo kort weergegeven klinkt dit hoogst abstract en ingewikkeld. Maar de voorbeelden die Badiou uitwerkt – van traditionele filosofische teksten tot actuele maatschappelijke kwesties – geven toch een goede kijk op wat een filosofische situatie zou kunnen inhouden.

Het eerste voorbeeld betreft een beroemde dialoog tussen Socrates en Callicles. De laatste beweert dat macht en recht samenvallen en dat de tiran die de macht over een stad uitoefent een gelukkig man is. Volgens Socrates mag alleen een rechtvaardig mens zich gelukkig noemen. In het gesprek tussen beiden dat Plato weergeeft, wordt het duidelijk dat er geen overeenstemming bereikt kan worden. De lezer zal met andere woorden zelf een keuze moeten maken. In dit voorbeeld, aldus Badiou, toont het denken zich als keus en moet het afstand nemen van de macht.

Echt abstract en ingewikkeld wordt het pas hierna. Badiou, die bekend staat als een notoir moeilijke denker, gaat in acht stellingen zijn hele filosofische systeem even uitleggen. Aan het slot moeten de toehoorders wel in lachen (of huilen misschien) zijn uitgebarsten. ‘Dat was het. Als u de acht thesen samen neemt, kunt u daarmee de vraag naar het engagement van de filosoof in de tegenwoordige tijd volledig beantwoorden.’

Sublieme ironie of bittere wijsgerige ernst? Het antwoord van Zizek brengt gelukkig enige verheldering. Hij stelt dat hij het geheel met Badiou eens is en geeft zijn eigen uitwerking van diens betoog. Ook volgens hem moeten filosofen niet zo nodig in allerlei lopende maatschappelijke debatten stelling nemen. Wanneer ze dat wel doen, moeten ze proberen om de begrippen van het debat te verplaatsen. Zizek geeft verschillende voorbeelden – het debat over de nieuwe media en de virtuele realiteit, over de religie en over de consumptiecultuur – die laten zien dat een verandering van de vraagstelling en de gebruikte begrippen inderdaad winst op kan leveren. Hij doet dat wel op een erg polemische wijze. Al zijn collega-filosofen, van Rorty tot Habermas, hebben het steeds fout gedaan. Alleen hijzelf en Badiou natuurlijk weten hoe zij de varkentjes moeten wassen.

De overeenstemming tussen de denkers zorgt er helaas wel voor dat het debat tussen hen als een nachtkaars uitgaat. ‘Filosofie is geen dialoog’, luidt de hoofdstelling van Zizek. Dat lijkt mij discutabel.

Weerwoord en tegenspraak kunnen ook de filosoof verder helpen. Dat laten juist de andere delen uit de mooie serie ‘Filosofie in dialoog’, waarin ook dit gesprek verscheen, overtuigend zien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden