Psychiatrisch patiënt Gerrit had geen TBC. Hij werd 'opgeruimd'.

Psychiatrische patiënten tijdens de Tweede Wereldoorlog

In psychiatrische inrichtingen stierven tijdens WOII in Nederland opvallend veel patiënten. Op een congres wordt vandaag gepleit voor een onderzoek naar deze vergeten groep slachtoffers.

Evacuatie van de psychiatrische inrichting in Santpoort naar de Willem Antsz Hoeve in Den Dolder in januari 1943. Foto Altrecht

In april 1945, frustrerend kort voor het einde van de oorlog, krijgen Johan en Aleida Abelman een brief die alles verandert. Van briefpapier met sierlijke letters lezen ze dat zoon Gerrit, dan 28 jaar oud, aan tuberculose is overleden. Schokkend, natuurlijk. Verdrietig ook. Maar niet alleen omdat ze Gerrit kwijt waren. Ook omdat Gerrit geen tbc had. Gerrit, zo wisten zijn ouders, was 'opgeruimd'.

De brief was afkomstig van de Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder, een inrichting waar psychiatrische patiënten, verstandelijk gehandicapten, mensen met epilepsie en dementerende ouderen verbleven. Een instelling die sinds oktober 1942 door NSB'ers werd bestuurd, die Joodse patiënten aan de Duitsers lieten uitleveren en 'lastig' personeel lieten arresteren. Een inrichting bovendien waar tijdens de Hongerwinter ruim 28 procent van de achtergebleven patiënten om het leven kwam, tegenover 1,7 procent van de burgerbevolking.

Maar ook in drie andere grote Nederlandse psychiatrische inrichtingen lag het sterftecijfer in oorlogstijd schrikbarend hoog, blijkt uit het schaarse onderzoek naar deze groep: grofweg een op de vijf psychiatrische patiënten en verstandelijk gehandicapten overleeft de oorlogsperiode niet. Omdat er nog zo weinig over hun lot bekend is, pleiten Altrecht en Reinaerde (de rechtsopvolgers van de Willem Arntsz Hoeve), GGZ Nederland, cliënten- en familieorganisaties en het Nationaal Comité 4 en 5 mei vandaag op een congres voor een grootschalig nationaal onderzoek naar deze 'vergeten slachtoffers'. Of het NIOD en het ministerie van Volksgezondheid zich bij hen aansluiten, is nog niet bekend, maar wel dat zij het initiatief ondersteunen.

Foto Volkskrant

71 jaar na de oorlog ligt Gerrits identiteitskaart van de Willem Arntsz Hoeve op een tuintafel in Amersfoort. Eromheen zitten Amanda Abelman (61) en zus Ivette (57). Gerrit was hun oom, de held van hun vader. 'Tot aan zijn dood bleef pa ons vertellen over zijn oudere broer', zegt Amanda. 'Ze hadden een goede band, leken op elkaar. Zodra hij over Gerrit sprak, begon hij te glunderen.' Het was ook een knappe vent, zegt Ivette. 'En gevoelig natuurlijk, zoals alle Abelmannetjes. Bij ons is iedereen zachtaardig, creatief. Vandaar ook die melancholie, dat depressieve.'

Voor Gerrit, net als zijn vader schilder in Soest, markeert het begin van de oorlog ook de start van zijn psychische problemen. Hij wordt voor het eerst verliefd en krijgt verkering, maar de vader van zijn geliefde wil niks van hem weten. Abelman, dat is armetierige komaf. Geen partij. Als de relatie onmogelijk blijkt, komt Gerrit in een depressie terecht, vertelt Amanda, en krijgt hij psychotische klachten. 'Waarschijnlijk had hij het al lastig, want hij kon al het oorlogsgeweld totaal niet bolwerken. Maar toen dit gebeurde, ging er iets mis in zijn hoofd.'

En dus fietst Gerrit steeds weer naar vliegveld Soesterberg, waar het krioelt van de Duitse soldaten. Ivette: 'Dan vroeg hij waarom ze niet weggingen, of zei hij eerlijk dat hij het niet leuk vond dat ze er waren. Dat soort dingen. De familie was hecht, maar mijn opa en oma zagen geen andere optie. Hij bleef gevaarlijke dingen doen, dus ze lieten hem opnemen. Al was het maar voor zijn eigen veiligheid.'

Gerrit Abelman (L) en zijn vader Johan. Zijn ouders lieten Gerrit in de oorlog opnemen nadat hij in een depressie was beland. Foto rechtenvrij

Zo vaak als het kan fietsen Gerrits vader en broer langs het spoor en door het bos van Soest naar Den Dolder om hem te bezoeken. Voor zijn moeder was die tocht te gevaarlijk. Een paar dagen na zo'n bezoek kwam de brief, vertelt Ivette met enige verbazing. 'Mijn opa was een paar dagen daarvoor nog op bezoek geweest, toen was er niks aan de hand. Hij had twee kinderen aan tbc verloren, wist precies wat de symptomen waren en hoe lang het ziekbed was. Daarom hebben ze het nooit geloofd. Zodra we er oud genoeg voor waren, hoorden we thuis waarom we oom Gerrit nooit hebben gekend: hij was vermoord.'

Historica en psychiatrisch verpleegkundige Cecile aan de Stegge roept al jaren dat de behandeling van Nederlandse patiënten in psychiatrische inrichtingen tijdens de Tweede Wereldoorlog moet worden onderzocht. Zelf is ze alvast maar begonnen, door samen met historicus Marco Gietema een boek over de Willem Arntsz Hoeve te schrijven, in opdracht van Altrecht en Reinaerde. Na acht jaar onderzoek in verschillende instellingen kent ze de argwaan bij nabestaanden als geen ander, maar ze vond tot nog toe geen bewijs dat patiënten opzettelijk zijn vermoord.

Wel durft ze in het geval van de Willem Arntsz Hoeve te spreken van actieve verwaarlozing. 'Patiënten in Den Dolder vielen bij bosjes door overbevolking, slechte hygiëne en voedsel-tekort, maar de directie deed niks om die mensen te redden. Sterker nog: toen er begin 1945 Zweeds meel werd uitgedeeld, wat midden in de Hongerwinter niets minder dan een geschenk uit de hemel was, werd het de bakker die dit had aangeboden verboden om broden te bakken. In Duitsland noemen ze de gevolgen van zulke daden Euthanasie durch die Um-stände. Oftewel: de omstandigheden zo slecht maken dat overleven vrijwel onmogelijk wordt.'

De tekst gaat verder onder de foto.

Amsterdam tijdens de hongerwinter Foto anp

Voor de nichten van Gerrit maakt het niet uit of hun oom nu actief of passief is vermoord of verwaarloosd. Ivette: 'Het is allemaal kwalijk. Het is allemaal moord. Ik begrijp best dat er in die Hongerwinter niet veel was. Dat personeel het zelf ook lastig had. Als ik toen drie kinderen had, zou ik misschien ook een aardappel onder mijn rokken mee naar huis hebben gesmokkeld. Over die mensen wil ik niet oordelen. Maar wel over de mensen die daar verantwoordelijkheid hadden. Dit is zo'n kwetsbare groep, waarvoor je als directie hoort te zorgen.'

Veel nabestaanden kunnen het gebrek aan aandacht voor deze zwarte bladzijde uit de vaderlandse geschiedenis niet los zien van de stigmatisering van psychiatrische patiënten. Historica Cecile aan de Stegge beaamt dit: 'In de Tweede Wereldoorlog was een familielid in een inrichting voor veel mensen een schandvlek, ook omdat de gemeenschap voor hun zorg moest betalen. Maar mensen spreken nog steeds niet makkelijk over psychische problemen. Misschien dat we dit thema in combinatie met oorlog wel extra ongemakkelijk vinden. We zien onszelf graag als verzetsland. Verhalen over Nederlanders die te weinig hebben gedaan om anderen te helpen horen we niet graag.'

Ivette en Amanda hebben nooit geweten waarom hun vader nooit aandacht voor Gerrit vroeg, behalve bij zijn eigen kinderen. 'Dat het balletje pas na zijn overlijden ging rollen, is wrang, want het heeft hem levenslang verdriet gedaan. Voor hem is het nooit gaan slijten. Maar goed, nu zijn wij er, en wij laten niet meer los. Pa deed het voor Gerrit, wij doen het voor pa.'

Meer over

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.