Professor, wat zegt u nu?

Wetenschapscommunicatie moet en kan beter

De geleerde en de leek spreken vaak elkaars taal niet. Ionica Smeets gaat dat én andere problemen te lijf.

Beeld Kazuma Eekman

Wat gaat er mis als wetenschappers uit hun ivoren toren klimmen om over hun werk te praten? En hoe kan dat beter? Ionica Smeets, kersverse hoogleraar wetenschapscommunicatie aan de Universiteit Leiden, hield gisteren haar oratie. Hierbij een korte samenvatting in zeven lessen.

1. Zelfs diarree is jargon

Het is ongelooflijk makkelijk om te overschatten wat bekend is bij anderen. Zodra je een term zelf tien keer hebt gebruikt, is het verleidelijk om aan te nemen dat iedereen weet wat het is. Maar in Nederland zit 40 procent van de bevolking op of onder het taalbeheersingsniveau van een elfjarig schoolkind naar internationale maatstaven van de OECD, een aanzienlijk deel van de bevolking is laaggeletterd, en ook hooggeleerden zijn leken zodra het over termen buiten hun vakgebied gaat.

Bovendien gaat jargon niet alleen over Latijnse namen en ingewikkelde vaktermen; het zijn ook woorden die voor experts een andere betekenis hebben dan voor het algemene publiek. Neem een alledaags woord als diarree. Bij een studie naar medisch jargon typeren de meeste patiënten diarree als 'veel ontlasting in korte tijd', maar dokters kiezen 'dunne ontlasting' als omschrijving. Een nuanceverschil, maar het is belangrijk om precies te weten wat een patiënt bedoelt als hij een klacht noemt. Het meeste onderzoek naar jargon zit in de medische hoek, omdat spraakverwarring daar zulke ernstige gevolgen kan hebben. Maar ook experts uit andere vakgebieden moeten beter nadenken of de woorden die ze gebruiken voor hen hetzelfde betekenen als voor de mensen met wie ze communiceren.

(tekst gaat verder onder de video)

Beeld Kazuma Eekman

2. Wetenschappers overdrijven erger dan journalisten

Wetenschappers klagen graag dat er niets klopt van wat er in de krant staat, maar we mogen de hand ook in eigen boezem steken. Onze persberichten zijn niet altijd correct. Britse onderzoekers verzamelden honderden universitaire persberichten over wetenschappelijke publicaties en de nieuwsberichten die daarover in de media kwamen. Ze turfden hoe vaak de resultaten uit de oorspronkelijke publicatie werden overdreven, bijvoorbeeld door een gevonden verband te presenteren als oorzaak-en-gevolg.

Het klassieke voorbeeld van deze fout is dat iemand ontdekt dat er een verband is tussen de verkoop van ijs en verdrinkingen: Hoe meer ijs er verkocht wordt, hoe meer mensen er verdrinken. Je kunt hieruit niet concluderen dat ijs die verdrinkingen veroorzaakt. Toch maakte eenderde van de universitaire persberichten zo'n soort sprong. Er bleek een sterke relatie tussen een overdreven persbericht en onzorgvuldige berichtgeving in de media. Ging het persbericht de fout in, dan deed 81 procent van de nieuwsberichten dat ook. Was het persbericht correct, dan was 82 procent van de nieuwsberichten dat ook. De grootste vertekening zat niet bij de journalisten, maar bij de persberichten die de universiteit stuurde. Inmiddels loopt er een grote vervolgstudie om dit soort effecten beter te bestuderen.

Beeld Kazuma Eekman

3. Onderzoek in de krant blijft niet onopgemerkt

Onderzoekers beoordelen elkaar op hoe vaak hun werk geciteerd wordt. Helpt media-aandacht daarbij? Een klassieke studie turfde de citaties van wetenschappelijke publicaties die werden besproken in The New York Times. Zij kregen in het eerste jaar gemiddeld zeventien citaties. Vergelijkbare publicaties die niet in de krant kwamen, bleven steken op zo'n tien citaties. Zelfs tien jaar later werden de in de krant besproken publicaties nog vaker aangehaald.

Maar hoe weet je wat oorzaak en gevolg is? Is het niet logisch dat de krant de belangrijkste onderzoeken kiest en dat die sowieso meer citaties krijgen? Je zou het liefst een experiment opzetten: elke maand wijs je willekeurig een paar publicaties aan die in de krant komen. Maar vind maar eens een redactie die daaraan meewerkt. De New York Times-studie deed iets slims: ze gebruikte een natuurlijk experiment. Tijdens een staking werd de krant wel gemaakt, maar niet verspreid. De redactie selecteerde net als altijd wetenschappelijke publicaties om een stuk over te schrijven, maar geen lezer zag daar iets van. In deze periode zat er wat citaties betreft geen verschil tussen de publicaties die wel en niet waren gekozen door de redactie. Het helpt dus écht om met je onderzoek in de krant te komen.

Beeld Kazuma Eekman

4. Cijfers en feiten maken geen indruk

Wetenschappers communiceren graag met harde feiten en volledige cijfers, maar de meeste mensen zijn gevoeliger voor verhalen. Dat werd vorig jaar weer eens pijnlijk duidelijk in een Brits onderzoek naar het beeld van antibiotica-resistentie. Allereerst bleek het algemene publiek daarover veel minder te weten dan de experts dachten. Zo meenden álle ondervraagden dat mensen resistent worden als ze te veel antibiotica gebruiken. Terwijl het probleem is dat bacteriën resistent raken.

Wetenschappers hadden een aantal manieren bedacht om de ernst van de situatie te laten zien, met lekker veel cijfers en feiten. Dat bleek weinig indruk te maken. Bij een uitspraak als 'Antibiotica-resistentie kost wereldwijd jaarlijks 700.000 levens en dat kunnen er in de toekomst tien miljoen worden', vroegen mensen zich af wat die getallen over hun leven zeiden en ze mopperden dat al die nullen een beetje belachelijk klonken. Iemand vroeg de wetenschappers waarom ze niet een verhaal over de mensen achter die cijfers vertelden. Dan zou hij het wél op zijn eigen gezin kunnen betrekken.

(tekst gaat verder onder de video)

Beeld Kazuma Eekman

5. Vooroordelen zijn hardnekkig en schadelijk

Wetenschapscommunicatie gaat ook over hoe de academische wereld eruitziet voor de buitenwereld. In het publieke imago is wetenschap nog steeds een vak voor witte mannen. De vooroordelen over exacte wetenschap zitten bijvoorbeeld heel diep. Uit testen met meer dan een half miljoen deelnemers uit allerlei landen, blijkt dat 70 procent van hen onbewust bètavakken met mannen associeert.

Pijnlijk om toe te geven: ik ben één van hen. Ik promoveerde zelf in de wiskunde, maar heb diep vanbinnen nog steeds het idee dat wiskunde toch meer iets voor mannen is. Dit soort vooroordelen hebben gevolgen: hoe sterker in de nationale cultuur zit dat wiskunde niets is voor meisjes, hoe slechter ze presteren op school bij wiskunde.

Een Franse studie illustreerde dit fenomeen. Scholieren moesten een ingewikkelde figuur natekenen. De helft van de kinderen kreeg te horen dat dit een tekenopdracht was, bij de andere helft heette het een meetkunde-opdracht. Bij de tekenopdracht scoorden de meisjes beter dan de jongens, bij de meetkunde-opdracht konden ze er ineens niets meer van en deden de jongens het beter. Terwijl het exact dezelfde opgave was. Stereotypen maken het voor hele groepen kinderen minder vanzelfsprekend om voor wetenschap te kiezen. Dat is zonde voor hen én de wetenschap.

Beeld Kazuma Eekman

6. Wetenschapscommunicatie is niet voor sukkels

Hoe vaker een wetenschapper in de media komt, hoe slechter diens kwaliteit als onderzoeker moet zijn. Althans: dat is het vooroordeel dat leeft binnen de universiteit. Dit heet ook wel het Carl Sagan-effect, naar de astronoom die met zijn televisieprogramma's en boeken hele generaties warm maakte voor de sterrenkunde.

Sagan was ook een uitstekend onderzoeker, maar hij mocht geen lid worden van de Amerikaanse academie van wetenschappen. Terwijl zijn publicatielijst beter was dan die van anderen die wél lid waren. Bizar genoeg kende diezelfde academie Sagan later haar meest prestigieuze prijs toe.

Zulke dubbelheid zie ik vaker: onderzoekers mopperen eerst op collega's omdat ze op televisie komen en vragen vervolgens hoe zij zelf eens bij Humberto Tan kunnen aanschuiven. Het vooroordeel dat wetenschapscommunicatie voor de sukkels is, blijkt bovendien volkomen onterecht. Wetenschappers die actief zijn op het gebied van popularisering, presteren ook op academisch gebied meer dan hun collega's die veilig in de ivoren toren blijven. De publiek zichtbare figuren maken langere werkweken, publiceren meer en hun werk wordt vaker geciteerd.

Beeld Kazuma Eekman

7. Het kan beter

Het systeem beloont onderzoekers die naar buiten treden nauwelijks. Bij beoordelingen telt een gepubliceerd peer-reviewed artikel met twee citaties vele malen zwaarder mee dan een televisie-optreden voor honderdduizenden kijkers.

Maar wat is nu waardevoller voor de wetenschap als geheel? Wetenschapscommunicatie is óók een essentieel onderdeel van het academische proces. Bij veel onderzoeksprojecten is er een verplichte paragraaf over outreach: wetenschappers moeten hun werk op de een of andere manier buiten de universiteit brengen. Te vaak eindigt dit in een ongeïnspireerde website of de zoveelste app die niemand gebruikt. Laten we dit nu eens beter aanpakken. Ik hoop de komende jaren nauw samen te werken met onderzoekers uit verschillende vakgebieden en onderzoek te doen waar wetenschappers iets aan hebben bij hun communicatie met de rest van de wereld. Laten we zorgen voor een stevige theoretische basis onder onze wetenschapscommunicatie. Laten we zorgen dat onze outreach van net zulke hoge kwaliteit is als ons onderzoek.

Beeld Kazuma Eekman
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.