Pompje loopt, kunsthart stokt

De vorige week overleden Willem Kolff, de vader van de kunstnier, werkte ook aan een kunsthart. De medische sector ziet daar vooralsnog niets in....

De weg naar een permanent kunsthart lijkt voorlopig verlaten. Hartchirurgen kunnen op het ogenblik goed uit de voeten met een steunhart voor de linkerhartkamer. Die hulppompjes zijn de afgelopen jaren zo geperfectioneerd, dat ze prima voldoen om de wachttijd voor een transplantatiehart te overbruggen, zegt thoraxchirurg Jaap Lahpor van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU). Meer dan 140 pompjes zijn er de afgelopen jaren in het UMCU geïmplanteerd, direct onder het eigen – verzwakte – hart van de patiënt.

Een van de visioenen van de vorige week overleden Willem Kolff lijkt daarmee ver weg te liggen. Kolff, geboren in Kampen en in 1950 geëmigreerd naar de Verenigde Staten, gaat de geschiedenisboeken in als de uitvinder van de kunstmatige nier. In 1942 bouwde hij een eerste houtje-touwtje-exemplaar met een waterpomp uit een oude T-Ford en cellofaan van de plaatselijke slager. Tientallen patiënten heeft hij met het apparaat gedialyseerd.

De kunstmatige nier heeft Kolff wereldberoemd gemaakt. Amerikaanse kranten als The Wall Street Journal en The New York Times besteedden eind vorige week paginagrote verhalen aan de 97 jaar oud geworden Nederlander. Toch heeft hij meer gewerkt aan het kunsthart, vooral in de door hem opgezette hartkliniek van de universiteit van Salt Lake City. Dat onderzoek krijgt minder credits. ‘Omdat Kolff zijn medewerkers als uitvinders naar voren schoof. Hij was een bescheiden man’, zegt Lahpor van het UMCU, die Kolff diverse malen heeft ontmoet.

Kolffs levensmotto was dat in principe alle organen zijn na te bouwen. Het was de drijfveer voor al zijn onderzoek, tot op hoge leeftijd, zegt biograaf Herman Broers, die over twee jaar aan de Rijksuniversiteit Groningen hoopt te promoveren op het werk van Kolff. Kunstogen, kunstoren, kunstnieren en kunstharten, de tot Amerikaan genaturaliseerde Nederlander heeft vele prototypen uitgeprobeerd. Zonder zijn doel volledig te bereiken. De natuur steekt weerbarstiger en complexer in elkaar dan gedetailleerde schetsen op een tekentafel en proefdierexperimenten doen vermoeden.

Draagbare nier

Draagbare nier
Wereldwijd profiteren honderdduizenden nierpatiënten van de vinding van Kolff. Ze moeten echter, in afwachting van een schaarse donornier, nog wel steeds een paar keer per week enkele uren aan het spoelapparaat, een belastende exercitie. Een draagbare versie van de kunstmatige nier, in ontwikkeling, laat zeker nog zeven jaar op zich wachten, schatten Nederlandse onderzoekers – althans de eerste test bij een nierpatiënt.

Draagbare nier
Met het permanente kunsthart gaat het niet anders. Ook hier gaat de eerste ontwikkeling ver terug. Het jaartal 1956 staat achter het eerste kunsthart dat onder supervisie van Kolff is ontwikkeld: een log plastic geval met vier hartkamers en kleppen die met perslucht werden aangedreven. De pulserende pomp werd een jaar later voor het eerst in een hond gezet; het dier leefde er anderhalf uur op.

Draagbare nier
‘Het duurt niet lang voor een onherstelbaar ziek hart zal worden vervangen door een pomp’, hield de optimistische Kolff zijn toehoorders begin jaren zestig van de vorige eeuw in een lezing voor. Na meer dan twintig jaar experimenteren in kalveren en schapen werd de stap naar de mens gemaakt. Eind 1982 werd het eerste kunsthart in een mens geïmplanteerd, in de Amerikaan Barney Clark.

Draagbare nier
De euforie was groot. De gebeurtenis werd destijds met net zoveel publiciteit omgeven als de eerste schoorvoetende stappen van de mens op de maan, dertien jaar daarvoor. De 61-jarige gepensioneerde tandarts blies na 162 dagen zijn laatste adem uit. Niet door technische problemen met het kunsthart, naar de leerling van Kolff, Robert Jarvik, de Jarvik-7 genoemd. Dat pompte vrolijk door. ‘Andere organen begaven het’, meldden de artsen van de universiteitskliniek in Salt Lake City.

Draagbare nier
Ook bij drie andere Amerikaanse hartpatiënten werd zo’n compleet kunsthart geïmplanteerd. Een van hen heeft er 620 dagen mee geleefd. Het hart pompte mechanisch prima. De patiënt had echter geen kwaliteit van leven. Hij was gekluisterd aan zijn bed in het ziekenhuis, verbonden met een hele rits apparaten en pompen, en hij werd volgestopt met bloedverdunners en antibiotica om ontstekingen het hoofd te bieden. In 1990 werd daarom de gebruiksvergunning voor dit permanente kunsthart ingetrokken.

Draagbare nier
Sindsdien timmerde vooral het Amerikaanse bedrijf AbioMed aan de weg met zijn permanente kunsthart AbioCor, bedoeld voor patiënten met twee falende hartkamers. Een tiental ervan is geplaatst. Alle patiënten zijn overleden, sommigen pas na maanden, de meesten aan een longontsteking of een herseninfarct, terug te voeren op bloedstolsels die zich in het kunsthart hadden gevormd.

Draagbare nier
Tien jaar geleden, in 2000, voorspelde de Utrechtse thoraxchirurg Lahpor na de eerste implantaties in de VS dat er in 2001 een kunsthart in een Nederlandse hartpatiënt zou worden geplaatst. Daar is het nooit van gekomen. ‘Dat permanente AbioCor-hart ligt op de plank vanwege complicaties met bloedstolsels en met infecties. Het kunsthart is ook te groot. Alleen in mannen boven de 1.80 meter is daar in de borstholte voldoende ruimte voor te vinden. De patiënt moet bovendien een vracht aan randapparatuur als pompen en accu’s met zich meedragen’, zegt Lahpor.

Draagbare nier
De ambities zijn daarom wereldwijd bijgesteld; de aandacht heeft zich verlegd naar ondersteuning van de linkerhartkamer. Dit pompdeel is verantwoordelijk voor de grote lichaamscirculatie van het bloed. Bij een verzwakt hart doen zich daar de meeste problemen voor. Een tijdelijk steunhart krijgt een plaats in de buikholte, direct onder het eigen hart. Het blijft daar zitten, in afwachting van een donorhart.

Wokkelpompje

Wokkelpompje
De HeartMate II van Thoratec in Pleasanton (Californië), nu bijna drie jaar op de markt, is wereldwijd het succesvolste steunhart, ook in Nederland, zegt UMCU-chirurg Lahpor. Het is een compact elektrisch pompje dat ongeveer 10 liter bloed per minuut kan verstouwen. Dat is vergelijkbaar met de pompcapaciteit van een normaal hart. Het storingsvrije ‘wokkelpompje’ stuwt continu bloed door het lichaam. Er is geen pulserende hartslag zoals bij de meeste concepten van een permanent kunsthart. Dat scheelt complexe persluchtpompen en storingsgevoelige kleppen met een hoog stolselrisico.

Wokkelpompje
De patiënt draagt aan weerszijden van het lichaam twee pakketjes – ter grootte van een sigarettendoosje – met oplaadbare batterijen, voor de pompaandrijving. Die moeten om de vier tot acht uur worden vervangen. Een elektronisch controlekastje regelt de pompcapaciteit, afhankelijk van de inspanning. ‘De patiënt kan naar huis, hij kan werken: je ziet er niets van’, zegt Lahpor. ‘Hij kan zo de komst van een donorhart afwachten. In Nederland moet daarvoor op minimaal een jaar worden gerekend.’

Wokkelpompje
Met zo’n steunpompje doen patiënten steeds langer. Wereldwijd zijn er nu tweeduizend pompjes gebruikt. In Nederland zijn er de afgelopen jaren 160 steunharten geplaatst, in afwachting van een donorhart – dat is zo’n twintig tot dertig per jaar, het merendeel in het UMCU. Twee jaar heeft het langst gebruikte hulppompje in het lichaam gezeten, in de VS is dat al bijna vijf jaar. Het steunhart evolueert zo naar een permanente oplossing’, voorspelt de Utrechtse hartchirurg Lahpor.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden