Philipp Blom - De Duizelingwekkende Jaren

Tussen 1900 en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog veranderde de wereld radicaler dan ooit radicaal. Machines rukten op, vrouwen werden assertief, twijfel sloeg alom toe.

De geschiedenis kent vermoedelijk geen duizelingwekkender tijdperk dan de vijftien jaren die aan de Eerste Wereldoorlog voorafgingen, vanaf de overweldigende Wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs tot het uitbreken van die oorlog in de zomer van 1914. Vooral toen is de wereld ingrijpend en radicaal veranderd. ‘De moderne wereld was al een feit’ – schrijft Philipp Blom in het verbluffende The Vertigo Years – Change and Culture in the West 1900-1914 – ‘voordat de eerste Duitse soldaat de Belgische grens was overgestoken’.

De moderniteit ‘verrees niet maagdelijk uit de loopgraven’, ze had de geest en het leven van de Europeanen allang in haar greep. Het continent werd toen al door een maalstroom van tomeloze krachten meegezogen, gedreven door uitgesproken gevoelens van opwinding, snelheid, angst en duizeling.

Tegenwoordig wordt die periode voor het uitbreken van de Grote Oorlog vaak beschouwd als idyllisch, als een belle époque,want pas na 1918 herrees ‘de feniks van de moderniteit’ uit de as van die oude wereld. Maar klopt dat beeld wel? Om die gevoelens van duizeling te doorgronden, of op zijn minst beter te kunnen begrijpen, moeten we deze opwindende en tegenstrijdige tijden met frisse onbevangenheid bekijken.

We mogen, zegt Blom, die jaren niet alleen beschouwen in termen van wat wel en wat niet tot die bloedige oorlog heeft geleid. Als een soort gedachte-experiment probeert de historicus zich daarom voor te stellen dat in bibliotheken overal ter wereld ‘een plaag van even vraatzuchtige als selectieve boekwormen’ alle boeken en foto’s, films en andere documenten over de tijd na juli 1914 onherstelbaar heeft vernietigd. De ‘fatale’ afloop van die grootse veranderingen schuift hij even opzij, om zich beter te kunnen verdiepen in hoe het werkelijk in die tijd was. Hij wil de jaren daarvoor – hoe moeilijk dat ook is – ervaren zoals mensen uit die tijd ze hebben beleefd.

Blom beoefent op schitterende manier de narratieve geschiedschrijving. Hij vertelt hoe de wereld moderniseerde. Blom begint elk hoofdstuk met een anekdote of een specifieke belevenis, pas daarna gaat hij globaler analyseren. Hij glijdt niet weg in details, hij richt zijn scherpe blik op wat je de opvallendste ‘initiatieven’ of ‘veranderingen’ kunt noemen in die overrompelende tijd: het verkruimelen van de adellijke wereld, de strijd van de vrouwen, de wetenschappelijke en industriële ontwikkelingen, het nieuwe straatbeeld, de massapers en het overdonderende entertainment, de revolutionaire spirit, het consumentisme en de zoektocht naar veel lossere identiteiten.

Natuurlijk dreigt hij met zijn experiment zichzelf voorbij te lopen. Uiteindelijk weten we allemaal hoe het na juli 1914 is afgelopen, maar hij wilde in zijn boek die periode ‘van binnenuit bekijken’, haar niet achteraf interpreteren. Die tijd vraagt zo’n onbevangen aanblik.

In minder dan één generatie vond er in de samenleving een opmerkelijke transformatie plaats. Snelheid en energie waren de sleuteltermen van die tijd. Het was een nerveuze generatie: altijd was er beweging, maar nooit ging het ergens heen. Een tijdperk liep ten einde, terwijl er nog geen tekenen waren van een nieuw. De mensen, schrijft Blom, waren ‘de zekere tred en vaste grond onder de voeten (...) kwijtgeraakt’. Hoe meer mogelijkheden, hoe onzekerder ze werden. Er was geen houvast meer.

Snelheid kan angstaanjagend zijn. Die angst en weerstand tegen verandering, schrijft Blom, zouden de hele eeuw als een soort echo blijven achtervolgen. Tussen 1900 en 1914 waren er twee duidelijke veranderingen: er werden krachtige machines gebouwd, ‘de stuwende kracht van de dynamo’, en bijna onopgemerkt veranderde de verhouding tussen de seksen en sloop een nieuwe mentaliteit tussen de lakens. ‘Machines en vrouwen’, resumeert Blom, ‘snelheid en seks’.

De wereld was op drift, snelheid was fascinerend, de machines belichaamden ‘de pompende kracht van de moderniteit’. Het was het begin, aldus de profetische Amerikaanse schrijver Henry Adams, van ‘het tijdperk van de dynamo’. De strijd om de ziel van de twintigste eeuw was volgens hem al in 1900 begonnen op de Wereldtentoonstelling in Parijs waar Adams ‘nederig het hoofd had gebogen voor het altaar van de dynamo’. Maar tegelijk, ondanks deze alomtegenwoordige dynamiek, dook het schrikbeeld op van ontaarding en verval omdat zelden zoveel ineens op losse schroeven werd gezet. Aan alles werd getwijfeld. De roes van de moderniteit bracht ook gevaar met zich mee: het angstige gevoel voort te razen zonder duidelijke richting. Uit angst benadrukten mannen steeds weer de oude waarden, omdat hun positie niet langer vanzelf sprak. Volgens Blom lijken deze duizelingwekkende tijden in veel opzichten op de onze: ook nu wordt er op oude waarden teruggegrepen.

Ongetwijfeld was een van de meest ingrijpende veranderingen die in de verhouding tussen mannen en vrouwen. Mannen waren buitengewoon verontrust over hun positie. Voor het eerst genoten vrouwen massaal onderwijs en verdienden ze hun eigen geld; bovendien eisten ze stemrecht. Naarmate vrouwen assertiever werden, gingen mannen in het defensief. Ze verschansten zich in een overdreven soort mannelijkheid. Volgens Blom werd vanuit de mannelijke cultuur op deze bedreiging gereageerd door opnieuw protserige traditionele vormen te verheerlijken: van de voorliefde van de Duitse keizer voor uniformen tot de seksueel geladen snelle machines van de dichter Guillaume Apollinaire, van de uitzinnige futuristische manifesten van Filippo Marinetti tot de prominente plek van het leger in het openbare leven. Nooit eerder waren er zoveel uniformen op straat te zien, nooit werden zoveel duels uitgevochten – het was een rage – en zelden heerste er zo’n allesoverheersende ‘exercitieplaatsmentaliteit’ met veel bluf en geparadeer.

De jaren voor 1914 staan bekend als een tijd van vergaand militarisme, maar tegelijk beijverden velen zich voor de vrede. Toen halfweg juni 1907 gedelegeerden uit meer dan veertig landen, hoofdzakelijk oudere mannen, in Den Haag bijeenkwamen voor de openingsplechtigheid van de Internationale Vredesconferentie, werd niet onderhandeld over vredesverdragen maar over de regels voor het oorlogsvoeren.

Het was geen vredesconferentie, maar ‘een extreme manifestatie van mannelijkheid’ – in de woorden van de vooraanstaande Oostenrijkse socialiste Rosa Mayreder. Het was een conferentie over de manier waarop de oorlog gevoerd moest worden, een ‘gemechaniseerde’ en ‘gemoderniseerde’ oorlog die is uitgevochten in de loopgraven – op een heel andere manier al even duizelingwekkend als die jaren die aan de Grote Oorlog voorafgingen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.