Oude dames in Dubuque

DE INITIATIEFNEMERS wisten in 1925 precies wat voor blad het moest worden. 'It will be the magazine which is not edited for the old lady in Dubuque', schreven ze aan beoogde geldschieters - 'it will not be concerned with what she is thinking about.'..

Daarmee was niet zozeer de provincie als wel de provinciale geest buitengesloten. The New Yorker, vervolgde de brief, rekent op grote landelijke belangstelling, 'but this will come from persons who have a metropolitan interest'.

En daar hoefde je toentertijd (en waarschijnlijk nog steeds) in Dubuque, Iowa, niet om te komen.

Zo werd The New Yorker geboren uit wat in het Nederland van de jaren negentig wel eens misprijzend 'de randstedelijke arrogantie' wordt genoemd. Het moest een vrij, onafhankelijk en liberaal weekblad worden, volgeschreven door vrije, onafhankelijke en liberale auteurs en cartoonisten. 'It will not be', verduidelijkten de oprichters, 'what is commonly called radical or highbrow. It will be what is commonly called sophisticated, in that it wil assume a reasonable degree of enlightment on the part of its readers. It will hate bunk.'

Aan zelfverzekerheid geen gebrek.

Het is niet helemaal zeker of de werftekst werd geschreven door de eerste hoofdredacteur, die meteen tot 1951 de dienst zou blijven uitmaken. In My Years with Ross portretteert James Thurber - als schrijver én cartoonist zelf groot en beroemd geworden in en met The New Yorker - Ross als de ideale aartsvader, dat wil zeggen als de man die zelden of nooit een pen op papier zette, en evenmin ooit een boek las, maar die een feilloze intuïtie had voor literaire en picturale kwaliteit, en een klimaat ontwikkelde en in stand hield dat steeds méér talent haast vanzelf aantrok. Een grote verdienste natuurlijk, maar als een typische New Yorker-medewerker concludeerde Thurber eigengereid: 'It's the moths that deserve the credit for discovering the flame.'

De vader mag nog zo goedertieren zijn geweest, maar zonder de briljante kinderen zou het met zijn schepping nooit wat zijn geworden.

De legendevorming draaide in Thurbers biografie al op volle toeren, en ze is voor de cultuur van The New Yorker - 'a home away from home', droomde iedereen die eraan mocht bijdragen - even kenmerkend als het feit dat het blad in zestig jaar slechts twee hoofdredacteuren heeft versleten. Al in 1939 had Ross een vervangende vader in de week gelegd, die in 1987, tachtig jaar oud, de gebenedijde tempel aan de 33ste straat bijna moest worden uitgedragen: William Shawn, die zich evenmin als zijn voorganger ooit had laten kennen als een geducht schrijver of journalist, maar die het redactionele bastion waakzaam hield, de kaarsvlam koesterde, dus de motten liet aanvliegen.

Onder zijn beheer begon de carrière van de Indiase emigrant Ved Mehta, die na een studie in Oxford doorvloog naar Amerika, en daar verslingerd raakte aan The New Yorker.

Verslingerd is waarschijnlijk te zacht uitgedrukt. Blijkens zijn memoires - Remembering mr. Shawn's New Yorker - werd hij niet zozeer medewerker als wel discipel van Shawn, en Shawn werd niet zozeer zijn hoofdredacteur als wel zijn goeroe.

De bewondering die Thurber voor Harold Ross had, was aangelengd met de twijfel, de ironie, de scepsis en misschien ook wel de roddelzucht, die zo volmaakt pasten bij de toon van de oude New Yorker, waar ze bunk immers haatten. Wie aan het blad meewerkte, deed dat achteloos, liefst op koele afstand, in een staat van uitverkorenheid die als vanzelfsprekend werd ervaren, en waarvoor aan niemand dank was verschuldigd.

Het epicentrum van dit geduchte natuurverschijnsel was niet eens zozeer New York als wel de 'rozenkamer' van het om de hoek van de redactie gelegen Hotel Algonquin, waar de dames en heren het grootste deel van hun tijd doorbrachten met eten, drinken, pokeren en het uitwisselen van wisecracks. 'Raad eens wie vandaag jarig is?', vroeg de een aan de ander. 'Jij?', opperde deze. Waarop de eerste: 'Nee, maar je bent warm. Shakespeare.'

Gespeelde hooghartigheid was deel van de cultuur, waarbinnen men overigens de betrekkelijkheid van de roem nooit uit het oog verloor. Van de honderden (ooit gebundelde) Algonquin wits is die van een intussen ook vergeten auteur representatief gebleven: 'Het heeft me vijftien jaar gekost om te ontdekken dat ik geen talent had, maar toen kon ik er niet meer mee ophouden, want ik was al te beroemd geworden.'

Geen spoor van die wereld in de herinneringen van Ved Mehta.

Dat hij een van nature wellicht al wat schuchtere emigrant was die de 'metropolitaanse' geest nog onder de knie moest krijgen, kan nauwelijks als verklaring dienen. Meer buitenstaanders (Saul Steinberg bijvoorbeeld) hebben zich moeiteloos aangepast aan het New Yorker-klimaat - misschien wel juist omdat ze buitenstaander waren, dus van huis uit de distantie hadden die echte New Yorkers moesten voorwenden. Maar ook na bijna veertig jaar The New Yorker (hij debuteerde in 1960) is Mehta's gevoel voor humor bedolven gebleven onder zijn eerbied voor het Instituut en z'n ootmoed jegens de grote Vader.

Zou z'n handicap de oorzaak kunnen zijn? Hij is als kind blind geworden, en uit zijn memoires wordt duidelijk dat het ongerief hem levenslang heeft gefrustreerd - niet eens vanwege het gebrek zelf, als wel omdat hij er z'n omgeving steeds weer van moest overtuigen dat hij zich 'met m'n vier overige zintuigen' voortreffelijk wist te redden.

Maar z'n boek doet de vraag rijzen of er in de laatste decennia niet iets ergers, iets fundamentelers is gebeurd: of de veelbezongen gloriejaren van The New Yorker niet langzaam maar zeker domweg zijn vervlogen, of Mehta niet is aangetreden toen het hoogtij al voorbij was.

De eerste paar honderd bladzijden van de memoires leren een humorloze, door zijn blindheid enigszins gekwelde jongeman kennen, die in onafgebroken aanbidding neergeknield ligt voor de hoofdredacteur aan wie hij uit diep respect ook terugdenkt als aan mister Shawn.

Hij schetst Shawn als een eindredactionele magiër, wiens woorden, opvattingen, beslissingen en ingrepen zonder uitzondering heilig worden verklaard. De wijze waarop en de mate waarin hij de grootheid van Shawn gebruikt om z'n eigen nederigheid te accentueren, doen haast pijnlijk aan. Zonder enige twijfel had Shawn de gave om het omzichtige, wat schoolse proza van Mehta dusdanig te 'editen' dat er nog wat leven in de brouwerij ontstond; de staaltjes van herschrijfkunst die Mehta trouwhartig memoreert, zijn op dat punt heel informatief. Maar had The New Yorker in die tijd geen boeiender kopij voorhanden dan die van de ijverige Indiër die een koppige voorkeur had voor droge onderwerpen en vooral veel woorden?

Dat Mehta zijn vaak ellenlange stukken in het blad kreeg, tekent de verhoudingen die van meet af aan ter redactie hadden bestaan en waren gerespecteerd: de hoofdredacteur besliste over de uitverkorenheid van zijn medewerkers, en je bent haast geneigd te geloven dat Shawn niet helemaal ongevoelig is geweest voor het onderdanige eerbetoon dat hem deelachtig werd, telkens als Mehta aan zijn deur klopte of zelfs een eenvoudige boterham mocht meeeten in het walhalla van Algonquin.

Een oude vader en een misschien niet al te talentvolle, maar in blinde liefde toegewijde zoon.

Dat beeld dringt zich in de tweede helft van Mehta's boek steeds meer op. We zijn dan gevorderd tot halverwege de jaren zeventig, en het lijkt erop dat het ooit zo hermetisch van de buitenwereld afgesloten bolwerk van The New Yorker minder en minder vacuümverpakt raakt. Er is al een snotaap genaamd Tom Wolfe langs geweest, en Mehta prijst zich gelukkig dat de invloed van diens 'new journalism' aan Shawn niet is besteed.

Maar dan klinkt ineens de wens - van buiten de redactie? van binnen? dat blijft onduidelijk - om iets aan de interne verhoudingen ten burele te doen.

Is het niet wat uit de tijd dat The New Yorker nog altijd wordt geredigeerd door één man, die op eigen houtje de honoraria van zijn medewerkers (nooit in vaste dienst) kan regelen, wiens beleid niet wordt getoetst door andere redacteuren, die nadrukkelijk kan blijven verwijzen naar een statuut uit 1925 waarin is vastgelegd dat de krant géén opinieweekblad zal zijn, niet als 'forum' hoeft te dienen, feitelijk niks met de buitenwereld van Dubuque te maken hoeft te hebben?

Wat ooit als een gezegend mirakel werd beschouwd - The New Yorker niet alleen onafhankelijk van adverteerders, maar eigenlijk van God en alle (andere) mensen - wordt onverhoeds ter discussie gesteld. De weelde van al die schrijvende en tekenende godenzonen die maar moesten zien hoe ze van hun incidentele ereloon konden rondkomen (Shawn stuurde z'n mannen graag op reportage, maar reis en verblijf moesten ze zelf betalen), werd van de ene dag op de andere als het ware herijkt naar zoiets als vakbondsnormen.

Pas op driekwart van zijn boek komt Mehta er rond voor uit wat hij al die jaren eigenlijk het meest in The New Yorker heeft gewaardeerd: de persoonlijke relatie met die ene man, die ene vader, die ene journalistieke patriarch voor wie hij door het vuur wilde, en zonder wie wat hem betreft de aardigheid er definitief af is.

Zo krijgt Remembering mr. Shawn's New Yorker ten slotte iets pathetisch, en zelfs iets universeels - voorzover het het afscheid beweent van een constellatie die zichzelf na meer dan zestig jaar heeft overleefd. De erven van de eerste eigenaar (de broodmiljonair Raoul Fleschmann die in 1925 voor 25 duizend dollar de grootste aandeelhouder werd) doen hun blad aan het einde van de jaren tachtig van de hand, en ondanks de dure beloften van de nieuwe eigenaar gaat uiteraard de bezem door de oude organisatie: nieuwe redactieruimten, zakelijker promotie-activiteiten, meer advertenties, en zelfs de (letterlijke!) muur tussen de redactie en directie wordt gesloopt. En de bijna 80-jarige Shawn die nooit van ophouden heeft willen weten, krijgt op een dag - onder dankzegging voor bewezen diensten - z'n ontslagbrief over de post.

Er is geen ontkomen aan: The New Yorker zal voortaan ook geredigeerd worden met een schuin oogje naar oude dames in Dubuque.

Jan Blokker

Ved Mehda: Remembering mr Shawn's New Yorker - The Invisible Art of Editing.

Overlook Press, import Penguin Nederland; 414 pagina's; omstreeks * 66m50.

ISBN 0 87951 876 6.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden